Bijbel – Nieuwe Testament – 2 Thessalonicenzen 2 – Dag van de Heer of Dag van Christus?

23 juni, 2025

Bijbelboeken: 2 Tessalonicenzen

Bijbel – Nieuwe Testament

2 Thessalonicenzen 2:2

‘Dag van de Heer’ of ‘Dag van Christus’?

Wat is de ‘dag van de Heer’ en wanneer komt deze dag?

Na de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen is er verwarring ontstaan waardoor men dacht dat de dag van de Heer al was aangebroken. De gelovigen werden in toenemende mate vervolgd door de ambtenaren van het Romeinse Rijk, welke hun heidense gebruiken en zienswijzen op de kleine christelijke gemeente afdwongen. De jonge gelovigen zijn mogelijk tot de gevolgtrekking gekomen dat de dag des Heren al begonnen was, en dat Paulus’ verzekering dat zij de toorn van God zouden ontvluchten niet waar was (1:9). Afgezien van valse profetieën die hierover in de gemeente gedeeld werden, zijn er ook valse brieven rondgegaan die naar bewering van Paulus afkomstig waren; “als door brief van ons.” (2Thes.2:2) waarin gezegd werd dat de gelovigen door de verdrukking en het lijden van de dag des Heren zouden moeten gaan. Paulus heeft zijn tweede zendbrief aan hen geschreven om de volgorde van de gebeurtenissen die zullen plaatsvinden in de eindtijd te verduidelijken en te bevestigen dat de opname vóóraf zal gaan aan de dag van de Heer. Het tweede hoofdstuk van de tweede brief aan de Thessalonicenzen is een hoogst betekenisvol hoofdstuk in de christelijke eschatologie. Thomas Constable zegt hierover: ‘Deze verzen (2Thes.2:1-12) bevatten waarheden die nergens anders in de Bijbel voorkomen. Het verschaft een sleutel tot het verstaan van toekomstige gebeurtenissen en is van centraal belang in deze zendbrief en de eschatologie”.

Wat is die dag?

Uit het verband van 1Thes.5:2 met vs.9 en 1:10 blijkt dat ‘de dag van de Heer’ gelijkgesteld kan worden met de toorn, niet met de Opname (1Thes.1:10). De ‘dag des Heren’ omvat heel de periode, die begint na de opname van de Gemeente en duurt tot en met het laatste oordeel. Het is de ‘dag van wrake’, die volgt op de ‘dag van genade’ (Jes.61:2). Want na het ‘aangename jaar de Heren’ komt ‘de dag, brandende als een oven’ (Mal.4:1). Onder andere de volgende profeten spreken over ‘de dag des Heren’ (Am.5:18-20; Jes.2:12, 13:6-16; Mi.7:4-6; Zef.1:14-16; Ez.30:3-12). Volgens Ironside begint de ‘dag van de Heer’ wanneer ‘de dag van de genade’ beëindigd is. De ‘dag van de Heer’ volgt op de Opname. Het zal een tijd zijn waarop Gods oordelen over de aarde worden uitgestort. Het sluit de tijd in wanneer de Heer terugkomt met zijn heiligen om zijn vijanden te oordelen en het koninkrijk in bezit zal nemen; om te heersen in gerechtigheid voor een duizendjarige periode (vgl.Zach.14:5; 2Thes.1:10; Kol.3:4). Volgens Scofield beslaat ‘de dag van de Heer’ (ook genoemd ‘die dag’ en ‘de grote dag’ die tijd die begint met de terugkeer van de Heer Jezus in heerlijkheid, en eindigt met de reiniging van de hemel en de aarde door vuur om plaats te maken voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. (Jes.65:17-19, 66:22; 2Petr.3:13; Op.21:1). Rene Pache zegt in zijn ‘Komende Christus’ over de dag des Heren: ‘Dit is de korte periode van verschrikkelijke oordelen, die onmiddellijk aan de komst van Christus in zijn heerlijkheid voorafgaat, en die samenvalt met de regering van de antichrist’. De dag van de Heer is dus een dag van oordelen die aan het Messiaanse rijk voorafgaan. Synoniem aan: ‘tijd van benauwdheid’ – ‘uur van de verzoeking’ – ‘dag van de verbolgenheid des Heren’ – ‘gramschap’ – ‘toorn’ – ‘de grimmigheid’ (Jes.2:12, 13:6; Ez.13:5, 30:3; Joël 1:15, 2:1,11,31, 3:14; Am.5:18,20; Ob.:15; Sef.1:7,14; Zach.14:1; Mal.4:5; Hand.2:20; 1Thes.5:2; 2Thes.2:2; 2Petr.3:10)

Wat gaat er aan die dag vooraf?

Paulus heeft waarschijnlijk tijdens zijn bezoek aan de gemeente intensief onderricht gegeven over de dag des Heren, dat het een tijd zal zijn van de uitstorting van goddelijke toorn over de boze en ongelovige wereld (1Thes.5:1-11). Er zijn verscheidene oudtestamentische Schriftgedeelten waarin bijzonderheden worden gegeven over deze vreselijke tijd (vgl. Jes.13:9-13; 24:1-23; Joel 2:11, 31; Zef.1:14-16). Gelovigen worden aangemaand zich geestelijk voor te bereiden om waardig geacht te worden om de komende oordelen te ontvluchten (vgl. Luk.21:36). Er gaan een aantal gebeurtenissen aan de komst van de dag des Heren vooraf: ‘Want die (de dag van de Heer) komt niet als niet eerst (1) de afval gekomen is. De ‘afval’ is een speciale gebeurtenis in een speciaal tijdperk en moet onderscheiden van verval wat nu al plaatsvindt. (2) de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf’ en verder: dat de zoon van het verderf (d.i. de antichrist) zich (3) in de tempel zal gaan zetten en vertonen dat hij God is en tenslotte dat de ‘weerhouder’ (d.i. de Heilige Geest en/of de Gemeente) zal zijn weggenomen. (Zie: Rubriek Eschatologie-Vragen)

Dag des Heren of Dag van Christus?

Het antwoord op deze vraag is uitermate belangrijk, gelet op de implicaties dat het met zich meebrengt. Als de vertaling ‘dag van Christus’ juist is dan is het duidelijk dat de Gemeente door de Grote Verdrukking moet en de afval en de antichrist zal meemaken, want de gebeurtenissen verbonden aan de Dag des Heren zullen plaatsvinden aan het einde van de laatste jaarweek vlak voor de zichtbare komst van de Heer Jezus. Met andere woorden, tijdens die laatste jaarweek zou de Gemeente dan nog op aarde zijn. Met andere woorden: als de vertaling ‘de dag van Christus’ juist zou zijn is niet mogelijk te verklaren dat de Gemeente vóór of in het midden van die jaarweek zal worden weggenomen. Maar die vertaling is niet juist, het gaat juist over ‘de dag van de Heer’ en niet over ‘de dag van Christus’! De term Dag van Christus heeft bij sommige gelovigen voor verwarring gezorgd. Scofield zegt: ‘De uitdrukking ‘Dag van Christus’ in 2 Thess.2:2 is onjuist, want het staat voor ‘de Dag des Heren’. Scroggie zegt: ‘Het lijkt erop dat deze gebeurtenis, die vaak de ‘dag van Christus’ wordt genoemd, onderscheiden moet worden van de ‘Dag des Heren’. Als de Gemeente de periode van oordelen, de laatste jaarweek, zou moeten meemaken, dan zou je toch op zijn minst een vermelding daarvan in het boek Openbaring mogen verwachten. In de hoofdstukken 6-19 vinden we echter geen enkele vermelding van de Gemeente noch de Opname. Daarom is het niet juist dat de Opname hetzelfde is als de Dag des Heren. Ik geloof dat het twee verschillende gebeurtenissen zijn, want als de Opname gelijk was aan de Dag des Heren, waarom stelden ze dan die vraag? De Dag des Heren is duidelijk een dag van oordeel en verschilt in ernstige mate van de bijeenvergadering (vs.1) van de gelovigen tot Hem; de Opname waarover Paulus in zijn eerste brief gesproken heeft.

1 Thessalonicenzen

In de Bijbel wordt over de ‘dag van Christus Jezus’ gesproken o.a. in Filippenzen 1 vers 6 en 10, waarmee het heerlijke moment voor de gemeente aangegeven wordt, waarop we van deze wereld opgenomen worden en we de Here Jezus als Verlosser zullen ontmoeten. Daarnaast vinden we in Gods Woord ook de uitdrukking de ‘dag des Heren’ zoals in Jesaja 13:6-10 waar deze dag als een vreselijke verwoesting van de aarde beschreven wordt! In het Nieuwe Testament wordt deze dag in het Grieks beschreven als de dag van ‘Kurion’. Deze uitdrukking betekent ‘heer’, ‘gebieder’, ‘meester’. De ‘dag des Heren’ begint na de opname van de gemeente op aarde en eindigt met het vergaan van deze eerste aarde, die dan plaats zal maken voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Deze ‘dag des Heren’ omvat dus de grote verdrukking en het daaropvolgende Messiaanse vrederijk. Petrus schrijft in 2 Petrus 3 over de ‘dag Gods’, ‘ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen der aarde zullen wegsmelten’ (vers 12). Petrus heeft het niet zozeer over de opname van de gemeente en liet dat liever aan zijn collega Paulus over, die hierover een speciale openbaring ontvangen had (Ef.3:1-13 en Kol.1:25 – 2:3). In 2 Petrus 3 schrijft Petrus met betrekking tot Paulus hierover: ‘…zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften’ (vers 15-16). Zo werd er in de tijd van Petrus soms vreemd tegen de brieven van Paulus aangekeken, omdat het in deze brieven over het geheim van de opname van de gemeente gaat! We zien dus dat het in 1 Thessalonicenzen 4:13-18 over de opname van de gemeente gaat, waar de Here Jezus niet op aarde komt, maar de gemeente Hem in de lucht tegemoet gaat, om in de heerlijkheid opgenomen te worden om zo voor altijd bij Hem te zijn! (Vgl. Joh.14:1-4)

De Dag van de Heer in I Thessalonicenzen 5

1 Thessalonicenzen 5:1-11 gaat over de ‘dag des Heren’ die bij de opname van de gemeente voor de achterblijvers hier op aarde dan zal beginnen (Op.3:10. Vandaar dat er staat, dat deze dag de gemeente niet als een dief zal overvallen, omdat de gemeente Hem als Verlosser verwacht en opgenomen zal worden. Let op de wisseling van het ‘wij’ en ‘zij’ in 1Thes.5:1-11. Tijdens de ‘dag des Heren’ zal God allereerst met verwoesting op aarde komen om de ongelovigen te straffen. In deze periode wordt ruimte gegeven aan de antichrist en de valse profeet om de mensen op aarde te verleiden. Wanneer de volkeren door de antichrist opgeroepen worden en gezamenlijk op zullen trekken tegen Israël (Armageddon), zal de Here Jezus als Koning op aarde wederkomen, samen met Zijn gemeente (Zach.14:5; Kol.3:41Thes.3:13), om met de antichrist en de valse profeet af te rekenen, waarna zij in de ‘poel van vuur’ (Op.20:10) geworpen zullen worden. Als de Heer samen met de Gemeente zal komen, is het logisch te geloven dat ze eerst moete zijn opgenomen. Het vervolg van deze ‘dag des Heren’ is dan het Messiaanse Vrederijk, waarin de Heer Jezus, samen met Zijn gemeente, over de gehele aarde zal regeren. Daarna komt ‘de dag Gods’, waarbij deze aarde zal vergaan en plaats zal maken voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Conclusie

Over welke dag gaat het nu eigenlijk in 2 Thessalonicenzen 2 vers 2? In de Staten Vertaling staat hier ‘Dag van Christus’ en in de NBG ‘Dag des Heren’. In de beschikbare Griekse handschriften lezen we telkens over ‘de dag van kurion’, dus ‘de dag des Heren’. Het is dan ook niet verklaren waarom de Staten Vertaling het met ‘de dag van Christus’ vertaalt. De meeste Nederlandse, Engelse en Duitse Bijbelvertalingen vertalen het dan ook met ‘de dag van de Heer’. Dat is ook te begrijpen omdat in het verband staat met de vraag die in 1 Thessalonicenzen 5:2 gesteld is en beantwoord wordt. “Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht.” Waarom het dan toch vertalen als ‘de dag van Christus’ zoals sommigen doen?  Waarschijnlijk heeft dat te maken met het niet honoreren van, of onbekend zijn met het onderwijs over de Opname van de Gemeente.

Tenslotte.

Paulus heeft sterk op de harten van de gemeente gedrukt om ‘Zijn Zoon uit de hemelen te ver­wachten, Die Hij uit de doden heeft opgewekt, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn’ (1Thes.1:10). Later in deze brief heeft hij de belofte nog eens herhaald: ‘Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heer Jezus Christus’ (1Thes.5:9. Op.3:10). De toorn van God komt over de ongelovigen en niet over gelovigen.

______________________________________________________________________________