Kerkgeschiedenis – Augustinus van Hippo

29 augustus, 2023

Rubrieken: Kerkgeschiedenis

Kerkgeschiedenis

Augustinus van Hippo

 

 

Inleiding

Een van de grootste figuren uit de kerkgeschiedenis ontmoeten we in van Augustinus, die leefde van 354 tot 430. In deze man vinden wij eigenlijk heel de grootsheid en de tragiek toen de Gemeente zich nog voor een groot deel binnen de georganiseerde Kerk afspeelde. In Augustinus vinden we de uitersten gecombineerd in één persoon en in één systeem van denken: zowel de hoogten als de verwarring van het geestelijk leven, zowel de apologieën tegen ketterse leringen als tegen kerkelijke barbarij. Weinig mensen hebben zozeer bijgedragen tot het christelijk denken als Augustinus, en waarschijnlijk heeft niemand zozeer de Rooms-Katholieke Kerk in het zadel geholpen als deze ene man! Augustinus zette zijn leven in voor de zuiverheid van de christelijke leer en kende Gods genade uit eigen ervaring als weinig anderen. Maar als kerkvorst kapselde diezelfde Augustinus de goddelijke genade in een katholiek en daarmee intolerant systeem van sacerdotalisme en sacramentalisme. (Sacerdotalisme is de bevoegdheid van de priester om namens de kerk de sacramenten uit te reiken en sacramentalisme is de leer dat behoud en eeuwig leven niet is door geloof, maar door het ontvangen van de sacramenten).

Hij die opkwam voor de zuiverheid der Kerk, werd daarmee in zijn latere leven tot een vervolger van de Gemeente. En daarmee werd Augustinus eigenlijk tot een omgekeerde Saulus/Paulus, met wie hij zich overigens qua intellectueel en geestelijk postuur stellig kon meten. Augustinus werd in 354 geboren in Numidië, Noord-Afrika, als zoon van een heidense vader en een vrome christelijke moeder, Monica. Zij was het die vurig en standvastig voor hem hoopte en bad naarmate zij haar zoon zag opgroeien in een leven van geestelijke leegte en losbandigheid. Diep in het leven teleurgesteld, probeerde Augustinus een groot aantal van de vigerende filosofieën van zijn dagen metterdaad uit, maar niets kon hem voldoening schenken. Toen hij dertig jaar oud was, werd hij aangesteld als leraar in de rhetorica te Milaan, waar hij onder de invloed kwam van de grote bisschop Ambrosius. Twee jaar later werd hij grondig bekeerd door het lezen van de laatste verzen van de brief van Paulus aan de Romeinen, hoofdstuk 13. In 387 werd hij door Ambrosius gedoopt en het volgende jaar keerde hij naar zijn geboorteland Afrika terug. In 395 werd hij benoemd tot bisschop van Hippo, het tegenwoordige Bona, waar hij de rest van zijn leven bleef, vijfendertig jaar lang.

Augustinus heeft in het bijzonder twee leerstukken ontwikkeld: de leer der genade en de leer van de Kerk. Wat hij in het eerste leert is de bron geweest van geestelijke verlichting voor zeer velen. Maar wat hij leert over de Kerk is de oorzaak geweest van een grote geestelijke duisternis, die elf eeuwen lang zou duren en die voor velen nog steeds voortduurt. De leer van de genade Gods komt duidelijk voort uit zijn eigen dramatische bekering. In een tijd als vandaag, waar de prijs van de bekering zo laag mogelijk wordt gehouden om althans nog enkelen voor het Christendom te interesseren, is het goed om iets te lezen over Augustinus’ bekering, zoals hij die in zijn ‘Belijdenissen’ beschrijft: ‘Ik wierp mijzelf in wanhoop neer onder een vijgenboom, hoe, dat weet ik niet, en liet mijn tranen de vrije loop … Ik schreeuwde het uit: “Hoe lang, hoe lang nog? Morgen en overmorgen? Waarom nu niet? Waarom kan dit niet het uur zijn dat een eind maakt aan mijn onreinheid?” Deze dingen zei ik aldoor en ik weende met een diepe wroeging in mijn hart. En toen zie, hoorde ik de stem als van een jongen of meisje, het leek wel alsof die kwam van het huis ernaast, die almaar herhaalde: ‘Neem op en lees, neem op en lees’. Onmiddellijk veranderde mijn hele voorkomen, ik begon me ernstig af te vragen of het wel gewoon is voor kinderen om in hun spel zulke woorden te zingen, ik kon mij niet herinneren ooit zoiets gehoord te hebben. Daarom hield ik de stroom van mijn tranen tegen, stond op en kwam maar tot één verklaring van die woorden: het moest een bevel van de hemel zijn om het boek te openen en het eerste hoofdstuk te gaan lezen waarop mijn oog zou vallen … Ik pakte het, deed het open, en in stilte las ik het gedeelte waarop het eerst mijn ogen vielen: ‘niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorgen aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt’. Verder wilde ik niet lezen, en dat hoefde ook niet, want onmiddellijk, toen de zin ten einde was – het was alsof een licht van zekerheid in mijn hart gegoten werd – trok elke gedachte aan doem en twijfel weg’. Met deze radicale bekering verdween onmiddellijk de grote kloof die tussen hem en God had gestaan en die door de verschrikking van de zonde was veroorzaakt. Slechts de grenzeloze genade van een God vol liefde had zo’n kloof kunnen overbruggen. Het viel Augustinus stellig niet moeilijk om de ervaring en het onderricht van de apostel Paulus te begrijpen, want dat was nu ook zijn eigen ervaring geworden. Hij wist dat er in hemzelf niets goeds was waardoor hij ooit dit behoud had kunnen verdienen, en ging later dan ook met kracht in tegen de leer van Pelagius die leerde dat behoud, of het volgen van de Here God, iets was dat volkomen binnen de macht lag van de menselijke wil…

De leer over de Kerk is een gevolg van twee zaken die diepe indruk op Augustinus hebben gemaakt, namelijk de kwestie van de Donatisten en de val van Rome (in 410). Om te kunnen begrijpen hoe groot die indruk was, moeten we ons verplaatsen in de euforie (bedrieglijk gevoel van welbehagen) die sinds de ommekeer van Constantijn over de christelijke Kerk was gekomen. Die had geleid tot de overtuiging dat hiermee het Koninkrijk van Christus op aarde was aangebroken, waarin Hij regeert door Zijn heilige algemene (katholieke) Kerk. Toen dan ook die ‘ene Kerk’ opgebroken werd en het Romeinse Rijk, waarvan de Kerk deel uitmaakte, viel, stortte daarmee een hele theologische en kerkelijke denkwereld in. Van die denkwereld maakte ook Augustinus deel uit, en het werd nu zijn taak en levenswerk om die ineengestorte wereld van denken weer op te bouwen. Als antwoord op de nadruk die de Donatisten legden op een zuiver Avondmaal, hield Augustinus vast aan de ‘inclusieve kerktheorie’ waardoor de genade Gods aan de mensen wordt bediend door de sacramenten. Buiten deze Kerk, aldus Augustinus, kan er geen redding bestaan, ook al is iemand nog zo rechtvaardig, of is zijn geloof nog zo sterk. In zijn magistrale boek ‘De Civitate Dei’ (De Stad, of Staat Gods) stelt hij twee steden tegenover elkaar: de stad van de mens en de stad van God. Tegenover de grootste stad der aarde, Rome, die nu was ingenomen en verwoest, stelde hij de eeuwige stad van God. Maar in het ‘euforisch duizendjarig denken’ waaraan ook Augustinus vasthield, was die stad Gods niet het komende hemelse Jeruzalem, dat thans op aarde wordt uitgedrukt door de geestelijke eenheid der gelovigen. Voor hem was en werd die stad steeds meer de kerkelijke organisatie van het Katholicisme. Om mensen binnen de sfeer van dit katholieke systeem te brengen, keurde Augustinus zelfs het gebruik van geweld goed. Persoonlijk gaf hij er de voorkeur aan dat mensen ‘Gods weg’ (lees: de Rooms-Katholieke Kerk) leerden kennen door onderricht. Maar wanneer zij daar niet op ingingen, moesten zij daar maar toe gedwongen worden. Om deze houding vanuit de Schrift te staven, haalde hij de woorden van de Heer aan: ‘Dwing ze om in te gaan’ (Luk.14:23). Zo stemde hij er tenslotte in toe om tegen de Donatisten geweld te gebruiken. Hij zag de Kerk als een aardse organisatie die haar eenheid zichtbaar moest uitdrukken, en dat bracht hem ertoe ook aardse middelen in te zetten om deze organisatie op te bouwen en haar macht in stand te houden. Deze terreur heeft geleid tot onuitsprekelijk lijden van Christenen, en daardoor gingen ook allerlei vormen van kwaad hoogtij vieren die door de Kerk werden teweeggebracht. Daarmee zou die Kerk weldra een periode ingaan die in de geschiedenis te boek staat als de ‘duistere Middeleeuwen’.

Zo zien we dus hoe een waarlijk groot man zowel in het goede als in het kwade groot kan zijn. Bij zijn eigen bekering had Augustinus de kracht van God ervaren die hem door Zijn Woord tot inkeer bracht, en door genade alleen had hij vrede en rust gevonden. En toch staat hij later toe om de werking van de Geest te vervangen door de vrees voor martelingen, ja, hij bepleit dit zelfs. Daarmee aanvaardt hij een afgedwongen belijdenis als het geloof dat de ziel behoudt. Zo is het leven van Augustinus dan ook een duidelijk voorbeeld van de onverantwoordelijke uitersten waartoe iemand van krachtige overtuiging en gepassioneerde ijver kan komen wanneer hij, zelfs met de beste bedoelingen, afwijkt van de beginselen der Schrift. De leer van de Kerk zoals Augustinus die had ontwikkeld, vond zijn volle uitdrukking in het katholieke systeem. Iedereen die niet ‘de enige en ware Kerk’ aanhing werd tot ketter verklaard. Elke groep Christenen die zich naar de Schrift onafhankelijk opstelde en zich alleen boog voor de Heer die in hun midden woont, werd van scheuring beticht. Door intriges, overtuiging of vervolging zocht de Roomse Kerk allen onder haar vleugels (terug) te brengen.

Maar God heeft zichzelf niet zonder getuigenis gelaten. Zelfs binnen het Katholicisme stonden er mannen op die de Here waren toegewijd en zich met grote kracht uitspraken tegen het flagrante kwaad dat haar praktijken meebrachten. Dezen hadden een echte last om het Evangelie te bedienen, maar dikwijls werden zij in een compromis gedreven vanuit een misplaatste trouw aan de gedegenereerde Kerk waarin zij geboren en getogen waren. Door dit compromis werden zulke mannen in hun dienst belemmerd en werd hun geestelijk inzicht verduisterd, omdat zij de lijkwade van het kerkelijk traditionalisme maar niet konden afleggen. Maar daarnaast waren er ook die buiten de verstikkende omarming van Rome stonden en die in eenvoud en afhankelijkheid van de Heer en Zijn Woord, bleven staan in het licht, het leven en de vrijheid van de vroege gemeenten. Naarmate de Kerk dus steeds meer het geestelijk leven verstrikt en verstikt, gingen deze ‘vrije christelijke gemeenten’ steeds meer de hoofdstroom vormen van het geestelijk leven door de eeuwen heen. Daarom krijgen deze ook steeds meer onze aandacht, die hun in de meeste leerboeken wordt onthouden.

_________________________________________________________________________________________________