De straf op de zonde wordt opgeheven als de zondaar op Christus vertrouwt, maar de macht die de zonde over het dagelijks leven van een gelovige kan uitoefenen is een andere zaak. De eerste brief van Johannes maakt duidelijk hoe we de zonde kunnen overwinnen en hoe we vergeving kunnen ontvangen als we toch gezondigd hebben. Zelfs christenen zondigen. Zonde vereist Gods vergeving, en Christus’ dood voorziet daarin. Het besluit om te leven volgens Gods normen zoals we die in de Bijbel vinden, laat zien dat het leven van gelovigen wordt veranderd. In deze brief stelt Johannes alle belijdende mensen in twijfel, wat duidelijk wordt door een reeks uitspraken (meestal geformuleerd als “als wij zeggen”) die waarschijnlijk betekenen wat gnostische gelovigen beweerden over hun spirituele ervaringen (zie bijvoorbeeld 1:6,8; 2:4,6,9). Praten is goedkoop; de realiteit moet worden getoetst aan iemands relatie met hun medegelovigen. Johannes spoorde gelovigen aan de waarheid te kennen en ernaar te leven. We kunnen onze zondige natuur niet ontkennen, volhouden dat we boven de zonde staan, of de gevolgen van zonde in onze relatie met God bagatelliseren. We moeten de aantrekkingskracht van zonde weerstaan, en belijden wanneer we zondigen.
Inleiding
We hebben allemaal verschillende zwakheden maar we hebben wel allemaal één gemeenschappelijke vijand: de zonde die in ons woont! En die ‘vijand’ kan ons danig parten spelen in ons leven als gelovige. De strijd van de gelovige tegen de zonde beschrijft de apostel Paulus in de brief aan de Romeinen hoofdstuk 7-9, en hij maakt daar duidelijk dat eventuele zonden die wij doen als oorzaak de macht van de zonde heeft, die in ons woont ook al zijn we gelovig! Die ‘macht’ in ons kan ervoor zorgen dat onze wandel als gelovige mogelijk in tegenspraak is met de leer waarin ze zijn onderwezen, en dat zou niet zo mogen zijn. Gelovigen die zondigen zijn niet in de Bijbel vermeld om ons te ontmoedigen, maar om ons te waarschuwen (1Kor.10:6,1) Let wel: de zonde is geen vijand van buitenaf maar een macht van binnenuit. (1Joh.2:16). God is licht, maar zonde is duisternis! Het Nieuwe Testament noemt het christelijk leven een ‘wandel’, en we moeten leren te wandelen in het licht. Maar daarvoor is het nodig de zonde geen plaats in ons leven te geven opdat de gemeenschap met Christus niet onderbroken wordt (1Joh.1:6). In zijn eerste brief gaat de apostel Johannes uitvoerig op het probleem van de zonde in.
De oorsprong van de zonde
“Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben.” (Rom.5:12) Zonde is een vrijwillige, geweten of ongeweten, overtreding van een goddelijk of zedelijk gebod. Zonden komen voort uit onze zondige geaardheid, die we hebben geërfd van Adam en Eva. Adam wist dat hij en zijn vrouw niet van de boom der kennis van goed en kwaad mochten eten, want God had het hem dat al verteld voor de schepping van Eva (Gen.2:18-25). Adam en Eva overtraden Gods gebod en vielen in de zonde. De slang had Eva verleidt (Gen.3:13; 2Kor.11:3) en Eva gaf ook Adam te eten (Gen.3:6, 12), zo overtraden ze Gods gebod en vielen in de zonde (1Tim.2:13-14). Toch is Adam degene die hiervoor verantwoordelijk wordt gesteld (Rom.5:14). Zoals gezegd, is door de mens de zonde in de wereld gekomen en door de zonde kwam de dood. Er kwam een oordeel over de mens en over zijn leefomgeving. De vrouw zou met smart kinderen baren. De mens zou sterven. De gemeenschap met God werd verbroken. De aarde bracht doornen en distels voort. De vloek had dus ook fysieke gevolgen. Zeker voor de eerste dieren die door Gods hand op aarde stierven en waardoor Adam en Eva in staat gesteld werden zich te kleden in plaats van zich te bedekken met schorten van vijgenbladeren (Gen.3:7,21). Elke keer als God de Here keek naar Adam en Eva zag Hij die gedode dieren, omdat Adam en Eva met hun vellen bekleed waren.
De zonde die in ons woont
We zondigen omdat we zondaars zijn; we zijn geen zondaars omdat we zondigen! Dat wil zeggen dat we moeten beseffen en erkennen dat we van nature zondaars zijn en dat door de zonde die in ons woont. In de hiernavolgende Bijbelgedeelten blijkt overduidelijk dat, hoewel de zonden vergeven zijn, er toch nog een macht in de mens aanwezig is die hem of haar doet zondigen (1Joh.1:8; Rom.3:9; 5:12; 6:10, 6:12-23; 7:13-26). Paulus die het goede wilde doen, zag het tegenovergestelde in zijn leven tot stand komen. “Als ik nu dat doe wat ik niet wil, breng ík dat niet meer teweeg, maar de zonde die in mij woont” (Rom.7:20, 17). De oorzaak? Dat is de zonde die in ons woont, waardoor ik tot zondigen kom! “Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont.” (Rom.7:17) We keren terug naar de eerste brief van Johannes en zien in twee opeenvolgende verzen de zonde (de bron) en zonden (de gevolgen) na elkaar. “Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons. Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” (1Joh.1:8-9) Wanneer we tot inzicht komen dat de zonde nog in ons woont, ook al zijn we tot geloof gekomen, en nog steeds de dingen doen die we niet willen, kan het niet zo zijn dat we ons daarbij moeten neerleggen, want zegt de Schrift: “de zonde zal over u niet heersen.” (Rom.6:14) Dus er is een strijd te strijden! “Maar ik zeg: wandelt door de Geest, en u zult de begeerte van het vlees geenszins volbrengen. Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt.” (Gal.5:16-17)
Door val in de zonden is elk mens van nature een zondaar
Alle mensen op aarde hebben een zondige natuur en zondigen. De wijze Salomo erkende, bij de inwijding van de tempel, in zijn gebed tot God: “Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U want geen mens is er, die niet zondigt…” (1Kon.8:46; 2Kron.6:36) Hierna enkele verzen die bevestigen dat elk mens een zondaar is en zondigt. “Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein bewaard, ik ben rein van zonde?” (Spr.20:9) “Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen.” (Pred.7:20) “Komt ooit een reine uit een onreine? Niet een.” (Job 14:4) “Wat is de sterveling, dat hij rein zou zijn, en dat wie uit een vrouw geboren is, rechtvaardig zou wezen?” (Job.15:14) “Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, of hoe zou hij rein zijn, die uit een vrouw geboren is?” (Job 25:4) “Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” (Ps.51:7)
Vergeving
De woorden van de apostel Paulus die hij uitspreekt nadat hij tot het besef is gekomen dat de zonde nog in ons woont en wij nog steeds (kunnen) zondigen, spreken van radeloosheid! “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?” (Rom.7:24) Het antwoord laat niet lang op zich wachten: “God zij echter dank door Jezus Christus onze Heer!” (Rom.7:25) Hier wordt de genade van God zichtbaar, zoals we dat kunnen vaststellen in de brief van Johannes. “Het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is niet in ons. Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” (1Joh.1:7-9) Dit is het eeuwige erbarmen, dat al ons denken overtreft, een God die in zijn Vaderarmen, de zondaar aan zijn hart verheft, die hem van schuld en straf bevrijdt, hem opneemt in zijn heerlijkheid. Door Jezus’ bloed zijn alle zonden van die geloven weggedaan!
De Zondeloze
We kunnen dit artikel niet beëindigen zonder de aandacht te vestigen op één Mens die de zonde niet kende en nooit zonden heeft gedaan. U weet Wie ik bedoel; juist de Heer Jezus! Hij is geboren uit een vrouw en desondanks is Hij zonder zonde. Geeft de vrouw dan geen zondige natuur aan haar kinderen door? Hiervoor is de volgende verklaring gegeven. Jezus Christus heeft geen aardse vader, Hij is verwekt door God de Heilige Geest bij de maagd Maria (Jes.7:14; Mat.2:18-25; Luk.2:1-7).
Geen zonde! Hierna geven we een overzicht van teksten waarin gewezen wordt op de zondeloosheid van Jezus Christus. (1) “Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt.” (2Kor.5:21) (2) “Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar Eén Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde.” (Heb.4:15-16) (3) “Want zo’n Hogepriester paste ons ook: heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden.” (Heb.7:26) (4) “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd.” (Heb.9:14) (5) “En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde.” (1Joh.3:5) (6) “Door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, het bloed van Christus.” (1Petr.1:19) (7) “Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” (1Petr.3:18)
Geen zonden! (1) “Hij ‘Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’, Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar Zich overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt.” (1Petr.2:22-23) (2) “Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?” (Joh.8:46)
Zie ook het artikel ‘De zonde die ons licht omstrikt’ in dezelfde rubriek en brief