Uit het leven van Elisa

Deel 1



Naäman de Syriër

2 Koningen 5

 

‘Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad. Maar Ik zeg u naar waarheid: Ook waren er veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, maar wel Naäman, de Syriër. En allen in de synagoge werden met woede vervuld toen zij dit hoorden’ (Luk.4:24-28)

 

Inleiding

‘Maar de man, een krijgsheld, was melaats…’ (2Kon.5:1), zo begint de beschrijving van Naäman, de legeroverste van de koning van Aram. En zo begint ook uw en mijn geschiedenis, want melaatsheid wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van de zonde (Lev.13). ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed’ (Jes.64:6). Een paar voorbeelden uit het Oude Testament maken duidelijk waarom sommige mensen melaats werden. Mirjam werd melaats vanwege kritiek en afgunst op Mozes, haar broer (Num.12). Koning Uzzia werd melaats vanwege hoogmoed (2Kron.26:16-23) en Gehazi, de knecht van Elisa, werd melaats vanwege begeerte en misleiding (2Kon.5:27). Wat als God ook vandaag mensen dit deed overkomen wanneer ze op een of andere manier zouden zondigen, zou u dan

ook melaats zijn? Naäman was een melaatse, een onreine en moest daarom gemeden worden en stond buiten de gemeenschap. Zoals gezegd is melaatsheid een beeld van de zonde die ‘in de wereld is gekomen en daardoor de dood’ (Rom.5:12). ‘Er is geen rechtvaardige, ook niet één’ (Rom.3:10). Koning, keizer, admiraal… zondaars zijn we allemaal! Nee, het is geen prettig beeld dat de Bijbel geeft over de mens! Is er dan geen mogelijkheid om aan de dood te ontkomen? Ja, die is er en daarover gaat dit artikel.

Naäman

 

‘Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats’ (vs.1)

 

De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schrijft in zijn boek ‘Joodse Oudheden’ (boek 8, hoofdstuk 15.5) dat het vermoedelijk Naäman is geweest die met een schot met de boog (een speer volgens anderen) de dood heeft veroorzaakt van koning Achab van Israël (1Kon.22:34). Dat, en de overwinning die de Here door zijn hand aan de koning van Aram had geschonken, was de reden dat Naäman zeer gezien was bij zijn heer, de koning van Aram, en natuurlijk ook bij de bevolking. Hij was een gevierd mens, hij had het gemaakt in deze wereld, wat kon hem nog gebeuren? Het ging hem allemaal voor de wind tot op het moment dat hij een klein wit plekje op zijn lichaam ontdekte: melaatsheid! Naäman zal het wel niet direct bekend hebben gemaakt. Ik stel mij zo voor dat hij het voor anderen geprobeerd heeft te verbergen. Maar wat je ook doet, op de duur wordt het toch zichtbaar, het blijft niet bij een vlekje maar het hele lichaam wordt aangetast. Zoals het gaat met melaatsheid, zo gaat het ook met de zonde; het begint klein maar uiteindelijk wordt het hele leven erdoor beheerst. Het nieuws verspreidde zich vermoedelijk als een lopend vuurtje door de stad, iedereen had het erover: Naäman is melaats! Het was het gesprek van de dag en zo gebeurde het dat ook het dienstmeisje in het huis van Naäman het vernam.

Een onbekend meisje

 

‘De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw’ (vs.2)

 

Het moet een zwarte bladzijde in het leven van dat meisje zijn geweest, toen die Aramese soldaten in haar dorp kwamen, haar gevangen namen en meevoerden naar hun land. Weg van haar land, familie, vrienden en alles waar ze zo mee vertrouwd was, haar hele (jonge) leven werd erdoor op de kop gezet. Al haar mogelijke dromen en plannen werden in één klap tenietgedaan. Ze werd tewerkgesteld als dienstmeisje in het gezin van Naäman, waar ze zijn vrouw mocht helpen in de huishouding. Ze begreep er niets van wat God met haar leven wilde. God had een doel met haar leven, zoals dat voor iedere gelovige het geval is, maar het was voor haar op dat moment nog verborgen. Zoals dat ook voor Jozef verborgen was en zich pas later bewust werd van zijn plaats in het plan van God met het volk Israël (Gen.45:6-7). Toen ze op een dag hoorde dat Naäman ziek was (melaats) begreep ze dat deze ziekte, die toen ongeneeslijk was, tot de dood zou leiden, werd ze vervuld met een groot medelijden. Als in een flits ging er door haar heen dat Naäman hulp kon vinden in haar land, bij haar volk. Zou God haar willen gebruiken zodat Naäman genezing zou kunnen vinden bij de profeet in Israël? De ‘waaroms’ werden ‘waarvoors’ en toen ze de volgende morgen opstond wist ze wat haar te doen stond. Ze zou doen wat anderen na haar ook zouden doen, toen ze zeiden: ‘Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden’ (2Kon.7:9). Een groot gevoel van vrede en blijdschap vervulde haar hart, ze rende naar beneden en zei tot haar meesteres: ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (5:3).

De koning van Israël

Zo gauw Naäman van zijn vrouw had gehoord wat het meisje haar had verteld, ondernam hij actie en ging naar zijn heer, de koning van Aram, die hem een aanbevelingsbrief gaf voor de koning van Israël met de volgende inhoud: ‘Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid’ (vs.6). Dit was de eerste van een aantal verkeerde beslissingen die Naäman nam. Ten eerste, hij ging naar de verkeerde persoon. Waarom niet gedaan wat het meisje zijn vrouw had gezegd? ‘Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen’ (vs.3). Zoals Naäman zijn er veel mensen in de wereld, ze proberen redding te vinden bij Boeddha, Allah, Maria of andere ‘heiligen’ en ‘verlichte’ geesten van verschillende religies, terwijl de Schrift zegt: ‘Al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden’ (Rom.10:12-13). De Heer Jezus is de Persoon die kan redden want Hij is de weg, de waarheid en het leven (Joh.14:6). ‘En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden’ (Hand.4:12). Zijn tweede misvatting was dat hij dacht dat hij genezing zou kunnen verkrijgen door geld: ‘Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen’ (vs.5). Hij had er alles voor over om genezen te worden, maar begreep niet dat geld niet het juiste middel was, zoals ook later Simon de tovenaar niet begreep dat je geestelijke zaken niet met geld kunt kopen. ‘Toen nu Simon zag dat door de oplegging van handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, bood hij hun geld aan en zei: Geeft ook mij deze macht, opdat ieder die ik de handen opleg, de Heilige Geest ontvangt. Petrus echter zei tot hem: Moge uw geld met u naar het verderf gaan, omdat u hebt gemeend de gave van God door geld te kunnen verkrijgen’ (Hand.8:18). Zoals Naäman en Simon, zijn er de eeuwen door, mensen geweest die ervan uitgingen dat ze met geld gunsten of zelfs hun redding zouden kunnen kopen. We denken maar aan het systeem van aflaten ten tijde van de middeleeuwen, waartegen de hervormer Luther in opstand kwam. Zo wordt verteld, dat men bij Tetzel, de vertegenwoordiger van de paus, ook de zonden van reeds overleden mensen kon laten uitdelgen. Ook uitspraak die aan Tetzel wordt toegeschreven: ‘Als het geld in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel springt’ laat zien hoe de mensen toen misleid werden. Nee, ‘niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, bent u verlost van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel, maar door kostbaar bloed, als van een smetteloos en onbevlekt lam, het bloed van Christus’ (1Petr.1:18-19).

De profeet Elisa

Niet door de koning van Israël, die toegaf dat hij geen melaatse kon genezen, ook niet door geld of op een door Naäman bedachte manier kon hij genezen worden. Naäman werd toornig en ging heen en maakte zijn derde fout: ‘Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de Here, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden?’ (vs.11-12). ‘Ik dacht bij mijzelf…’.  Zoals Naäman zijn er ook vandaag mensen die op ‘hun’ zelf uitgedachte manier gered willen worden. Het gaat er niet om of die andere rivieren beter of slechter zijn, het gaat er om wat de profeet en/of Gods Woord zegt: alleen het bloed van Christus reinigt ons van onze zonden (1Joh.1:7) en ‘In niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegven waardoor wij behouden moeten worden’ (Hand.4:12). Dit wordt duidelijk door de vervolgde gebeurtenissen.

Naämans dienstknechten

 

‘Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.14).

 

Het lijkt erop dat Naämans dienaren redelijker waren dan hun meester. ‘Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein’ (vs.13). Je mag dankbaar zijn dat er anderen zijn die op een tactvolle wijze je proberen te bewegen dingen te doen waartoe je eigenlijk niet bereid bent. We moeten niet vergeten dat dit hele proces begon met een meisje dat bewogen was met de situatie van haar heer. Alles wat gebeurde tussen dat moment en de raad van zijn dienstknechten was een periode van eigengereidheid. Maar nu Naäman zijn tegenstand had opgegeven en had ingezien dat zijn pogingen om op zijn manier genezen te worden vruchteloos waren, was het moment daar waarop hij in staat was om de raad van anderen te aanvaarden. Naäman vernederde zichzelf door af te dalen in de Jordaan voor de ogen van zijn dienaren en zich zevenmaal onder te dompelen. Maar met die vernedering begon zijn verhoging (Mat.23:12)! We mogen aannemen dat niet het water het middel was dat tot zijn genezing leidde, maar de helende hand van God. Gods weg tot redding klinkt dwaas in de ogen van de ongelovigen. We weten niet hoe het werkt, hoe het bloed van Christus ons reinigt van de zonden. We ervaren wel dát het werkt! Het evangelie verandert mensen, mensen worden een nieuwe schepping en dat nieuwe leven dient zichtbaar te worden. De apostel Paulus, die wellicht honderden mensen tot geloof heeft zien komen door de verkondiging van het evangelie, was ervan overtuigd dat het werkt! ‘Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor eenieder die gelooft’ (Rom.1:16). Naäman ging heen om de profeet te bedanken (vs.15). Daarna ging hij naar huis om het blijde nieuws te vertellen en zei: ‘Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël’ (vs.18).

______________________________________________________________


Uit het leven van Elisa

Deel 2


Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet!’

2 Koningen 6:8-23 


Inleiding

1 en 2 Koningen geven de handelingen weer van de koningen van het volk Israël, in het bijzonder het tienstammenrijk, ze beschrijven de opkomst, ontwikkeling, verdeling en de ondergang van dit rijk. Ze beginnen met de glorieuze regering van Salomo en eindigen met de tragische wegvoering in ballingschap van Juda naar Babylon. Als bekend verondersteld, is het rijk Israël onder Rechabeam en Jerobeam opgedeeld in 2 en 10 stammen; vaak als Juda en Israël genoemd (1Kon.12). Beide boeken beschrijven een tijdperk van ongeveer vierhonderd jaren vol van geweld en onrust, waarop de zogenaamde ‘vierhonderd stille jaren’ volgen. In het eerste boek vinden we de profeet Elia, in het tweede boek zijn opvolger Elisa. Elisa was meer de ‘stille’ dienstknecht, terwijl Elia meer de man van de confrontatie was. 2 Koningen heeft als thema Gods oordeel over Israël en Juda. Het gedeelte uit het tweede boek Koningen dat we voor ons hebben heeft zou je als titel kunnen meegeven: ’Strijd’ en Overwinning’. Beide boeken laten ons de trouw van God zien in het handhaven van het verbond, ondanks de ontrouw van het volk. Er is sprake van drie ontmoetingen: (1) met de koning Joram; zoals algemeen wordt aanvaard dat hij deze koning is, (2) met Elisa’s dienaar, waarvan we ook de naam niet weten, en (3) met de vijanden van Israël.

Elisa en de koning (6:8-14)

Het is oorlog, niet alleen in de tijd van de profeet Elisa, maar ook in onze tijd! Let u maar eens op wat er in het Midden-Oosten allemaal aan de hand is, en hoe Israël meer en meer omringd wordt door vijandige staten. Het is opvallend dat het in de dagen van Elisa ging om de belegering van Samaria en dat dat nú ook het geval is; de zogenaamde ‘bezette Westbank’! Maar ook op een andere manier is er oorlog, en wel aan het geestelijk front! Ik hoef u dat niet vertellen want als u om u heen kijkt ziet u het verval van het christendom door de leegstaande kerken. De islamisering van onze westerse wereld neemt hand over hand toe. Een Duitse filosoof heeft eens gezegd: ‘Ik ben niet bang voor de kracht van de Islam, maar veel meer voor de zwakheid van het christendom!’ Deze woorden een aantal jaren geleden uitgesproken, zijn maar al te zeer waar gebleken. De Bijbel waarschuwt ons met de woorden: ‘Weest nuchter, waakt, uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden’ (1Petr.5:8) Maar ook als ‘een engel des lichts’ (2Kor.11:14) is de duivel ijverig bezig strijd te voeren. Heeft u uw wapenrusting al aangetrokken? (Ef.6). De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen te Korinthe: ‘…opdat de satan op ons geen voordeel zou behalen, want zijn gedachten zijn ons niet onbekend’ (2Kor.2:11). We zijn dus gewaarschuwd! In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog wilden velen geen geloof hechten aan de berichten dat Hitler zich aan het voorbereiden was op de verovering van Europa, maar we weten nu hoe het gegaan is.

Nu terug naar ons Bijbelgedeelte. We zien hier dat de koning van Aram plannen aan het beramen is tegen de koning van Israël, maar telkens blijkt dat deze plannen vroegtijdig bekend werden. Heel normaal dat de koning van Aram denkt dat er een verrader in zijn kamp is, maar dat bleek niet het geval te zijn. Hoe, dat weten we niet, maar één van zijn dienaren weet dat Elisa bekend is met de plannen van de koning, ook al zijn ze in het verborgene besproken, namelijk in zijn slaapkamer. Ook weten we niet op welke wijze Elisa daarvan in kennis is gesteld, dat moet door goddelijke openbaring gebeurd zijn! Zou Elisa ook niet geweten hebben dat de koning van plan was hem gevangen te nemen? Ik geloof van wel. We hebben het al gelezen maar laten we het nog maar een keer doen: ‘zijn (satans) gedachten zijn ons niet onbekend’. Wij kunnen op de hoogte komen van de plannen van de duivel door Gods Woord te lezen, de Bijbel is als het ware het ‘handboek van de soldaat’. Toen ik mijn legerdienst moest vervullen kreeg ik een exemplaar van ‘het handboek van de soldaat’, daar stonden allerlei nuttige tips in voor tijden van gevaar. Je werd geacht dat te lezen want als de vijand aan de voordeur klopt heb je daar geen tijd meer voor. Is het ook niet zo met veel gelovigen? Het ‘handboek’ van de gelovige, de Bijbel, is misschien nog wel in huis, maar wordt het nog gelezen? Elisa had de tijd gehad om te vluchten omdat hij wist dat ze hem wilden gevangennemen, maar hij bleef waar hij was, in Dotan: ‘Weerstaat echter de duivel en hij zal van vluchten’ (Jak.4:7). Een soortgelijk gevaar dreigde ook voor Nehemia, ook tegen hem waren moordplannen gesmeed door Sanballat, Tobia en de Arabier Gesem. Maar zijn antwoord luidde: ‘Zou een man als ik vluchten?’ (Neh.6:11). Er zijn gevallen waarin we dienen te vluchten, zoals Jozef (Gen.39:12) maar hier dienen we stand te houden: ‘Onderwerpt u aan God’, ‘weerstaat de duivel’, ‘nadert tot God’ is wat Jakobus ons leert (Jak.4:7-8).

Elisa en zijn dienaar (6:15-18)

‘Pak een oudere man niet hard aan, maar vermaan hem als een vader, de jongeren als broers’ (1Tim.5:1). Het was voor de dienaar van Elisa misschien wel de eerste keer dat hij een situatie meemaakte zoals hier beschreven; een stad, waarin hij zich bevond, omsingeld door vijanden! Zijn reactie is dan ook begrijpelijk, hij vraagt Elisa: ‘Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen!’ (vs.15). Hij was wellicht onervaren en nog niet zo lang in dienst van Elisa, als plaatsvervanger van Gechazi (2Kon.5:27), dus we moeten daar maar niet over oordelen. Elisa toont dan ook de juiste gezindheid, door hem geen verwijten te maken maar eerder hem te bemoedigen! Hoe gaan wij om met hen die nog maar kort op de weg zijn? Het was heel gemakkelijk voor Elisa geweest om neer te zien op zoveel onkennis van zijn dienaar, maar hij probeert hem op dezelfde ‘hoogte’ te brengen waar hij zelf, door genade, gekomen was. Wat jonge gelovigen nodig hebben zijn ‘voorgangers’ in het geloof, mensen met geestelijk ervaring. Elisa had al eerder ‘vurige paarden en wagens gezien’ (2:12) de dienaar niet. In de persoon van de apostel Paulus hebben we een nieuwtestamentisch voorbeeld van hoe een oudere, volwassen gelovige omgaat met een jongere gelovige zoals Timotheüs (1Tim.4:6-16). Hierin ligt een belangrijke taak voor ‘oudere’ gelovigen, zowel mannen als vrouwen. Oudere gelovigen dienen geestelijke zaken en ervaringen door te geven aan jongere gelovigen. ‘…en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten’ (2Tim.2:1-2). Twee vragen moeten we nog beantwoorden. Ten eerste: wat is het antwoord van Elisa aan de dienaar? En ten tweede: ‘Op wat voor een manier doet Elisa dat?’ Elisa bemoedigd zijn dienaar met de woorden: ‘Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dat zij, die bij hen zijn’ (6:16). Waarvan de nieuwtestamentische tegenhanger is: ‘Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is’ (1Joh.4:4; vgl. 2Kron.32:7-8). Wellicht was deze ‘leerstellige’ uiteenzetting van Elisa niet voldoende om de dienaar de ogen te openen, vandaar het gebed dat erop volgt. ‘Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie’ (vs.17). De Here verhoorde het gebed van Elisa en opent de ogen van de knecht die de vurige wagens en paarden zag rondom Elisa. ‘Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, duizenden bij duizenden’ (Ps.38:18).

Elisa en zijn vijanden (6:19-23)

Bedriegt Elisa zijn vijanden of pleegt hij verraad aan zijn volk door hen naar Samaria te brengen?  Hij stelt zijn vijanden voor hem te volgen, dan zal ik u brengen naar de man die gij zoekt (vs.19). Samaria was de stad waar Elisa thuishoorde en hij was erop weg naartoe, maar hij had een speciaal voornemen met betrekking tot zijn vijanden. Wat hierna volgt is een voorbeeld van wat later de Heer Jezus leerde en praktiseerde, heb uw vijanden lief (Mat.5:43). Wie heeft meer liefde voor zijn vijanden getoond dan de Heer Jezus? (Rom.5:10). Had Elia nog vuur uit de hemel willen doen neerdalen (1:10-12; Luk.9:54), Elisa bad voor de vijanden opdat ze mochten zien en zette hun brood en water voor. Hoe ging Elisa met zijn vijanden om, en hoe kunnen wij daarmee omgaan? Salomo schreef: ‘Indien uw vijand honger heeft, geeft hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geeft hem water te drinken; want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd’ (Spr.25:21-22; Rom.12:20-21; Mat.5:43-48; Luk.6:27-36). De koning van Israël had andere plannen, hij wilde ze gelijk doden, maar Elisa is van een andere geest en handelt in genade door ze naar de man te brengen die ze zoeken en geeft hun brood en water. De voormalige Amerikaanse president Lincoln werd eens ter verantwoording geroepen in verband met zijn houding ten opzichte van zijn vijanden. ‘Waarom ben u zo vriendelijk voor hen? U moet proberen ze uit te schakelen’, merkte iemand op. Waarop Lincoln hem antwoordde: ‘Schakel ik ze niet uit als ik vrienden van ze maak?’

Tot besluit

In dit gedeelte van de Bijbel worden we vaak geconfronteerd met de woorden ‘zien’ of ‘blindheid’. (1) Elisa was een ziener (1Sam.9:9; 2Kon.17:13), in de letterlijke betekenis van het woord, zijn ogen hoefden niet geopend te worden; hij zag de werkelijkheid die voor anderen verborgen was. (2) De dienaar zag alleen de zichtbare dingen, en zijn ogen moesten geopend worden om die dingen te zien die alleen voor het geestelijk oog zichtbaar kunnen zijn. (3) De vijanden werden blind, omdat ze meenden dat ze zagen (Joh.9:41). (4) De koning van Israël was ziende blind en onbekend met Gods gedachten.

De blindgeborene die we vinden in Johannes 9 horen we zeggen: ‘Ik was blind en nu zie ik!’

In principe zijn alle mensen geestelijk blindgeboren en alleen door wedergeboorte kunnen ze weer zien. In hun blindheid kunnen ze daarom het koninkrijk van God niet zien ook al zijn ze de leraar van Israël (Joh.3:3). De Heer Jezus noemt de geestelijke leiders dat ook ‘blinde leiders’: ‘Laat hen begaan. Zij zijn blinde leidslieden van blinden. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen (Mat.15:14; Rom.2:19).

We kunnen verder nog twee soorten blindheid onderscheiden in de Bijbel: (1) die van de ongelovigen en (2) die van de vleselijke of niet-geestelijke gelovige. Ten eerste en direct volgend op de verwijzing naar de blindheid van het volk Israël, zoals vermeld in 2 Korinthiërs 3:14-16, is de onthulling van Satans ‘bedekking’ die hangt over hen die verloren gaan van het evangelie waardoor zij gered hadden kunnen worden. Zoals geschreven staat: ‘Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan; in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen’ (2Kor.4:3-4). Vervolgens zijn er andere geschriften die de waarheid uiteenzetten met betrekking tot het feit dat de ongelovigen onder de macht van Satan staan (Joh.8:44; Ef.2:1-2; Kol.1:13; 1Joh.5:19). Elke inspanning om de ongelovigen te bereiken met het evangelie, om ze uit de macht van de duisternis te bevrijden, is voldoende zijn om deze sluier op te heffen die satan heeft opgelegd (Joh.16:7-11).

Ten tweede de blindheid van de vleselijke christenen. De blindheid en de beperking daarmee verbonden, is wanneer ze proberen de Schrift te begrijpen. Zoals vermeld in 1Korinthiërs 3:1 - ‘En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus’. De oplossing voor de blindheid van de ongelovigen is de verlichting die door de verlossing in Christus tot stand komt, terwijl de remedie voor de blindheid van de vleselijke gelovige een vollediger toegeven is aan de inwonende Heilige Geest.

__________________________________________________________


Uit het leven van Elisa

Deel 3



‘Het beleg van Samaria’

(2 Koningen 6:24-7:20)

 

Inleiding

We weten niet hoeveel tijd er gelegen heeft tussen de verzen 23 en 24. Toen Benhadad besloot om tegen Israël ten strijde te trekken, was het met een compleet leger en niet met een kleine groep rebellen. De hoofdstad Samaria werd zolang belegerd dat er geen voedsel meer te verkrijgen was; het meest slechte voedsel werd verhoogd aan exorbitante prijzen, een ezelskop kostte tachtig zilverstukken en een vierde maat duivenmest vijf zilverstukken (vs.25). Hoe dan ook, de uitgehongerde bevolking at voedsel dat een dier zou hebben geweigerd. Sommige mensen gingen zelfs over tot kannibalisme. Koning Jehoram (of: Joram) gaf van al die ellende Elisa de schuld aan Elisa, zoals zijn vader dat eerder had gedaan met Elia (vgl. 6:31 met 1Kon.18:17). De koning stuurde een boodschapper, waarvan Elisa wist dat hij zou komen, om een vreemde voorzegging van de man Gods te ontvangen: ‘Hoort het woord des Heren. Zo zegt de Here: Morgen omtrent deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten, en twee maten gerst een sikkel, bij de poort van Samaria’ (2Kon.7:1). De hoofdman van de koning toonde zijn ongeloof en Elisa profeteerde zijn oordeel (7:17-20).

Welke wapens gebruikte God om de Syrische troepen te verslaan? Een geluid en vier melaatsen! De gedachte dat een huurleger tegen hen aan op komst was, deed de Syriërs, vluchten, ze lieten hun buit en voedsel achter in het legerkamp. De vier melaatsen vonden het beter te eten als gevangenen dan te sterven in vrijheid. Vers 9 kunnen we heel goed gebruiken als een evangelisatietekst maar ook als zendingsopdracht! We mogen daar ook vandaag de dag wel aandacht aan schenken! Toen de omsingelde bevolking van Samaria het goede nieuws hoorden, renden ze naar buiten, waarbij ze de hoofdman vertrappelden. Hij had het goede nieuws gehoord, maar hij stierf voordat hij ervan kon genieten. Wat een geweldige waarschuwing voor hen die hun bekering maar steeds uitstellen!

De koning van Aram

Het moest de inwoners van Samaria niet verwonderd hebben dat Benhadad de koning van Aram de stad had omsingeld, als ze maar op de hoogte waren geweest van de reden en de bedoeling ervan die God ermee had. We lezen in Deuteronomium 23 over de zegen en de vloek en de daarbij behorende gevolgen. Het volk was van ver van God en de zonde tierde welig. We hoeven maar te denken wat de vader van koning Joram had gedaan, hoe hij de Here had gekrenkt (1Kon.16:29-33). Om maar te zwijgen over zijn moeder Izebel! ‘Indien gij dan aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God, en al zijn geboden, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zal de Here, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde. De volgende zegeningen zullen alle over u komen en uw deel worden, indien gij luistert naar de stem van de Here, uw God’ (Deut.281-2). ‘Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen: Vervloekt zult gij zijn in de stad en vervloekt op het veld’ (Deut.28:15v.). De reden dat God de profeten Elia en Elisa zond was omdat Hij het volk terug wilde brengen tot de dienst aan Hem. Maar zullen opmerken hoe verder we in de boeken koningen en Kroniek komen dat het tegen deel het geval was. Aan het einde van 2 Kronieken lezen we: ‘De Here, de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, Maar zij bespotten de boden Gods, verachtten zijn woorden en hoonden zijn profeten, totdat de gramschap des Heren zich zozeer tegen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was’ (2Kron.36:15-16).

De vrouwen van Samaria

Kannibalisme, is wat we vinden in de stad Samaria, als gevolg van de hongersnood die ontstaan was door de omsingeling van Samaria. De koning van Israël die om raad gevraagd werd, moest een oplossing schuldig blijven, zoals ook in het geval van Naäman de melaatse (2Kon.5:7). Trouwens de koning werd niet gevraagd om te voorzien in voedsel, maar om te bemiddelen in de kwestie die de twee vrouwen voerden over het eten van hun beider zonen! Dit toont wel hoe ver de koning en het volk van God waren afgedwaald, wat ook al voorzegt was! Als ze God zouden verlaten ‘Zal het u in het nauw brengen in al uw steden, totdat de hoge, versterkte muren vallen, waarop gij in uw gehele land vertrouwdet; ja, het zal u in het nauw brengen in al uw steden, in geheel het land dat de Here, uw God, u geven zal. In de benardheid en benauwdheid, waarmede uw vijand u kwellen zal, zult gij de vrucht van uw eigen schoot eten, het vlees van de zonen en dochters, die de Here, uw God, u geven zal’ (Deut.28:52vv.). Een verschrikkelijke profetie, maar dat leidde er niet toe dat men zich tot de Here bekeerde, integendeel. De koning gaf de schuld van de hele situatie waarin Samaria geraakt was, aan God. De koning zei: ‘En hij zeide: Zo moge God mij doen, ja nog erger, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem blijft staan’ (2Kon.7:31). Geen spoor van berouw en toch zou God nog in genade met Samaria handelen.

De profeet Elisa

Zolang God profeten zond was er nog een verandering mogelijk, Elisa zijn dienst was nog niet volbracht. De dienst van de profeet bestond daarin om het hart van het volk terug te voeren tot God. (Vgl. Mal.4:6). God sprak door zijn knechten de profeten (2Kon.21:10), vandaar de uitdrukken die we zo vaak tegenkomen wanneer ze spreken: ‘Hoort het woord des Heren’ (7:1). Het was niet altijd een prettige boodschap die de profeten moesten brengen, vaak was het ook een aankondiging van tuchtiging en oordeel. En ook werd er niet altijd naar geluisterd, zoals naar het Woord des Heren gesproken door de profeet Jeremia.  ‘Wat het woord betreft, dat gij tot ons in de naam des Heren gesproken hebt, wij zullen niet naar u luisteren (Jer.44:15vv.). Elisa was op de hoogte van de plannen van de koning om hem te doden. (Vgl.2Kon.6:12). ‘Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten’ (Am.3:7; vgl.Deut.29:29). En wat was de raad van de Here die Elisa mocht doorgeven? ‘Zo zegt de Here: Morgen omtrent deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten, en twee maten gerst een sikkel, bij de poort van Samaria’ (7:1).

Dat was me nogal een ‘blijde boodschap’, maar ook dat bracht geen verandering in de houding, van de hoofdman op wiens arm de koning leunde. Hij antwoordde Elisa: ‘Ook al zou de Here sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen geschieden?’, waarop Elisa repliceerde: ‘Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch daarvan niet eten’. En zo gebeurde; ‘het geschiedde naar uw geloof!’

De vier melaatse mannen

Het beeld verplaatst zich naar vier melaatse manen, die uitgestoten buiten de poort van Samaria verbleven, zonder hoop op redding of hulp, aan zichzelf overgelaten. Daarom waren ze ook niet op de hoogte van de profetie van Elisa, waar ze zelf deel van gingen uitmaken diezelfde nacht. Hun aandeel daarin was heel bijzonder, want juist door hun hopeloze positie, werden ze gedrongen om over te lopen naar de vijand, ze zagen geen andere uitweg. Zo kwamen ze in het kamp van de Arameeërs en ontdekten dat het verlaten was. ‘Want de Here had het leger der Arameeërs een geluid doen horen van wagens en paarden, het geluid van een grote legermacht. Daarom waren zij opgesprongen en in de avondschemering gevlucht en hadden hun tenten achtergelaten, ook hun paarden, hun ezels, de hele legerplaats zoals die was; zij waren gevlucht om hun leven te redden’ (7:6-7). De vier melaatse mannen deden zich tegoed aan het voedsel dat ze vonden en namen van de buit. Maar geleidelijk aan gingen hun gedachten uit naar de inwoners van de stad en de mogelijke straf die hun te wachten stond. Want wanneer de inwoners de volgende morgen zouden zien dat de vijand gevlucht was en dat de melaatsen hun niets gezegd zouden hebben zou hun dat zeer worden kwalijk genomen. Dus zij tot elkaar: ‘Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden’ (7:9). Door dat te doen werd de stad gered. Hierin ligt een duidelijke boodschap voor ons om ons ook niet te stil te houden, maar daar waar er het mogelijk is de blijde boodschap, het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. De vijand is verslagen op het kruis van Golgotha, de deuren van de ‘gevangenis’ zijn open en de ‘gevangenen’ kunnen vluchten, maar dat moeten ze dan wel weten. ‘Wee mij, zegt de apostel Paulus als ik het evangelie niet verkondig! Hij was van de noodzaak van de verkondiging overtuigd (1Kor.9:16), want ‘hoe zullen zij geloven in Hem van Wie zij niet gehoord hebben? (Rom.10:14).

De ongelovige hoofdman

Zoals alles in het Oude Testament voor onze lering en tot waarschuwing geschreven is (1Kor.10:11; Rom.14:4) geldt dat ook voor dit gedeelte. Toen Elisa de profetie had uitgesproken had de hoofdman hem, de man Gods, geantwoord: ‘Ook al zou de Here sluizen in de hemel maken, zou dan zoiets kunnen geschieden? Maar Elisa had hem geantwoord: ‘Zie, gij zult het met eigen ogen aanschouwen, doch daarvan niet eten’ (2Kon.7:19-20). De hoofdman spotte met het woord dat Elisa gesproken had en geloofde niet dat God bij machte was om in zo korte tijd Samaria van voedsel te voorzien. De hoofdman ‘heeft de liefde tot de waarheid niet aangenomen om behouden te worden (2Thes.2:10) en hij werd de volgende morgen door het volk aan de poort vertrapt en stierf. Ook in onze tijd zijn veel mensen ongehoorzaam aan het evangelie van de Heer Jezus omdat ze Gods Woord niet geloven. En zoals we om ons heen kijken zien we ook vandaag spotters, waarop de apostel Petrus onze aandacht vestigt. ‘Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen en zeggen: Waar is de belofte van zijn komst? (2Petr.3:3-4). De Bijbel is eer duidelijk over wat er gaan gebeuren met hen die het aanbod van genade verwerpen ‘zij zullen als straf lijden het eeuwig verderf, verwijderd van het aangezicht van de Heer’ (1Thes.1:8-9). Ja, God is een God van liefde, en ‘de liefde van God is ten aanzien van ons geopenbaard, doordat Hij zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem’ (1Joh.4:9). De dag van genade op grond waarvan God nu met de mens handelt loopt ten einde, en de dag van oordeel staat voor de deur, en ‘vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God’ (Heb.10:31). Wanneer de hoofdman Elisa’s woorden serieus had genomen dan was hij gered geworden, evenals de melaatsen en de inwoners van Samaria, hij had zijn lot in eigen handen, maar helaas verwierp hij Gods woord. Een ernstige zaak!

__________________________________________________________