Oude Testament – Plotseling zal Hij tot zijn tempel komen… – 2 Koningen 11

7 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: 2 Koningen

Oude Testament

Plotseling zal Hij tot Zijn tempel komen

2 Koningen 11:1-20

Inleiding

Wij leven in een tijd waarin wij mogen uitzien naar de openbaring en de komst van de Koning der koningen en Heer der heren, de Heer Jezus Christus. Dat heeft Hij beloofd en zal eenmaal plaatsvinden. De gedachte van zijn plotselinge komst voor het volk Israël wordt in 2 Koningen 11 prachtig geïllustreerd in de geschiedenis van Joas.

We verplaatsen ons in gedachten naar het zuidelijk koninkrijk van Juda, waar de troon vacant was omdat Jehu de koning van Juda – Achazja – naar het leven had gestaan, zodat deze stierf nabij Megiddo (2Kon.9:27-28). De koningin-moeder, Atalja, een dochter van Achab en de moeder van Achazja, maakte van deze gelegenheid gebruik en besteeg de troon en regeerde Juda gedurende zes jaar.

In dit gedeelte van de Bijbel zien we in het handelen van God ten opzichte van zijn volk Israël op een grootse manier gedemonstreerd (Rom.8:33)! De raad van God en de verantwoordelijkheid van de mens worden hier duidelijk in beeld gebracht. De raad van God, of zijn plan, staat vast, maar de wegen waarlangs die raad tot stand komt zijn mede afhankelijk van het handelen en de verantwoordelijkheid van de mens. Maar wat er ook gebeurt, Gods plan komt tot stand. ‘Ik, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zegt: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen; die uit het oosten een roofvogel roept, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit; Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering’ (Jes.46:10-11). ‘De raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht. (Ps.33:11). In het Bijbelgedeelte dat we nu bespreken lijkt het dat door het handelen van Atalia Gods plan zal falen…

De aanslag op de Koning (11:1)

‘Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon dood was, maakte zij zich op en bracht het gehele koninklijke geslacht om’ (2Kon.11:1).

Het plan van God om na de zondeval een Verlosser in de wereld te brengen, werd vanaf het begin gedwarsboomd door de Satan. Deze toont zich de eeuwen door zeer actief in het bestrijden van Gods voornemen. In het begin van het boek Genesis wordt deze strijd aangekondigd met de woorden: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen’ (Gen.3:15). Dat is de oorzaak waarom er, tot vandaag de dag, zoveel antisemitisme in de wereld is, want de Verlosser zou uit het volk Israël voortkomen. In Farao, de koning van Egypte, vinden we de eerste van een reeks ‘Jodenhaters’ die we tegenkomen in de geschiedenis en waarvan Hitler voorlopig de laatste is. Wanneer we de Bijbel raadplegen, zien we dat na de torenbouw van Babel en de daarop volgende spraakverwarring, God Abram roept uit Ur der Chaldeeën en belooft hem tot een groot volk te maken. De belofte van een toekomstige Messias is het voorrecht van de stam Juda: ‘De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn’ (Gen.49:10). Later in de geschiedenis van het volk Israël zien we dat God, die in David een man naar zijn hart gevonden had (1Sam.13:14), hem belooft dat zijn huis en koningschap zouden vaststaan voor altijd (2Sam.7:11,16; Ps.89). ‘Want zo zegt de Here: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is’ (Jer.33:17). We zien in de evangeliën dat de belofte vervuld werd in de Persoon van de Heer Jezus, waarvan David een type was. ‘Hij (Jezus) zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven’ (Luk.1:32). In het evangelie naar Mattheüs zien we dan ook in het geslachtsregister dat de Heer Jezus, naar de mens gesproken, afstamt van David (Mat.1:1-17).

Daarom is de daad van Atalia om het gehele koninklijke geslacht uit te roeien, van grote betekenis. Wanneer er geen nageslacht van David meer zou overblijven, zou er geen Messias meer kunnen komen! Er waren niet veel nakomelingen van het huis van David meer over, want eerder had koning Jehoram al zijn broers en de prinsen van Israël gedood (2Kron.21:4). Jehu had enkele van Davids nakomelingen gedood (22:8), en nu had Atalja op haar beurt bevolen om het ‘koninklijk zaad’ uit te roeien. De Satan deed zijn uiterste best om te voorkomen dat de beloofde Messias in Bethlehem geboren zou worden!

De verborgen Koning (11:2-3)

‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim’ (Hos.3:4).

Het plan van Atalia om haar kleinkinderen, het koninklijk zaad, uit te roeien, faalde want God greep in! Hij had immers een belofte gedaan dat Hij Juda niet wilde verderven ter wille van zijn knecht David, aan wie Hij immers had toegezegd hem te allen tijde een lamp voor zijn zonen te zullen geven (8:19). God greep in en gebruikte daarvoor Jehoseba, de vrouw van de priester Jojada, waarvan we in het volgende gedeelte meer zullen vernemen. ‘Maar Jehoseba, de dochter van koning Joram, de zuster van Achazja, nam Joas, de zoon van Achazja, en bracht hem met zijn voedster heimelijk weg uit de kring der prinsen die gedood werden, naar de bergplaats voor de bedden; en zij verborgen hem voor Atalja, zodat hij niet ter dood gebracht werd. Hij bleef zes jaar bij haar verborgen in het huis des Heren, terwijl Atalja over het land regeerde’ (2Kon.11:2-3).

Omdat alles wat tevoren geschreven is, tot onze lering is geschreven (Rom.15:4; 1Kor.10:6), is het niet zo moeilijk in deze gebeurtenis een voorafschaduwing te zien van de verwerping van de Heer Jezus en zijn heengaan naar de Vader. Mozes, ook een type van de Heer Jezus als Verlosser, werd toen hij geboren was, drie maanden lang door zijn ouders verborgen (Hebr.11:23). Mozes, en ook Jozef, werden bij hun eerste komst door het volk verworpen, maar de tweede keer aanvaard en zo zal het ook met de Heer Jezus zijn. De verleiding is groot om in Joas een beeld van de Heer Jezus te zien, of is dat te gewaagd? Zoals Joas opgroeide als kind in het huis des Heren, werd de Heer Jezus als jongen van twaalf jaar gevonden in de tempel (Luk.2:46). Hoe Joas als kind opgroeide, weten we niet, maar ook van de Heer Jezus is weinig over zijn jeugd bekend. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet (Gal.4:4) en zo kwam ook voor Joas de tijd dat hij aan het volk getoond werd als diegene die zijn rechten op de troon van David opeiste.

 De Koning geopenbaard (11:5-9)

‘Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HERE, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:5).

Joas moet ongeveer zeven jaar zijn geweest toen de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde werden ingelicht en hij aan hen werd voorgesteld (vs.4). Niemand wist van zijn bestaan af, met uitzondering van de priester Jojada en zijn vrouw Jehoseba. Hij leefde in het verborgene, zoals ook ons leven verborgen is in God, en daar hebben andere mensen geen kennis van (Kol.3:3). Jojada’s naam betekent: ‘God is trouw’. God is trouw in het vervullen van zijn belofte, zoals Hij die deed aan het huis van David, dat Hij voor altijd zijn troon zou bevestigen (2Sam.7:13). ‘Maar in het zevende jaar ontbood Jojada de oversten over honderd van de lijfwacht en van de garde; hij liet hen bij zich komen in het huis des Heren, sloot met hen een verbond en nam hun een eed af in het huis des Heren. Daarop toonde hij hun de zoon des konings’ (vs.4). Joas was verborgen gehouden in het huis des Heren; was er een betere plaats denkbaar? David zegt bij monde van Psalm 23 dat hij zou verblijven in het huis des Heren tot in lengte van dagen. Ze zullen wel verbaasd geweest zijn toen ze hoorden dat er toch nog iemand over was van het huis van David! Zo zullen ook de Emmaüsgangers niet verwacht hebben dat het nog goed zou aflopen. Uiterst voorzichtig lichtte Jojada de oversten in en toonde hun de koning, de zoon van koning Achazja. We weten niet waarom voor Joas als zevenjarige de tijd gekomen was om het koningschap op zich te nemen. Het zevende jaar doet ons denken aan volmaaktheid, het Vrederijk. ‘Toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon’ (Gal.4:4) en zo zal het ook in de toekomst gaan: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen’ (Mal.3:1). Wat een gedenkwaardige dag was het toen bleek dat er toch nog iemand over was van het huis van David en wat een dag zal het zijn wanneer de Heer Jezus, als de Ware zoon van David, zal verschijnen en zijn voeten op de Olijfberg zullen staan en zij de Zoon des mensen zullen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid (Zach.14:4; Mat.24:30)! ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen’ (Op.1:7; Zach.12:10; Joh.19:37).

Het kwaad bestraft (11:10-16)

‘En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en teniet doen door de verschijning van zijn komst’ (2Thes.2:8).

 Nadat koning Joas aan de oversten van de lijfwacht en de garde was voorgesteld, kregen ze opdracht hem te beschermen en zo nodig te verdedigen. Volledig bewapend stelden zij zich op rondom de koning. ‘Toen bracht hij de zoon des konings naar buiten, zette hem de kroon op en gaf hem de Getuigenis. Zo maakten zij hem koning; zij zalfden hem, klapten in de handen en riepen: Leve de koning!’ (vs.12). Deze twee dingen die de garde deed mogen ook wij doen: Onze Koning verdedigen en het uitroepen: De Koning leeft!

We mogen ons rondom onze Koning scharen met onze wapens in de hand. Wat onze wapens zijn, wat ons zwaard is? Dat is het Woord van God (Ef.6:17). ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard’ (Hebr.4:12). We mogen ons rondom de Koning scharen en zijn eer verdedigen en strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Jud.:3).

We mogen blij zijn en in onze handen klappen en verkondigen dat Jezus leeft; de Heer is waarlijk opgestaan! Nu koning Joas uit de verborgenheid van zijn tempel is gekomen, mag hij worden grootgemaakt en verkondigd aan het volk. De verborgenheid van God zal voleindigd worden en de tijd van het koninkrijk van de wereld van onze Heer en van zijn Christus is gekomen (Op.10:7; 11:15). ‘Ze zetten hem de kroon op en gaven hem de Getuigenis’ (vs.12).

Wanneer wij als gelovigen de dood en opstanding van de Heer Jezus verkondigen in deze wereld, zal er vijandschap ontstaan. De koningin hoorde het geroep van de garde en het volk en riep: Verraad, verraad (vs.14)! Maar haar tijd was voorbij en haar einde nabij. Zoals in onze tijd de duivel ook weet dat hij nog weinig tijd heeft en zijn einde nabij is (Op.12:12).

Ten slotte (11:17-20

Na de dood van koningin Atalja brak een nieuw tijdperk aan voor het volk van Juda. ‘Toen sloot Jojada het verbond tussen de Here en de koning en het volk, dat zij een volk des Heren zouden zijn, alsmede tussen de koning en het volk’ (11:17). Dit doet ons denken aan het toekomstige Vrederijk wanneer de Heer Jezus Koning zal zijn over het volk Israël en zal heersen van het ene einde van de aarde tot het andere. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’ (Jer.31:31 -34).

_________________________________________________________________________________________________________________________________________