“Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis? Veel in elk opzicht, en wel in de eerste plaats dat hun de woorden van God zijn toevertrouwd.” (Rom.3:1-2)
Evenals de Joden zijn ook aan de nieuwtestamentische gelovigen de woorden van God toevertrouwd. De Bijbel bestaat niet zomaar uit een aantal achter elkaar geplaatste brieven van diverse apostelen, maar het is het Woord van God! “En daarom ook danken wij God onophoudelijk, dat u, toen u van ons het Woord van de prediking van God hebt ontvangen, het hebt aangenomen niet als een woord van mensen, maar, zoals het waarlijk is, als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.” (1Thes.2:13) De auteurs van de diverse Bijbelboeken werden door de Heilige Geest geleid in het schrijven van de teksten: “Want niet door de wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar heilige mensen van Godswege hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken. En de gelovigen hebben de opdracht en de verantwoordelijkheid om dat Woord, de leer van de apostelen te verkondigen en te verdedigen. “Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.” (Judas vers 3) We worden dus opgeroepen te “blijven volharden in de leer van de apostelen.” (Hand.2:42)
Inleiding
“Opdat nu aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten door de gemeente de veelvoudige wijsheid van God bekendgemaakt wordt.” (Ef.3:10)
Wat is de eigenlijke taak van de Gemeente van Christus; waartoe is ze geroepen? Moeten Christenen soms via de politiek proberen de wereld te verbeteren en het onrecht in de wereld bestrijden? Maar wat is de Gemeente, waaruit bestaat ze? Wat moeten we aan met christelijke politiek en zogenaamde christelijke landen? Wat is eigenlijk een christen; wat zijn de kenmerken? Vragen die gedeeltelijk behandeld zijn in het artikel “Kenmerken van een Christen” in de rubriek Diverse Onderwerpen. De apostel Petrus geeft ons antwoord op de vraag wat de opdracht is voor de Gemeente, door het volgende te schrijven, (nogmaals) onder leiding van de Heilige Geest: “En u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1Petr.2:5) Dit is de dienst van de Gemeente naar God toe. De dienst van de Gemeente naar de wereld toe is: “U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht.” (1Petr.2:9) Naar deze twee taken en andere wordt ook verwezen in het eerste hoofdstuk van de eerste brief aan Timotheüs. De gemeente van de levende God, is de pilaar en grondslag van de waarheid! (1Tim.3:15)
De opdracht van de Gemeente is gezond bijbels onderwijs te geven (1:1-11)
“Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.” (2Tim.3:16-17)
Bij zijn afscheid van de gemeente van Efeze had Paulus de gelovigen “opgedragen aan God en aan het woord van zijn genade, die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle heiligen.” (Hand.20:32) Nu, een aantal jaren later moet hij Timotheüs er op te wijzen sommigen te bevelen geen andere leer te brengen dan dat, wat hij van Paulus had gehoord. Dat was vroeger, in het begin van het christendom, nu vele eeuwen later is die opdracht nog even reëel (1Tim.4:1vv.). Veelvuldig vinden we daarom in de twee brieven gericht aan Timotheüs een verwijzing naar het Woord van God, o.a.: “Het Woord is betrouwbaar en alle aanneming waard” (1Tim.1:15; 3:1; 4:9; 2Tim.2:11). Door het Woord van God zijn we tot geloof gekomen en naar dat Woord zal een echt kind van God verlangen (1Petr.2:2). Om groei te bevorderen heeft God “…sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars, om de heiligen te volmaken, tot het werk van de bediening, tot de opbouwing van het lichaam van Christus; totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de volgroeidheid van de volheid van Christus, opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door hun sluwheid om door listen te doen dwalen, maar terwijl wij de waarheid vasthouden in liefde, in alles opgroeien tot Hem Die het Hoofd is, Christus.” (Ef.4:11-15)
De opdracht van de Gemeente is om het evangelie te verkondigen (1:12-17)
“Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je van Mij hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen, terwijl Ik je wegneem uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen, opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.” (Hand.26:17-18)
Paulus kreeg de opdracht dit evangelie te verkondigen (Hand.9:15-19; 1Kor.1:17; 1Thes.2:4; Tit.1:3). Dit evangelie dat ook eerder al genoemd wordt als, “het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is.” (2Kor.4:4) Deze roeping werd Paulus’ levensmissie toen hij het evangelie predikte in het hele Romeinse Rijk, inclusief Efeze, waar deze brief aan gericht was (Hand.20:17-27). “Want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!” (1Kor.9:16) Aan allen die de “gezonde leer” horen, geloven en aanvaarden, is deze leer eveneens toevertrouwd. Daarentegen was de wet bedoeld om onze zonden te openbaren, maar als we haar gebruiken als richtlijn voor onze reactie op God, zijn we niet beter af dan de valse leraars. De wet heeft een beschrijvende, geen voorschrijvende rol. Ze confronteert ons met ons probleem, maar vertelt ons niet hoe we het moeten oplossen. Het evangelie daagt ons uit om in geloof te reageren op Gods wil, die door Christus onze zonden zal vergeven. Vervolgens moeten wij, als gelovigen aan wie het goede nieuws van Jezus Christus is toevertrouwd, de waarheid (“gezonde leer”) van het evangelie verkondigen, de uitwerking ervan op ons leven delen en de boodschap van eeuwige verlossing aanbieden aan hen die nog net zo verloren zijn als wij ooit waren. Vandaar de conclusie van Paulus: “…dat de wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen.” (Vs.9)
De opdracht van de Gemeente is Gods Woord te verdedigen (1:18-20)
“Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.” (Judas vs.3)
Altijd en overal is satan erop uit het werk van God te verstoren. De apostel Paulus waarschuwde daarvoor en wees op twee vijanden, één binnen in de Gemeente, en de ander van buiten de Gemeente (Hand.20:29-30). In de twee brieven aan Timotheüs, maar ook in andere brieven wordt daarnaar verwezen, bijvoorbeeld door Petrus. “Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester Die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.” (2Petr.2:1) Hoe moeten christenen vandaag de dag voor de waarheid te strijden? 1e. Het is de taak van elke christen om de Bijbel te bestuderen. Zonder kennis weet je niet waarvoor je moet strijden. 2e. Kennis in het hoofd is slechts een deel van de strijd voor de waarheid. Gebed is essentieel. God geeft ons de Heilige Geest als leraar. Zonder verbondenheid met God kun je alles weten, maar niets begrijpen. 3e. Veel persoonlijke interpretaties versplinteren de waarheid van het evangelie. Christenen moeten eensgezind blijven over de hoofdwaarheden van het evangelie. 4e. De waarheid moet geleefd worden, evenals bestudeerd. Laat de waarheid zien door het handen en voeten te geven. Volgend advies kan veel problemen voorkomen in het samenleven als Gemeente van God: “In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde.”
De opdracht van de Gemeente is de leer van God te versieren – (Tit.2:9-10)
“Vermaan de slaven aan hun eigen meesters onderdanig te zijn, in alles welbehaaglijk te zijn, niet tegen te spreken, niet te ontvreemden, maar alle goede trouw te bewijzen, opdat zij de leer van God, onze Heiland, in alles versieren.” (Tit.2:9-10)
Hoewel er in het eerste hoofdstuk van 1 Timotheüs niet direct gesproken wordt over “goede werken”, toch een enkel woord hierover, omdat ze een groot getuigenis kunnen zijn voor ongelovigen en deel dienen uit te maken in het leven van gelovigen. ”De leer van God versieren” is dat je Gods onderwijs uit de Bijbel (zoals liefde, heiligheid, trouw, en goede werken) zichtbaar maakt in je dagelijkse leven, waardoor het een ‘verfraaiing’ wordt en een voorbeeld voor anderen, in plaats van het te ontsieren met je gedrag (1Tim.6:1). Het gaat om het in praktijk brengen van geloof, met een leven vol godzaligheid, dienstbaarheid en oprechtheid, als een levende lofprijzing aan God. “Maar laten wij niet moedeloos worden in goeddoen; want te gelegener tijd zullen wij oogsten, als wij niet verslappen. Laten wij dus, wanneer wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof.” (Gal.6:9-10) We krijgen een blik van het gemeenteleven in het boek Handelingen en de uitwerking die dat had op de omstanders: “Allen nu die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk, en zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had. En met volharding waren zij dagelijks eendrachtig in de tempel en braken brood aan huis en namen samen voedsel met vreugdegejuich en eenvoud van hart, terwijl zij God prezen en gunst hadden bij het hele volk. En de Heer voegde dagelijks bijeen die behouden werden.” (Hand.2:44-47)