'In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde'
Toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem.
Voordat we kunnen beginnen met praktische uitleg en toepassing van de gelijkenis van de tien maagden, is het nuttig én nodig eerst een aantal onderwerpen kort te bespreken. Om te beginnen kunnen we vijf eschatologische gelijkenissen in het evangelie naar Mattheüs onderscheiden, dat kunnen we aan bepaalde uitdrukking opmerken: (1) In de gelijkenis van de dolik is sprake van de “oogst” (Mat.13:24-30). (2) In de gelijkenis van het sleepnet is er sprake van de “voleinding van de eeuw” (Mat.13:47-50). (3) In de gelijkenis van de twee slaven is er sprake van “als hij komt” en “mijn heer blijft uit” (Mat.24:45-51). (4) In de gelijkenis van de tien maagden is er sprake van “Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet” (Mat.25:1-13) en (5) En tenslotte in de gelijkenis van de talenten is er sprake van “na lange tijd nu kwam de heer van de slaven” (Mat.25:14-30). Eschatologisch, omdat deze gelijkenissen allemaal heenwijzen naar de voleinding en de komst van de Heer Jezus.
Tenslotte nog een paar aandachtpunten bij het behandelen van gelijkenissen: (1) Bestudeer elke gelijkenis in zijn context. (2) Zoek de hoofdwaarheid die de gelijkenis leert. (3) Probeer de gelijkenis niet te laten ‘buikspreken’, vergeestelijken zoals Origenes. (4) De gelijkenissen illustreren een bijbelse leer, ze verklaren ze niet. (5) Vraag God voor geestelijk inzicht.
Inleiding
Dat een gelijkenis ergens toe dient is duidelijk, maar je vraagt je wel eens af: ‘Wat zouden de discipelen op dat moment ervan begrepen hebben?’ Ik denk dat ze er toen weinig of niets van hebben begrepen. Er zijn daarvoor een aantal redenen te noemen. Ten eerste lezen we in het evangelie naar Lukas dat Jezus na zijn opstanding de discipelen hun verstand opende, opdat zij de Schriften (het Oude Testament) konden verstaan (Luk.24:45). Ten tweede is de Heer Jezus ná zijn opstanding en vóór de hemelvaart, veertig dagen door hen gezien en met hen gesproken over de dingen van het koninkrijk van God (Hand.1:3). Ten derde waren ook toen nog veel zaken niet onthuld die later door de apostel Paulus zijn bekend gemaakt. Paulus spreekt over geheimenissen of verborgenheden die van alle eeuwen en geslachten verborgen waren geweest, maar die door hem geopenbaard waren aan de heiligen (Kol.1:26; 1Kor.15:51; Rom.16:25-27; Ef.5:32). Ten vierde was de Heilige Geest nog niet uitgestort, de Geest die hen in de hele waarheid zou leiden en de toekomstige dingen zou verkondigen (Joh.14:26; 16:13-14). Ten vijfde was de Bijbel, zoals wij die nu kennen niet beschikbaar.
“De apostel Paulus liet weten: “Ik ben een dienaar geworden ben overeenkomstig het rentmeesterschap van God dat mij gegeven is voor u, om het Woord van God te voleindigen.” (Kol.1:25) Wij mogen ons dan ook gelukkig prijzen dat wij de volledig geopenbaarde waarheid in de Bijbel, Gods Woord, mogen bezitten. Maak er gebruik van!
Uitstel, geen afstel!
Zoals eerder gezegd wordt in de vijf eschatologische gelijkenissen onze aandacht gericht op de komst van Christus. Lag die komst in de eerste gelijkenis nog in een verre toekomst, in de gelijkenis van de goede en boze slaaf horen we: ‘Mijn heer blijft uit’ maar hier, in de gelijkenis van de tien maagden lezen we: ‘Toen nu de bruidegom uitbleef…’ (25:5), zoals ook elders in de Schrift daarop onze aandacht wordt gevestigd. “Een man van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.” (Luk.19:11-13) Het vermeende “uitblijven” van Jezus’ wederkomst betekende niet dat Gods raad voltooid was en dat de Heer Jezus kort ná zijn hemelvaart onmiddellijk weer zou kunnen terugkeren. Neen, de oudtestamentische profetieën over Israël moesten immers nog vervuld worden. Van het Joodse volk was gezegd dat ze in ballingschap zouden gaan onder alle volken en terugkeren naar het land van hun vaderen wanneer de tijden van de volken ten einde waren gekomen (Luk.21:24). Hij die gezegd heeft “Zie, Ik kom spoedig” (Op.22:7, 12, 20) heeft ook gezegd: “Na lange tijd kwam de heer van die slaven.” (Mat.24:19) De apostel Petrus spreekt van spotters die zouden komen die de draak staken met het uitblijven van Jezus’ wederkomst. “Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst?” (2Petr.3:3-4)
Koninkrijk der hemelen
Deze gelijkenis begint met de woorden: “Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn geworden aan tien maagden die hun lampen namen en uitgingen de bruidegom tegemoet” De vraag die we ons moeten stellen is: ‘Wat is ‘het koninkrijk der hemelen’? De vermelding “het koninkrijk der hemelen” wordt alleen in het evangelie naar Mattheüs gevonden, en algemeen wordt aanvaard dat het de (tijdelijke) verborgen vorm van het koninkrijk van God is. In het Oude Testament wordt alleen maar gesproken over een toekomstig messiaans rijk dat haar begin zal kennen wanneer de Messias komt. Nu is het de tijd dat de, door Israël verworpen, Koning “buitenlands” is (Mat.21:33; 25:15). In Lukas 19:12 is sprake van “…reisde naar een ver land”. Christus is “verborgen” en zit aan Gods rechterhand, daarom is ook zijn regeren over het koninkrijk “verborgen” en eveneens “verborgen” is het koninkrijk in deze wereld zoals dat wordt voorgesteld in de gelijkenissen van de schat in de akker en de parel van grote waarde (Mat.13:44, 46).
Oorzaken
“Dan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn geworden aan tien maagden die hun lampen namen en uitgingen de bruidegom tegemoet.” (25:1)
Het eerste begin van de Gemeente werd gekenmerkt door een sterke verwachting in de komst van de Heer (bv. 1Thes.5:15; Rom.13:11), maar langzamerhand doofde die verwachting uit, niet in het minst door de veranderingen die in het Romeinse rijk plaatsvonden, in het bijzonder met de komst van Constantijn de Grote (313 na Chr.) en zijn acceptatie van het Christendom. In 380 werd het Christendom verheven tot staatsgodsdienst! In die tijd veranderde namelijk de visie op Israël en de kerk, zodat er van een toekomstig herstel van Israël en een spoedige verwachting van de komst van de Heer Jezus geen sprake meer was. Dat was het gevolg van de zgn. vervangingsleer, de leer die beweert dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen. Maar de Bijbel leert ons een toekomstig herstel van Israël en de terugkeer van Christus daaraan voorafgaand. De komst van de bruidegom bleef wel uit maar ‘te middernacht’ klonk een geroep: “Zie, de bruidegom. Gaat uit hem tegemoet!” (Mat.25:6) Wanneer heeft dat ‘geroep’ plaatsgevonden en was het middernacht? Aan het einde van de achttiende eeuw en vooral vanaf het midden van de negentiende eeuw ging men weer aandacht aan de profetieën geven en kwamen genoemde onderwerpen weer op de agenda. Het ontstaan van de staat Israël in 1948 en de inname van Oost-Jeruzalem in 1967 versterkte de gedachte aan een spoedige komst van Christus. Dat wil dus zeggen dat er zo’n 1500 jaar voorbij was gegaan voordat de verwachting van Jezus’ wederkomst weer gevonden en verkondigd werd. De zogenaamde ‘vervangingstheologie’ is echter nog nooit door de RK-kerk of de Protestantse kerken herroepen en leven ze dus wat het profetische woord betreft nog steeds in duisternis.
Praktische toepassing
“Vijf van hen nu waren dwaas en vijf wijs. Want de dwaze namen hun lampen, maar namen geen olie met zich mee; de wijze echter namen olie in hun kruiken, met hun lampen” (25:2-4)
Het woordje “Dan” waarmee de gelijkenis van de tien maagden begint, sluit aan bij de gelijkenis van de goede en de boze slaaf waar sprake is van de komst van de Heer. De gelijkenis is als het ware een illustratie van de gelijkenis van de goede en boze slaaf, waar geen verwachting van komst van de Heer Jezus te bespeuren is.
“Toen nu de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in.” (25:6)
We hebben vastgesteld dat de wederkomst van de Heer pas na lange tijd zou plaatsvinden. De wijze maagden hadden zich daarop voorbereid, wat mag blijken uit het gegeven dat ze met hun lampen ook een voorraad olie bij zich hadden, maar de dwaze maagden niet. Maar ondanks dat, vielen alle tien maagden in slaap, ook de wijze (vs.5). Maar dan komt na lange tijd, “te middernacht” een geroep: “Zie, de bruidegom! Gaat uit, hem tegemoet! De bruid van Christus diende zich klaar te maken voor een nabije ontmoeting! We mogen er dus vanuit gaan dat de gelijkenis de aangekondigde gebeurtenissen plaatst in de eindtijd. Het is nog niet de komst c.q. de bruiloft, maar de aanloop er naartoe. Wanneer is die roep om zich klaar te maken, uitgegaan? De periode dat de interesse voor het profetisch woord in de Christelijke kerk weer opkwam, na eeuwen van geestelijke duisternis, kunnen we situeren in het midden van de negentiende eeuw. We hoeven maar te denken aan John Nelson Darby die aan de basis lag van het herontdekken van de eschatologie, de leer van de laatste dingen. Hij en veel anderen wakkerden de verwachting en het uitzien naar de wederkomst van de Heer Jezus weer aan. Grote opwekkingen vonden plaats in o.a. de Verenigde Staten en Wales, om maar twee bekende landen te noemen. We denken daarnaast maar aan predikers als John en Georg Wesley, Charles Spurgeon, George Whitefield. En laten we niet Fanny Crosby vergeten, een gelovige blinde vrouw, die zo’ achtduizend liederen op haar naam heeft staan, waarvan velen wereldwijd nog steeds worden gezongen. Daarmee gepaard gaande, of volgende op die prediking vond er ook een hernieuwde belangstelling voor het werk van de Heilige Geest plaats. In het begin van de twintigste eeuw ontstonden de zgn. Pinkstergemeenten’.
“Toen stonden al die maagden op en brachten hun lampen in orde.” (25:7)
Helaas, niet alleen de wijze maagden stonden op, ook de dwazen brachten hun lampen in orde! Want wat gebeurde er nog meer in die negentiende eeuw? Twee van de meest bekende sekten hebben hun bestaan min of meer te danken aan de hernieuwde belangstelling voor de wederkomst van Christus. We noemen de Mormonen (1830) en de Getuigen van Jehovah (1881). De beweging van de Mormonen ontstond in een periode van sterke religieuze oplevingen in Amerika, vaak aangeduid als de Second Great Awakening. Een belangrijk verschil met de pinksterbeweging die ik hiervoor noemde, is dat de mormoonse beweging ongeveer 75 jaar eerder ontstond: rond 1830, terwijl de moderne pinksterbeweging rond 1901–1906 opkwam. Begin negentiende eeuw ontstond in Amerika, als gevolg van een sterke verwachting van de wederkomst van Jezus Christus, de Zevende-dagadventisten. Maar dat was niet alles, al zo’n honderd jaar daarvoor was, was als gevolg van de Verlichting, de vrijzinnigheid in de theologie ontstaan; de zgn. wetenschap ging heersen over het geloof! De verlichting ontstond zo tussen 1650-1700 en had grote gevolgen voor de theologie. Verlichtingsdenkers vroegen zich af of wonderen en bovennatuurlijke gebeurtenissen wel letterlijk konden worden geloofd. De Bijbel werd daarom steeds vaker historisch en kritisch onderzocht. Het uitgangspunt werd dat geloof en Bijbel niet noodzakelijk letterlijk of op dezelfde manier als vroeger moeten worden opgevat. De christelijk kerk werd danig op de proef gesteld en de nefaste gevolgen zijn tot op vandaag in de kerken terug te vinden.
“De dwaze nu zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. De wijze antwoordden echter en zeiden: Nee, opdat er niet misschien voor ons en voor u helemaal niet genoeg is; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf.” (25:8-9)
De olie voor de lampen doet ons denken aan de speciale olie voor de lampen in de tabernakel (Ex.27:20-21). Olie is meestal een beeld van de Heilige Geest maar hier zou het ook wel eens kunnen gaan om het licht dat het Woord van God geeft (Ps.119:105). Heeft de Heer Jezus Zelf niet gezegd dat de Geest een grote rol zou spelen in de verkondiging van de toekomstige dingen? “Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.” (Joh.16:13) Het profetische woord ging open, in het bijzonder de boeken Daniël en de Openbaring van Johannes. In het Nieuwe Testament zien we dat olie ook een beeld kan zijn van de zalving met Gods Geest van de gelovige (Hand.10:38; 2Kor.1:21-22; 1Joh.2:20,27). De olie van de dwaze maagden raakte op en de wijze maagden waren niet bij machte in dat gebrek te voorzien. Ze worden verwezen naar de ‘verkopers’ om daar zelf in te voorzien, maar ze zijn te laat! De bruidegom was al gearriveerd terwijl de dwaze maagden nog onderweg waren om olie te kopen.
“Toen zij echter weggingen om te kopen, kwam de bruidegom; en zij die gereed waren, gingen met hem naar binnen naar de bruiloft, en de deur werd gesloten. Daarna echter kwamen ook de overige maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons open! Hij echter antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik ken u niet.” (25:10-12)
Toen dan de bruidegom kwam, gingen zij die gereed waren met hem de bruiloftszaal binnen (Mat.25:10). In de dwaze maagden moeten we dan ook geen zwakke christenen zien maar naambelijders. Dat blijkt wel wanneer de Heer zegt: ‘Ik ken u niet!’ Wij, als gelovigen levend in de laatste dagen, worden opgeroepen onberispelijk en onbesmet te zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder wij dienen te schijnen als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende, mij ten roem tegen de dag van Christus’ (Fil.2:15-16).
“Waakt dan, want u kent de dag of het uur niet.” (25:13)
Jezus eindigt deze gelijkenis met de oproep ‘Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur’ (Mat.25:13; 24:42). Dat betekent niet dat we naar boven moeten staren en inactief zijn, maar zoals Lukas het in zijn evangelie beschrijft: “Laten uw lendenen omgord zijn en uw lampen brandende. En gij, weest gelijk aan mensen, die op hun heer wachten, wanneer hij van de bruiloft wederkeert, om hem, als hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen. Zalig die slaven, die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen. Voorwaar, Ik zeg u, hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen. En wanneer hij in de tweede of in de derde nachtwake komt en hen zó aantreft, zalig zijn zij.” (Luk.12:35-38)
(Zie ook het artikel Gelijkenis van de tien maagden in de rubriek Gelijkenissen)