Inleiding op de kleine Profeten – Bijbel – Oude Testament

18 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbel – Oude Testament

De kleine profeten.

Inleiding

‘Daarom , zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden…’ (Mat.23:34)

Inleiding

De tien stammen worden vaak aangeduid onder de verzamelnaam ‘Israël’ of ook wel ‘Efraïm’. Het koninkrijk van de twee stammen is in de bijbel bekend als ‘Juda’.

Historische volgorde.

Jona

Een tijdsaanduiding komt in het boek Jona niet voor. Zijn naam komt echter voor in 2 Kon.14:25, waaruit kan worden afgeleid, dat hij reeds profeteerde voordat Jerobeam II koning was over de tien stammen, of in elk geval in het begin van diens regering. Het boek is een getuigenis dat, hoewel Jahweh Israël als Zijn volk uitverkoren heeft, Hij Zich het recht voorbehoud als Schepper en Onderhouder van alle mensen ook aan de volken zijn bermhartigheid te bewijzen. De profeet Jona dia als Israëliet wél de bevoorrechte kennis van God bezit, moet leren buigen voor deze macht en genade van God, zelfs als deze genade de Assyrische hoofdstad Ninevé betreft, de grote vijand van Israël. God is ook de God van de volken – een feit dat in het Nieuwe Testament enorme betekenis krijgt!

Amos

Amos profeteerde in het begin ongeveer gelijktijdig met Hosea, n.l. in de dagen van Uzzia en Jerobeam II (Amos 1:1). Het boek kondigt het oordeel aan over verschillende omliggende volken vanwege hun zonden, maar verklaart tevens dat de lankmoedigheid van God evenmin de ongerechtigheid van Israël langer zal verdragen; het oordeel zal komen, zowel over de twee als over de tien stammen, maar een rechtvaardig overblijfsel zal behouden worden en gezegend worden onder de Zoon van David (Christus).

Hosea

Hosea. Het begin van zijn optreden was tijdens de regering van Jerobeam II, koning van Israël, en van Uzzia, koning van Juda (Hosea 1:1). Het boek Hosea vermeldt de verwerping van zowel het koninkrijk Israël als het koninkrijk Juda, waardoor er niet langer een erkend volk van God op aarde zou zijn, maar de deur geopend zou worden voor de heidenen. Israël zou lange tijd alleen blijven zonder koningschap en eredienst, zelfs zonder afgoderij; maar in het laatst der dagen zouden zij Jahweh en ‘David’ (Christus) weer erkennen. Vanaf hoofdstuk 4 vinden we een ernstig beroep op het geweten van Israël, een nieuwe aankondiging van vergelding, maar tenslotte ook een belofte van genade en voorzegging van Israëls bekering en herstel tot de zekere zegeningen van Jahweh. Het slotvers herinnert ons eraan dat het hele boek een prachtige illustratie is van de ‘wegen’ van Jahweh.

Micha

Micha. Deze profeet begon zijn dienst tijdens de regering van Jotham, de zoon van Uzzia, koning van Juda (Micha 1:1).

Het boek beschrijft eveneens het algemeen oordeel over de rijken Juda en Israël vanwege hun zonden, waardoor het land verontreinigd is en geen rustplaats meer vormt voor Gods volk. Gods dreigingen richten zich tot de leiders van het volk, de valse profeten en de stad Jeruzalem, maar ook kondigt de profeet dat de stad in het laatste der dagen in genade hersteld zal worden. Als gevolg van de verwerping van de Messias zal de stad namelijk door de heidenen belegerd worden en het volk zal verstrooid worden tot het eind der tijden. Maar dan zal diezelfde Messias hen bevrijden, hen zegenen en over hen heersen, terwijl alle ongerechtigheid uit het volk zal worden uitgeroeid. Na deze voorzeggingen waarschuwt de profeet het volk opnieuw voor valse godsdienst, zich beklagend over de verdorvenheid van het volk maar tegelijk uitziend naar de vervulling van de vaste beloften van God.

Zefanja

Zefanja profeteerde onder de regering van Josia, dus ongeveer een eeuw later dan toen Micha begon te profeteren (Zefanja 1:1). Dit boek kondigt de voor de deur staande oordelen over het land aan vanwege alle ongerechtigheid, huichelarij en afgoderij; die grote en geduchte ‘dag van Jahweh’ zal ook de volken van rondom treffen. Maar dan onderscheidt de profeet in Jeruzalem een arm en ellendig overblijfsel dat zijn hoop gesteld heeft op Jahweh, roept het op te wachten op Hem en verbindt aan – zoals we steeds weer in de profetieën zien – hun lot met de eindtijd: de gelovigen uit de volken en het geestelijk en nationaal herstel van Israël worden voorzien en God zal rusten in Zijn liefde voor Jeruzalem en het tot een naam stellen onder alle volken.

Haggaï

Haggaï. Deze profeet was de eerste van de drie die profeteerden nadat Juda uit de ballingschap was teruggekeerd. In zijn profetie wordt als enig jaar vermeld: het tweede jaar van koning Darius. Dat was ongeveer 16 jaar nadat de eerste groep joden uit Babel was vertrokken. We kwamen de profeet al tegen als één die het volk aanmoedigde de herbouw te voltooien; hier vinden we zijn woorden. Na de voltooiing verklaart Haggai, dat God met het volk zou zijn met Zijn woord en met Zijn Geest en eenmaal hemel en aarde zou doen beven; dán zouden de heidenen komen tot de Messias en zou de tempel pas met ware heerlijkheid vervuld worden. Zerubbabel was van deze Messias de voorafschaduwing.

Zacharia

Zacharia. Twee maanden later dan Haggaï begon Zacharia te profeteren onder de terugkerende joden (Zach.1:1). Zoals blijkt uit Zach.7:1 heeft hij minstens twee jaar als profeet tot het volk gesproken. Haggaï en Zacharia hebben ook gelijktijdig geprofeteerd (Ezra 5:1).

Het boek bestaat uit twee delen: het eerste deel (1-6) omvat acht verschillende visioenen, waarvan het lot van Jeruzalem het thema is, speelbal als de stad is in de handen van de vier elkaar opvolgende en verdrijvende wereldrijken (voorgesteld als ‘horens’ en als ‘wagens’; 1, 6). Maar ook ziet de profeet het oordeel over deze volken en het herstel van de stad in zijn oude glorie onder de Messias, de ‘Spruit’ (3, 6). Jeruzalem wordt gerechtvaardigd in de persoon van de hogepriester Jozua (3), het herstelde koning- en priesterschap worden voorgesteld als voorafscha-duwing van de Messias, de Koning-Priester (4, 6) en de goddeloosheid en afgoderij veroordeeld (5).

Het tweede deel (7-14) omvat drie godsspraken, en ook hier zijn Jeruzalem en de Messias het onderwerp. Het eerste onderdeel (7, 8) geeft een prachtige beschrijving van Jeruzalems toekomstig herstel onder de Messias, maar het tweede deel (9-11) stelt diezelfde Messias voor in Zijn vernederde staat die Hij heeft bij Zijn eerste komst; na Zijn verwerping wordt Israël overgegeven in handen van een ‘dwaze herder’. De laatste godsspraak (12-14) beschrijft Jeruzalems verlossing bij de tweede komst van Christus, de bekering en de verzoening van de getrouwen en de glorieuze eindtoestand van de stad en haar bewoners.

Maleachi

Maleachi. De beide hiervoor genoemde profeten waren tijdgenoten van Zerubbabel. Maleachi profeteerde waarschijnlijk ten tijde van het optreden van Nehemia, of nog later. Dat kan worden afgeleid uit het feit dat hij het volk waarschuwde tegen dezelfde zonden, waarmee ook Nehemia zich moest bezighouden. Vermoedelijk trad hij ongeveer een eeuw later op als Haggaï en Zacharia.

Het boek toont ons het grote morele verval van het volk na de terugkeer uit Babylon, ondanks Gods verkiezende liefde. De trouweloze offeraars, de onwaardige priesters en het onheilige volk worden scherp terechtgewezen. Dan wordt (in dit laatste boek van het Oude Testament!) de komst van Johannes de Doper (de directe voorloper van Christus) voorzegd en daarna die van de Messias Zelf, die het volk zal ziften door het oordeel, de getrouwen zal sparen en over hen zal opgaan de Zon der Gerechtigheid ter genezing. Het Oude Testament eindigt met de verwijzing naar zijn twee grootste mannen: een oproep om terug te keren tot de wet van Mozes en de aankondiging van de profeet Elia (= Johannes de Doper) om hen te bekeren, opdat het oordeel hen  niet zal treffen.

In de voorgaande opsomming van de klein profeten ontbreken: Joël, Obadja, Nahum en Habakuk. In de Bijbel vinden we onvoldoende, of in het geheel geen aanduidingen waaruit we kunnen opmaken in welke tijd zij hebben geprofeteerd.

Obadja

Obadja. Een profetie tegen het broedervolk Edom, wiens nijd tegen Jeruzalem en grenzeloze haat berucht waren. De profetie breidt zich uit tot álle volken en kondigt de ‘dag van Jahweh’ (de oordeelsdag van de Messias) aan, alsmede verlossing voor Sion (de heilige berg in Jeruzalem).

Joël

Joël. Dit boek voorzegt bij gelegenheid van een hongersnood de verdelging van het leger der Assyriërs en brengt dit ook weer in verbinding met de dag van Jahweh wanneer de vijanden veroordeeld worden, een overblijfsel van Gods volk zal zich bekeren en Gods Geest zal worden uitgestort op de Zijnen. Tenslotte volgt het gericht over alle volken en de zegen voor het volk van God.

Nahum

Nahum. Dit boek brengt de verontwaardiging van God jegens de machten in de wereld tot uitdrukking; ze zullen worden neergeslagen, en hierbij wordt dan vooral aan Ninevé (de Assyriërs) gedacht. Het zal nooit meer hersteld worden, maar Juda zal verlost worden.

Habakuk

Habakuk. Hij geeft ons een heel persoonlijke ervaring weer van de profeet, die gebukt gaat onder de ongerechtigheid van Gods volk. God toont hem hoe Hij die zonden zal straffen: door de Chaldeeën (Babel); maar lijdt de profeet nog meer door zijn liefde voor en deernis met het volk en klaagt hij de Chaldeeën aan vanwege hun zondigheid. Het antwoord van God is dat Hij ook hen zal oordelen en dat de rechtvaardige intussen door geloof moet leven; de dag van Jahweh zal komen en de aarde vervult worden met de kennis van Zijn heerlijkheid. De profeet begrijpt de les: Gods woorden maken hem geestdriftig, hij herinnert zich Gods vroegere uitreddingen en verheugt zich in Jahweh, ook al is er nú van verlossing nog niets te zien.

Hoofdinhoud van de kleine profeten.

  1. Beschrijving van het volledig verval van Israël (de tien stammen) en dezelfde symptomen die bij Juda (de twee stammen reeds gezien werden).

Over dit onderwerp profeteerden Hosea, Amos en Micha. Zij kondigden het oordeel aan over het gehele volk, al zou het oordeel over Juda een tijd worden uitgesteld. Daarnaast ontwikkelden zij, min of meer uitvoerig, hoe God tenslotte in genade met het volk zal handelen; Hij zal dan een keer brengen in hun lot, nadat de gerichten voorbij zijn.

  1. Aankondiging van het oordeel over de volken.

Daarmee hebben Obadja en Nahum zich bezig gehouden. In het boek Jona vinden we dezelfde lijn, voorgesteld in de geschiedenis van Ninevé, beeld van de wereld in haar natuurlijke grootheid, vol hoogmoed en ongerechtigheid.

  1. De gerichten op de dag des Heren over Juda en Jeruzalem, en openbaring van Gods genade.

Dit was het hoofdthema van Zefanja, uitgesproken in een tijd, waarin Juda onder de godvrezende koning Josia tijdelijk, in zeker opzicht, tot de dienst van God terugkeerde. Het doel dat God had met het oordeel dat Hij zou uitoefenen, wordt aangekondigd en ook de motieven die dat oordeel noodzakelijk maakten.

  1. Verwoesting van het land in de laatste dagen door de noordelijke legers.

Hierover, en over het oordeel over de volken, gevolgd door de zegeningen voor Israêl en alle mensen, sprak de profeet Joël.

  1. Tuchtiging van het volk van God door een man aan wie God voor dit doel macht zal geven.

Hierover sprak Habakuk. Hij werd daardoor zelf geoefend om te begrijpen dat God deze verdrukkin g moest toelaten om het kwaad te straffen. De hoogmoed van de mens moest een hoogtepunt bereiken, om door het oordeel daaraan voor altijd een eind te maken.

  1. Aansporing en opbouw van de tempel en beloofde zegening in verbinding daarmee.

Dit was het onderwerp van Haggaï, die aan het slot van zijn profetie sprak over het herstel van het koningschap onder Christus, van wie Zerubbabel een type was.

  1. Vernietiging van de vijanden van Gods volk door het oordeel van God; de heerlijkheid die het volk deelachtig zal worden na hun verlossing.

Hierover heeft Zacharia in zijn profetie gesproken, waarbij Jeruzalem een centrale plaats innam. Hij toonde aan dat God zal handelen met allen volken, omdat Jeruzalem het middelpunt is waarop al Gods plannen zich concentreren. Jeruzalem dat gekenmerkt zal worden door de aanwezigheid van de Messias.

  1. De toestand en het lot van het volk in verbinding met de laatste dagen.

Dat is de hoofdinhoud van Maleachi, die in zijn dagen getuigde tegen de ontrouw van de joden, die teruggekeerd waren uit gevangenschap. Door het oordeel in de laatste dagen zou het overblijfsel van het volk afgezonderd worden van de goddelozen, waarvan zij omringd zullen zijn.

____________________________________________________________________________________________