“De Profundis” is een Latijnse uitdrukking die “tot op de bodem” betekent en verwijst naar Psalm 130. Het is een smeekbede uit de diepte van verdriet of wanhoop en wordt veelvuldig in de liturgie gebruikt, vooral bij overlijdens. Bent u in een neerslachtige bui, bent u in een situatie wanneer verdriet u overweldigd of begrijpt u Gods laten en doen niet meer? Dan is deze Psalm voor u! Waar u zich ook in bevind, in welke put u ook bent gevallen, vanuit de diepten mag u roepen tot God! Als je in nood gezeten geen uitkomst ziet, wil dan nooit vergeten God verlaat je niet!
1. Een bedevaartslied. Uit de diepten roep ik tot U, o Here.
2 Here, hoor naar mijn stem; laten uw oren opmerkende zijn op mijn luide smekingen.
3 Als Gij, Here, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan?
4 Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
5 Ik verwacht de Here, mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord;
6 Mijn ziel wacht op de Here, meer dan wachters op de morgen, wachters op de morgen.
7 Israël hope op de Here, want bij de Here is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing;
8 Hij zelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
Inleiding
We kennen de auteur van deze Psalm niet, hoewel sommige uitleggers aan koning Hizkia denken (Jes.38), en dat heeft als voordeel dat u zichzelf in deze Psalm kunt plaatsen. Want gaan we niet allemaal zo nu en dan door gebeurtenissen heen die ons terugwerpen op het fundament van ons bestaan, God? Deze psalm is een boetpsalm, wat blijkt uit vers 3, waar sprake is van “ongerechtigheden.” Maar wat ook onze nood is, zonde of verzoeking, we mogen altijd de Heer aanroepen, want bij Hem is veel verlossing!
De psalmist is depressief
Psalm 130:1-2
“Een bedevaartslied. Uit de diepten roep ik tot U, o Here. Here, hoor naar mijn stem; laten uw oren opmerkende zijn op mijn luide smekingen.”
Als vanzelf gaan mijn gedachten uit naar Psalm 69, een Messiaanse Psalm, waar we Christus ontmoeten in doodsgevaar. “Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; Ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God.” (Ps.69:2-4) En dat we Christus in de Psalmen kunnen ontmoeten is niet zo vreemd, want toen de Heer Jezus aan zijn discipelen verscheen, zei Hij tot hen: “Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.” (Luk.24:44) De Heer Jezus riep uit die “diepten” tot de Here: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht? Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte.” (Ps.22:2-3)
Psalm 130:3-4
“Als Gij, Here, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.”
Waarom riep de psalmist tot God? Het waren zijn ongerechtigheden, waarvan hij wist dat God ze kende! Zoals David het onder woorden bracht in Psalm 51: “Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in uw ogen, opdat Gij rechtvaardig blijkt in uw uitspraak, zuiver in uw gericht.” (51:5-6) Wat bracht de Heer Jezus naar het kruis? Was het niet om het Lam van God te willen zijn en te sterven en zijn bloed te geven voor de verloren en in zonde gevallen mens? Nee, het waren niet Jezus’ zonden waarvoor Hij stierf, want die waren er niet. Hij is echter wel tot zonde gemaakt en heeft onze zonden gedragen op het kruis. Wat riep de Heer Jezus daar, op het kruis? “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, bij de woorden van mijn jammerklacht?” (Ps.22:2) Hij werd van God verlaten, maar ons bleef Hij nabij! Onze God is een vergevend God, want wie kan anders voor zijn aangezicht bestaan? Eenmaal gewassen in het bloed van het Lam, blijft er geen gedachtenis aan zonde meer over!
Psalm 130:5-6
“Ik verwacht de Here, mijn ziel verwacht en ik hoop op zijn woord; Mijn ziel wacht op de Here, meer dan wachters op de morgen, wachters op de morgen.”
De profeet Ezechiël was door de Here aangesteld als een wachter op de muren van Jeruzalem, en had tot taak het volk te waarschuwen in geval van dreigend gevaar (Ez.33:7). Op zeeschepen werd de dienst van de stuurlieden gedaan in vier ploegen; de wacht van 12-4 uur s’ nachts was de minst geliefde. Het werd niet voor niets de “platvoetwacht genoemd”, want het waren lange uren voordat de zon opkwam. Men keek uit naar de aflossing! De psalmist keek vol verwachting uit naar een antwoord als verhoring op zijn gebed (Vers 1-2). En hebben wij zelf ook vaak niet een sterk verlangen en zien vol verwachting uit naar een antwoord op onze vragen? Het was niet zomaar een vraag, de psalmist riep vanuit “de diepten”, zijn wachten op God en op een antwoord op zijn gebed, maakte dat zijn verlangen sterker was dan het wachten van de wachters op de morgen. De morgen zou licht brengen na een donkere nacht! Het wachten was geen hopeloze berusting, maar een hoopvolle verwachting! De nieuwe dag zou aanbreken en nieuwe mogelijkheden, nieuwe zegeningen met zich meebrengen.
Openbare bekendmaking
Psalm 130:7-8
“Israël hope op de Here, want bij de Here is goedertierenheid, bij Hem is veel verlossing; Hij zelf zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
De Psalm neemt een onverwachte wending en richt zich tot het gehele volk Israël. In de voorgaande verzen was het een persoon die God zocht in zijn ellende, maar het volk als geheel was er niet beter aan toe. In het verleden was het volk Israël op grond van genade verlost uit Egypte, en er is nog “veel verlossing,” vroeger en ook voor de toekomst. We weten op grond van het profetische woord dat het volk Israël in de toekomst nog heel wat te wachten staat, zoals de benauwdheid van Jakob. Maar ook daaruit zullen ze verlost worden, er is immers “veel verlossing!” (Jer.30:7) In die tijd zullen ze wachten op de Verlosser van Israël, hun Messias. “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” (Zach.12:10) Uit de “diepten” zullen ze tot Hem roepen en Hij zal het volk verlossen van al hun ongerechtigheden.