“Een nacht van waken was dit voor de Here, om hen uit het land Egypte te leiden. Dit is de nacht van waken ter ere van de Here voor alle Israëlieten in hun geslachten.” (Ex.12:42)
Het Pascha illustreert de verlossing van de christen door het bloed van het Lam, maar het christelijke leven omvat meer dan alleen gered worden van het oordeel. Israëls ervaringen tijdens hun reis van Egypte naar Kanaän zijn beelden van de strijd en de zegeningen van het christelijke leven. God wilde Israël in Kanaän hebben, en Kanaän is een beeld van het zegevierende christelijke leven – het leven waarin we onze erfenis in Christus opeisen (Ef.1:3). Helaas worden veel christenen (net als de Joden van weleer) weliswaar uit Egypte bevrijd, maar raken ze verdwaalt in de woestijn van het ongeloof! Ja, ze worden gered door het bloed, maar ze slagen er niet in hun rijke geestelijke erfenis door geloof op te eisen (Heb.3:7-19). In deze twee hoofdstukken van het Bijbelboek Exodus zien we vier verschillende ervaringen van Gods volk op hun pelgrimstocht.
Het vertrek – de eerste tegenslag (14:1-12)
God gaf Israël specifiek de opdracht om hun kamp op te slaan bij de Rode Zee, en Hij vertelde Mozes dat de Egyptenaren hen zouden achtervolgen (14:3). Op dezelfde manier heeft God het christelijke leven aan ons uitgelegd in Zijn Woord, zodat we weten wat we kunnen verwachten. Satan is niet blij als zondaren uit zijn greep worden bevrijd, en hij achtervolgt de christen om hem weer tot slavernij te brengen. Vooral nieuwe christenen moeten gewaarschuwd worden dat hun tegenstander niet opgeeft! (Jak.4:7) Helaas handelden de Israëlieten naar wat ze zagen, niet door geloof; want toen ze het Egyptische leger zagen aankomen, gaven ze de moed op en schreeuwden ze het uit van angst (14:10-12). Angst en geloof kunnen niet in hetzelfde hart wonen; als we op God vertrouwen, hoeven we niet bang te zijn. Zoals zo vaak het geval is, bekritiseerden de Israëlieten Mozes in plaats van te bidden tot God en elkaar te bemoedigen. Ze beklaagden zich eigenlijk bij God, want Mozes had hen naar de plaats geleid die God voor hen had bestemd. In plaats van in geloof naar God op te kijken, keken ze terug naar Egypte en zeiden: “We zijn beter af in slavernij bij Farao!” Door dat te zeggen gaf de Israëlieten getuigenis van een slecht geheugen en veel fantasie! God had Egypte met zijn oordelen geslagen en Israël met grote macht bevrijd, maar ze betwijfelden of Hij hen ook verder zou helpen. Ongetwijfeld was de ‘menigte van allerlei slag; het samenraapsel’ die met hen meeging (12:38) de oorzaak van dit geklaag, net zoals ze dat in latere jaren zouden zijn (Num.11:4). De ‘gemengde menigte’ vertegenwoordigt onbekeerde en wereldse mensen onder de kinderen van God.
De doortocht door de Schelfzee (14:13-31)
Mozes wist dat de weg naar overwinning het geloof vereiste dat God hen zou leidden en bewaren. “Door het geloof gingen zij door de Rode Zee als door een droog land, waardoor de Egyptenaren, toen zíj het probeerden, verzwolgen werden.” (Heb.11:29) Het volk wilde teruggaan, Mozes zei hen om stand te houden en de Here wilde dat ze verder zouden trekken. “Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des Heren zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. De Here zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.” (Ex.14:13-14) Het is belangrijk dat we stilstaan voordat we ‘verdergaan’ (vs. 15), want als we niet door geloof staan, kunnen we nooit door geloof wandelen. Mozes hief zijn staf op en God begon te werken. God beschermde zijn volk door tussen Israël en de Egyptische legers te komen (vs. 19-20). De werken van de Heer zijn duisternis voor de wereld, maar licht voor Gods volk. God hield het leger die hele nacht op afstand; daarna opende Hij de weg door een sterke wind te zenden. De Israëlieten waren ongetwijfeld bang toen ze de wind hoorden waaien, maar juist die wind die hen bang maakte, was het middel tot hun redding. Het hele volk trok door de Rode Zee over droog land! Maar diezelfde zee die Israël redding bracht, betekende de ondergang voor Egypte. God gebruikte het water namelijk om de Egyptenaren te verslaan en Israël voorgoed van Egypte te scheiden. Farao oogstte wat hij verdiend had, want hij had de Joodse jongetjes laten verdrinken (Ex.1:22), en nu ging zijn eigen leger door water ten onder. We moeten de geestelijke betekenis van deze gebeurtenis begrijpen. “Want ik wil niet, broeders, dat u onbekend is, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee zijn heengegaan, allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee.” (1Kor.10:1-2). De overtocht door de Rode Zee is een voorafbeelding van de vereniging van de gelovige met Christus in de dood van het oude leven en de opstanding tot een geheel nieuw leven. Israël werd ‘gedoopt tot Mozes’ (vereenzelvigd met Mozes) door de doortocht door het water, en we worden vereenzelvigd met Christus en daardoor afgescheiden van de wereld (Egypte). De Egyptenaren konden de zee niet oversteken omdat zij niet door het bloed waren beschermd. Het Pesachfeest illustreert Christus’ dood voor ons, terwijl de overtocht door de Rode Zee Zijn opstanding symboliseert. Jezus’ dood en zijn bloed heeft ons verlost van de straf voor de zonde en Zijn opstanding van de macht van de zonde. De eerste ervaring is plaatsvervanging, want het Lam stierf in de plaats van de eerstgeborene, omdat wij met Christus verbonden zijn in Zijn dood, begrafenis en opstanding; dit wordt uitgelegd in Romeinen 6-8. De tweede ervaring, de overtocht van Israël door de Jordaan naar Kanaän in Jozua 3-4 is een voorafbeelding van een gelovige die door geloof zijn geestelijke erfenis binnengaat en die voor zichzelf opeist. In beide gevallen is het door geloof dat de christen de overwinning behaalt.
Israël juicht in triomf (15:1-21)
Dit is het eerste lied dat in de Bijbel is opgetekend, en het is veelbetekenend dat het na de verlossing uit de slavernij komt. Alleen christenen hebben het recht om liederen van verlossing te zingen. “Vurig verwachtte ik de Here; toen neigde Hij Zich tot mij en hoorde mijn hulpgeroep, Hij trok mij op uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel; Hij stelde mijn voeten op een rots, mijn schreden maakte Hij vast, Hij gaf mij een nieuw lied in de mond, een lofzang aan onze God. Mogen velen het zien en vrezen, en op de Here vertrouwen.” (Ps.40:1-3) Exodus begon met een zuchtend volk (2:23), maar dankzij de verlossing zien we het volk nu zingen. Merk op dat dit lied God verheerlijkt, want de Heer wordt minstens vijfenveertig keer genoemd in deze achttien verzen. Te veel liederen verheerlijken mensen in plaats van de Persoon en het heilige karakter van God, en Zijn wonderbaarlijke werken van macht. Let op het belangrijke refrein in vers 2. Het wordt herhaald in Psalm 118:14, ten tijde van de terugkeer van de Joden uit ballingschap en de herbouw van de tempel onder leiding van Ezra, en ook in Jesaja 12:2, verwijzend naar die dag in de toekomst waarop God het volk zal terugbrengen naar hun land. Zie Jesaja 11:15-16. Israël zong dit lied toen het onder leiding van de profeet Mozes uit Egypte werd bevrijd en toen het onder leiding van de priester Ezra uit Babylon werd bevrijd. Ze zullen het nog zingen wanneer ze bevrijd zijn van de heidense volken, wanneer ze zich tot Christus, hun koning, bekeren. We zullen niet te lang stilstaan bij de details van dit lied. Merk op dat ze God prezen voor Zijn verlossing (Vss. 1-10), leiding (Vss. 11-13) en overwinning (Vss. 14-17). En het lied eindigt met een noot van glorie, vooruitkijkend naar Zijn eeuwige heerschappij (vs. 18). Mirjam leidde de vrouwen (zie 1Kor.14:34; 1Tim.2:11-12) in een apart koor, want uiteraard hebben ook vrouwen, net zo goed als mannen, reden om de Heer te prijzen voor de verlossing die Hij hen in Christus heeft gegeven.
Israël klaagt in ongeloof (15:22-27)
Het zou heerlijk zijn om aan de oever van de zee te blijven en de Heer te prijzen, maar de gelovige is een pelgrim en moet Gods leiding volgen. Hoe vreemd dat God hen naar een plaats zonder water leidde. Toch moet God Zijn kinderen lessen laten leren door ondervinding, zodat ze hun eigen hart kunnen ontdekken. Een geloof dat niet op de proef gesteld mag worden, is niet waard een geloof genoemd te worden, heeft iemand eens gezegd! Toen de Joden het water zagen, ontdekten ze dat het bitter was, en onmiddellijk beklaagden ze zich bij Mozes en bij God. Hoe veranderlijk is het menselijk hart! De ene dag prijzen we God voor Zijn glorieuze verlossing en de volgende dag, bij de eerste beste tegenslag, beklagen we ons bij Hem, in dit geval als we voor bitter water vinden (Jak.3:10). Deze ervaring leerde het volk Israël (en hopelijk ook ons) enkele waardevolle lessen over het leven. Het leven is een combinatie van het bittere en het zoete, overwinningen en nederlagen, beproevingen en teleurstellingen. Het beloofde land was een land van bergen en dalen (Deut.8:7). Als we God volgen, hoeven we echter nooit bang te zijn voor wat er op ons pad komt. En na de beproeving is er vaak een geestelijke “Elim” (Vs. 27) waarin God ons verfrist. We moeten het bittere water met het zoete aanvaarden, wetende dat God weet wat het beste voor ons is. Het leven laat ons ook zien wie we zelf zijn, het leven is een groot laboratorium, en elke ervaring laat ons hart doorlichten om te onthullen wie we werkelijk zijn. Het water van Mara onthulde dat het volk werelds dacht, alleen uit of fysieke bevrediging; ze wandelden niet in geloof, maar in de verwachting dat ze door de wereld en wat die te bieden had, bevredigd zouden worden; ze waren ondankbaar en beklaagden zich bij God toen beproevingen op hun pad kwamen. God kent de nood, omdat Hij de weg uitstippelt. Hij gebruikte een stuk hout (die naar het kruis van Jezus verwijst, 1Petr.2:24) om het bittere water zoet te maken. Hij is Jehovah-Rapha, “De Heer die geneest.” Laten we de les in Deuteronomium maar ter harte nemen: “Gedenk dan heel de weg, waarop de Here, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden. Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten, dat gij niet kendet en dat ook uw vaderen niet gekend hadden, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond des Heren uitgaat. Het kleed dat gij draagt, is niet versleten en uw voet is niet gezwollen in deze veertig jaar. Erken dan van harte, dat de Here, uw God, u vermaant, zoals een man zijn zoon vermaant.” (Deut.8:2-5)