Bijbel – Nieuwe Testament – Johannes 17 – Het grootste gebed

28 september, 2026

Bijbelboeken: Johannes

Bijbel – Nieuwe Testament

Johannes 17

“Het Grootste Gebed”

Voorwoord

Dat de apostel Johannes de auteur is van het evangelie naar Johannes is bij velen wel bekend, maar daar is het niet bij gebleven, hij liet ook nog drie brieven en de Openbaring het licht zien. In ‘zijn’ evangelie ligt de nadruk op de redding van zondaren, terwijl in de brieven meer de nadruk op de positie en de uitwerking daarvan ligt en in de Openbaring spreekt hij van oordelen die over de wereld zullen komen, maar ook van de heerlijkheid die is weggelegd voor de gelovigen. Het evangelie naar Johannes wordt soms ingedeeld met verwijzing naar de indeling van de Tabernakel in het Oude Testament. In de hoofdstukken 1 tot 12 van het evangelie naar Johannes spreekt de Heer Jezus tot het volk (het voorhof), in de hoofdstukken 13-16 tot de discipelen (het heilige) en in hoofdstuk 17 spreekt de Heer Jezus tot de Vader (het Heilige der heiligen).

Wanneer we dit artikel de titel geven ”Het Grootste Gebed,” dan doet we dat om een aantal redenen. (1) Groot vanwege de Persoon van de Heer Jezus: “Meer dan de tempel, meer dan Jona, meer dan Salomo is hier.” (Joh.12:6, 42) (2) Groot vanwege het moment van het gebed, namelijk kort voor zijn dood aan het kruis. (3) Groot vanwege de inhoud van de vragen die in het gebed opgenomen zijn, en (4) Groot vanwege de kracht en troost die het ons in moeilijke tijden kan geven. Vijf thema’s willen we in dit artikel onder de loep nemen.

Jezus bad voor de eenheid van de gelovigen (17:11, 21, 22)

“En Ik vraag niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen een zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons een zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden.” (Vs.20-21)

De “dezen” zijn de discipelen, de apostelen van de Heer Jezus, die spoedig de wereld in zouden gaan om het evangelie van de genade van God te gaan verkondigen (Hand.20:24). De “hen” zijn zij die door de verkondiging van het evangelie tot geloof komen. “En ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn, zei de Heer Jezus, ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden.” (Joh.10:16) De eenheid waarvan de Heer Jezus hier spreekt is de eenheid die Hij met de Vader had en die ook het deel zou worden van allen die zich zouden bekeren en de Heer Jezus in het geloof zouden aannemen als hun Verlosser. “En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1Joh.1:3)

Praktische eenheid is wel eens nagestreefd, maar nooit tot stand gekomen. Kijkt u maar eens om u heen en u ziet een veelheid van denominaties. Als in een gemeente uitdrukking wordt gegeven aan de eenheid van de Geest, dan worden de gelovige opgeroepen die “eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede.” (Ef.4:3) Zo’n eenheid van de Geest heeft als groot voordeel, namelijk opdat de wereld gelooft dat de Heer Jezus door God gezonden is (17:21).

Jezus bad voor liefde onder elkaar. (17:13, 35)

 “En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en Ik in hen.” (Vs.26)

De liefde die onder elkaar wordt beleefd is een bevestiging van ons discipelschap van de Heer Jezus en een getuigenis naar de wereld toe (Joh.17:21). “Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, dat ook u elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat u Mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt.” (Joh.13:34-35) Als we de geschiedenis van de kerk de revue laten passeren dan zien we vaak het tegenovergestelde, namelijk scheuringen en grote verdeeldheid. Uiteraard mag de waarheid van Gods Woord niet ten koste gaan van een misplaatste liefde voor eenheid, want dan geldt: “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft.” (Joh.14:21) De toepassing van de volgende uitspraak in het leven van een gelovige of in een plaatselijke gemeente: ‘In hoofdzaken eenheid, in bijzaken verdraagzaamheid en in alles de liefde’ had in het verleden veel leed kunnen voorkomen. We kunnen helaas de geschiedenis niet veranderen, maar er wel lessen uit trekken. Dat het een grote opgave is om als gelovigen met elkaar op te trekken door dit leven mag duidelijk zijn en de uitdagingen zijn groot. “Wat de broederliefde betreft, weest hartelijk voor elkaar; gaat elkaar voor in eerbetoon.” (Rom.12:10) Dat vergt van ieder van ons de nederigheid om de ander uitnemender te achten dan zichzelf (Fil.2:3), en wie is tot zulke dingen in staat? Gods Geest richt dan onze aandacht op de liefde van God die zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. Hij heeft zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard. En, besluit de apostel Johannes: “Geliefden als God ons zó heeft liefgehad, behoren ook wij elkaar lief te hebben.” (1Joh.4:11) “Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven.” (Ef.5:25) Dus, ook voor ons geldt: “Hebt de broederschap lief.” (1Petr.2:17)

Jezus bad voor hun bewaring. (17:6-12)

“Ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.” (Vs.15)

We moeten niet naïef zijn en denken, wanneer we ons in geloof tot de Heer Jezus hebben gewend, dat we immuun zijn voor de boze. Het tegendeel is waar! Wat ook waar is, is dat Hij die in ons is, groter is dan die in de wereld is! (1Joh.4:4). De duivel verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te halen en zal allerlei mogelijkheden aanwenden om ons aan te vallen. We hebben drie vijanden waar we als gelovigen mee te maken hebben en dat is ‘ons vlees, de wereld en de duivel’ (Jak.4:1,4,7; Ef.2:2-3). De veiligheid van een gelovige is nooit het ontwijken van het kwaad, bijvoorbeeld door zich te isoleren en in een klooster te gaan, maar de veiligheid is de nabijheid van God. “Onderwerpt u dan aan God. Weerstaat echter de duivel en hij zal van u vluchten. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen.” (Jak.4:7-8) De nabijheid van God en de geestelijke wapenrusting aandoen, dat zijn onze wapenen om stand te houden tegen de listen van de duivel (Ef.6:10-18). Een voorbeeld daarvan vinden in het verslag van de verzoeking in de woestijn, waar de Heer Jezus zich telkens beriep op Gods Woord: “Er staat geschreven…” (Mat.4:1-11). Dus, rekening houden met aanwezigheid van de duivel, maar ook vertrouwen op de bijstand van God. “De duivel gaat rond als een leeuw en als een engel van het licht” (1Petr.5:8; 2Kor.11:15), maar ook: “Ik zal u geenszins begeven en verlaten, de Heer is mij een helper, Ik zal niet vrezen.” (Heb.13:5-6) De Heer Jezus is onze Hogepriester, “Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.” (Heb.4:15-16)

Jezus bad voor hun heiliging. (17:13-19)

“Heilig hen door de waarheid: uw woord is de waarheid.” (Vs.17)

We willen Jezus volgen en leven zoals Hij ons heeft voorgedaan. De Heer Jezus leidde een leven geheel toegewijd aan God; een geheiligd leven (Ps.40:7-9). Van de gelovigen wordt ook een heilig leven gevraagd en verwacht. “Weest heilig, want Ik ben heilig.” (1Petr.1:16) Heiliging heeft de betekenis van apart stellen, in ons geval zich toewijden aan God. Dat heiligen ‘apart stellen’ betekent, zien we bij de schepping waar God de zevende dag ‘heiligde.’ (Gen.2:3) Een ander voorbeeld van wat heiliging betekent zien we in 1 Timotheüs 4:4-5 waar staat: “Want al het door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.” Heiliging wil ook zeggen je afwenden van de zonde en alle dingen die in strijd zijn met Gods wil weg doen uit je leven. Zoiets gaat niet vanzelf, het is een advies en een opdracht: “Jaag naar vrede met allen en naar de heiliging” en “Dit is de wil van God: uw heiliging.” (Heb.12:14; 1Thes.4:3) We leven in een wereld waar de zonde heerst en heiliging toe te passen is noodzakelijk om niet door die wereld meegesleept te worden in het verkeerde. De Heer Jezus ziet die heiliging in zijn discipelen al als verwerkelijkt, wanneer Hij zegt: “Omdat zij niet van de wereld zijn zoals Ik niet van de wereld ben.” (Joh.17:14) Een gelovige is niet van de wereld, maar wel ín de wereld! Hoe komt die heiliging tot stand? Gods Woord speelt daarin een grote rol, zoals blijkt uit de hoofdtekst van dit gedeelte. Door het lezen van het Woord van God, en het in ons opnemen van de Waarheid, en wat we ontdekt hebben toepassen, daardoor wordt ons leven veranderd. Door zó, als volgeling van de Heer Jezus te leven, zijn we geheiligd en worden we bruikbaar voor de Meester!

Voor hun toekomstige heerlijkheid. (17:24)

 “Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor de grondlegging van de wereld.” (Vs.24)

Het gebed van de Heer Jezus tot zijn Vader wordt afgesloten met een geweldige belofte en de wens om ons bij Zich te hebben. We kunnen niet genoeg beseffen wat die belofte inhoudt en van de heerlijkheid die ons te wachten staat. Al eerder in het evangelie van Johannes vinden we mensen die de wens hadden om Jezus te zien (Joh.12:21), maar wij mogen Jezus zien in zijn heerlijkheid, niet als de Mens Jezus op aarde! “Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen; maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond.” (Heb.2:8-9) Doelde de Heer Jezus op de vreugde in zijn gebed, waarnaar later de auteur van de brief aan de Hebreeën naar verwijst wanneer hij schrijft: “Terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God.” (Heb.12:2) Is “de vreugde die vóór Hem lag” het moment wanneer het bruiloftsmaal van het Lam plaatsvindt en zijn vrouw zich heeft gereedgemaakt en voor Hem zal staan bekleed met blinkend, rein, fijn linnen? (Op.19:8-9) Zoals Paulus zegt: “Opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel.” (Ef.5:27) De Heer Jezus zag mogelijk uit naar moment wanneer Hij Zijn Vader alle verlosten zou voorstellen en zeggen: “Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft.” (Heb.2:13) Hoe het ook mag zijn, we mogen met David belijden dat we “eens in gerechtigheid zijn aangezicht zullen aanschouwen, en bij het ontwaken ons zullen verzadigen met Zijn beeld.” (Zie: Ps.17:15)

______________________________________________________________________________