Nieuwe Testament – De Zeven Gemeenten – Deel 7 Gemeente te Thyatira – Op.2

De zeven Gemeenten

Deel 7

Thyatira: ‘in de schaduw van onze lieve vrouwe’

Openbaring 2:18-29

Inleiding

Dee periode die de gemeente te Thyatira omvat is zo’n 900 jaar, gerekend vanaf 606 tot 1520. Een periode die enorme veranderingen te vermelden heeft, zowel in- als buiten de kerk. Het is dan ook niet mogelijk om in het kort alles te vermelden, laat staan te beschrijven. Thyatira is profetisch gezien de periode van de spreekwoordelijke duistere middeleeuwen waarin de Rooms Katholieke kerk haar ‘hoogtepunt’ bereikte voor wat betreft de macht die ze zichzelf toe-eigende, maar geestelijk gezien haar dieptepunt. Door het ingrijpen van God, we denken dan aan de Reformatie, kwam een einde aan deze periode. We delen de zeven gemeenten dan ook op in 3 en 4 Gemeenten. De eerste drie gemeenten, Efeze, Smyrna en Pergamum in hun profetische uitleg, bestaan niet meer, de laatste vier, Thyatira (RK-kerk), Sardis (Protestantisme), Filadelfia (Evangelische beweging) en Laodicéa (het afvallig christendom) blijven naast elkaar bestaan tot de komst van Christus.

Bijzondere kenmerken

Izebel

Zij treedt op als profetes, dus als woordvoerster, zegsvrouwe van de hoogste vrouwelijke macht in de hemelse regionen, namelijk de koningin des hemels. Zij is symbool voor de goddeloosheid, maar laat zich als heilige, onbevlekte maagd (dat is de betekenis van haar naam) vereren. In het Oude Testament was zij de dochter van Ethbaäl, de priester-koning van Tyrus, de koning der Sidoniërs, zie ook Ezechiël 28. Haar afkomst wordt beschreven in 1Kon.16:29-33 (zij is de vrouw van koning Achab, die Israël tot geestelijk overspel brengt door haar toverkunsten (zie ook 2Kon.9:22). Haar smadelijk einde is beschreven in 2 Kon. 9:30-37, waar haar laatste poging om een koning te versieren mislukt en zij uit het raam te pletter valt om door de honden te worden verslonden. Deze vrouw komt ook voor aan het einde van Openbaring. In hoofdstuk 17 lezen wij van haar triomfen en van haar ondergang. Het is waarschijnlijk dat de Here Jezus in zijn brief aan de gemeente te Thyatira deze naam symbolisch heeft gebruikt, om deze profetes van Thya aan te duiden. Zeker is dat hier een verdere ontwikkeling wordt getekend, waarbij de kerkelijke hiërarchie wordt gekroond met de ‘onbevlekte koningin des hemels’, de ‘moeder der Kerk’ die het purper (symbool van kerkelijke en koninklijke macht) uitreikt aan wie zij wil. Er is dus een duidelijke progressie van Pergamum (verbond met de wereld en met de aardse koning) en Thyatira (verbond met de koningin des hemels) bij wier gratie de kerkvorsten regeren.

Enkele kenmerken van de vrouw Izebel zijn:

– Hoererij; echter niet zozeer in de vleselijke zin zoals Artemis met haar tempelprostitutie, maar in geestelijke zin zoals de vrouw die een zuurdeeg (symbool van het verderf) nam, het deed in drie maten meel (symbool van de zuiverheid in de dienst van God), totdat het geheel doorzuurd was (Mat.13:33).

– Toverij; zij slaagt erin om de eredienst aan God te veranderen van de redelijke eredienst in eenvoud des harten tot een stelsel waarin mannen gelokt worden met purper en waar geestelijke waarden (aanbidding in geest en waarheid) worden omgetoverd tot liturgische pracht en praal.

– Bloeddorst; zij is erop gericht om alle waarachtige godsdienaars uit te roeien, omdat zij, als aller lieve vrouwe de absolute alleenheerschappij opeist en geen andersdenkende ketters naast zich kan verdragen.

De werken

Dit is een thema dat menigmaal voorkomt in deze korte brief. Zoals de Christen-joden steeds de neiging hadden om terug te vallen op de Wet als grond voor rechtvaardiging en middel tot heiliging, zo wordt in Thyatira de nadruk gelegd op ‘uw werken’. Niet alleen wordt hier gedoeld op werken der barmhartigheid, zoals bijvoorbeeld Cornelius die deed (Hand.10:2, 22). Maar deze werken ontwikkelen zich (uw laatste werken zijn meer dan uw eerste) tot het onderhouden van tal van religieuze riten die in de plaats waren gekomen van de waarachtige eenvoud van het geloof, namelijk de werken van de Zoon des mensen, vs. 26, zie ook Joh. 6:28-29.

Historisch

Thyatíra (= geur van ellende), ook geschreven Tyatira, was een voorname stad in het noorden van het Klein-Aziatisch gewest Lydië. Lydia de purperverkoopster was afkomstig van Thyatira. Zij kwam door de prediking van Paulus tot geloof. Thyatira lag aan de rivier de Lycus, in het Lycusdal, aan de weg van Pergamus naar Sardis, 60 km zuidoostelijk van Pergamus. De stad was een kolonie van Grieken uit Macedonië. In 133 v.C. kwam zij samen met Pergamus onder Romeins gezag. Daar kwam Lydia de purperverkoopster vandaan (Hand.16) en daar ontstond een christengemeente (Op.2). De Griekse naam Thyateira betekent ‘geur van ellende’. De plaatsnaam wordt 4x in het Nieuwe Testament genoemd. Thyatira was oudtijds een belangrijke handels- en industriestad. De materieel welvarende inwoners leefden dan ook vooral van handel en industrie, o.a. het verven van purper, de verwerking van koper en de vervaardiging van aardewerk en textiel. Om haar losheid van zeden stond zij echter in een kwaad gerucht. De stad Thyatira ligt meer in het binnenland, in het dal van de Lycus, ongeveer tussen Pergamum en Sardes in. Zij kreeg haar naam door haar gilde van wevers en ververs van wollen en linnen stoffen, en door haar leder- en metaalbewerkers. Zij was beroemd vanwege het vervaardigen van purperverf. De naam ‘Thyatira’ is een samenstelling van Thya en tira, wat betekent de stad van Thya, de beschermvrouwe der stad. Zoals een afgod wordt gediend door zijn priesters, zo wordt de godin gediend door haar profetes, in dit geval de vrouw Izebel. In de stad ontstond een gemeente van de Heer Jezus Christus. In opdracht van de Heer schreef de apostel Johannes een korte brief aan deze gemeente (Op.2:18-29).

Contemporain(hedendaags)

Na de val van het West-Romeinse rijk (476) snelle opkomst van het pausdom, vooral sinds Gregorius de Grote (590-604), en van een christelijk Germaans rijk, vooral sinds Karel de Grote (768-814; vanaf 800 keizer). Heftige machtsstrijd tussen keizer en paus (investituurstrijd), waarin de paus in de dertiende eeuw zegeviert (Innocentius III, Bonifatius VIII). In de veertiende en vijftiende eeuw achteruitgang en tenslotte afschuwelijk moreel verval van het pausdom. Een getrouw overblijfsel vinden we in personen als Franciscus van Assisi, John Wycliffe en Johannes Hus, en bewegingen als de Waldenzen en Albigenzen, de Boheemse broeders en de Broeders des Gemenen Levens.

In 606 werd Bonifatius tot universeel bisschop gekroond. Vanaf toen deed de traditie haar intrede, dat boven de Schrift werd geacht. Ook de instelling ‘Offer van de mis’ en beelden (Helena moeder van Constantijn) en relikwieën deden hun intrede. De Heer Jezus werd voorgesteld als een klein kindje, engelen als zoete engeltjes en Maria als de moeder van God en tenslotte God als een soort hemelse Sinterklaas.

Profetisch

Thyatira is die periode dat profetisch voorgesteld wordt in de kerkgeschiedenis is de middeleeuwse kerk. De tijd waarin ‘Izebel’ heet voor heet zeggen had en de Roomse kerk tot volle ontplooiing kwam. Niet het evangelie werd verspreid, maar het Christendom en dat volgens de leer van Rooms Katholieke kerk! Verspreiding van het christendom d.m.v. onderwerping, geen evangelisatie! We zien dat bij de ‘bekering’ van Clovis in 450, die op zijn beurt de Goten, Helvetiërs en Bourgondiërs onderwierp en het tot onderdeel maakte van het Roomse Heilig Rijk. Hetzelfde gebeurde in het jaar 800, het jaar waarin Karel de Grote tot Rooms keizer werd gekroond. Onderwerping van Saksen door Widukind.

De theologische vraagstukken in die lange periode van zo’n 900 jaar waren het tot stand komen van het pausdom dat de absolute macht naar zich toe trok en over koningen heerste. Dat mondde uit in de Investituurstrijd. De Mariaverering bereikte haar hoogtepunt: zij leert en misleidt (Op.2:20).

De grootste theoloog was Tomas van Aquino, die tot de conclusie kwam ‘dat als aan Christus alle macht in hemel en op aarde gegeven was, dat hetzelfde ook voor de Paus gold, als Christus plaatsbekleder. Ook keurde Tomas het gebruik van aflaten goed, dat tot grote misbruiken leidde en een aanleiding en oorzaak waren van het ontstaan van de Reformatie, waarin Luther een grote rol spelde. In de periode dat Paus Bonifatius VII heerste ontstond het dogma van de onderwerping aan de paus. Een groot kwaad was de Inquisitie vanaf 1348 onder Karel IV door wie er een grote kettervervolging op gang werd gebracht.

Ook nog te noemen zijn de kruistochten die ondernomen werden en ‘omdat God het wil’ gingen veel christenen richting Jeruzalem en voerde er oorlog om de stad te bevrijden. Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Christendom. De periode van Thyatira is er een van de ‘duistere middeleeuwen’, een dieptepunt van het Christendom. Een periode die een rechtgeaarde gelovige zo gauw mogelijk zou willen vergeten. Maar we kunnen de geschiedenis niet veranderen, de geschiedenis kan ons persoonlijk wel veranderen om ons te behoeden niet nog eens dezelfde zonden te begaan.

Praktisch

Wat is de boodschap voor ons vandaag? Om bruikbaar voor de Meester te zijn is afscheiding onvermijdelijk. Dit wordt ons duidelijk gemaakt door hetgeen Paulus aan zijn geestelijk kind Timotheüs schrijft: ‘In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommigen wel tot eer, maar andere tot oneer. Als dan iemand zich van deze vaten reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid’ (2Tim.2:20-21). Daarom de oproep je te onttrekken aan ongerechtigheid (2Tm.2:19). De Heer Jezus, hoewel Hij omging met zondaars en tollenaars, was innerlijk gescheiden van de zondaars (Heb.7:26). De oproep in het boek Openbaring mag ons niet onberoerd laten: ‘Gaat uit van haar, mijn volk, opdat u van haar plagen niet ontvangt’ (18:4). Afscheiden van de wereld en je toewijden aan God is het geheim van een rijk christelijk leven. In de behandeling van de geschiedenis die Thyatira voorstelt zin we dat er wel gelovigen waren die zich toewijden aan werken verbonden met hun christen zijn, maar die niet volledig tot ontplooiing kwamen omdat ze bleven onder en verbonden met de Rooms Katholieke kerk. Een voorbeeld uit het Oude Testament mag dat duidelijk maken: ‘En het overige volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelhorigen en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden om de wet Gods te onderhouden, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie tot de jaren des onderscheids gekomen was’ (Neh.10:28). Het Joodse volk had zich afgescheiden van de andere volken. Dat lezen we ook in Neh.9:2 – ‘De nakomelingen van Israël scheidden zich af van alle vreemdelingen en zij stelden zich op en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden hunner vaderen’

____________________________________________________________________________________________