Eschatologie – Briefwisseling Ouweneel en Koornstra – Preterisme vs. Futurisme

18 september, 2026

Rubrieken: Eschatologie

Eschatologie

Briefwisseling tussen W.J. Ouweneel en Jeroen Koornstra

Preterisme vs. Futurisme

Voorwoord

Hoe moeilijk het is om een discussie aan te gaan, met twee gelovigen die vertrekken vanuit een andere geloofsovertuiging betreffende de eindtijd blijkt maar eens weer uit dit artikel. Dat is dan ook de conclusie van Ouweneel. Ondanks dat leek mij, om twee redenen, het toch interessant dit artikel te plaatsten. (1e.) De onlangs veranderde visie van Ouweneel over de eschatologie, in het bijzonder de Grote Verdrukking, en (2) om nog maar eens het onhoudbare van het Preterisme aan te tonen. Hoe dan ook veel leesplezier!

1 A Openingsbrief Jeroen Koornstra – ‘De gruwel der verwoesting is niet de Rotskoepel’

‘De gruwel der verwoesting is niet de Rotskoepel, maar houdt verband met het Romeinse leger dat Jeruzalem omsingelde’, stelt Jeroen Koornstra in deze openingsbrief. Aanleiding vormt de recente lezingenserie van prof. dr. Willem Ouweneel over de eindtijd en de wederkomst. Via Cvandaag gaan beide auteurs door middel van een briefwisseling de komende weken met elkaar in gesprek. De briefwisseling bestaat uit zes brieven, drie van elke auteur. Vandaag trapt Koornstra af.

Beste Willem,

Je hebt je al meer dan zeventig jaar verdiept in het profetische Woord. Dat is een indrukwekkend gegeven. Ik heb de afgelopen weken met genoegen geluisterd naar je serie over de eindtijd en de wederkomst. Je weet me altijd te boeien met je enorme parate kennis en prettige manier van vertellen.

In het eerste deel van de serie ga je in op de gruwel der verwoesting. Dat is een interessant onderwerp, waarover je een opmerkelijke visie deelt. Graag wil ik daarop reageren.

De gruwel der verwoesting

In de rede over de laatste dingen (Matt. 24) waarschuwt Jezus zijn discipelen alert te zijn op de gruwel der verwoesting. Hij verwijst daarbij naar de profeet Daniël: “Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats, laat hij die het leest daarop letten!” (Matt. 24:15)

Als we Daniël 9:27 erbij pakken, vinden we die woorden inderdaad terug. Je verklaring is dat de gruwel der verwoesting betrekking heeft op Antiochus IV Epiphanes, de Syrische koning van het Seleucidische Rijk. Hier zijn we het allebei over eens. Deze man beroofde in 168 voor Christus de tempel, plaatste er een altaar voor Zeus en liet daar varkensvlees offeren. Een gruwel.

Je bent opgeschoven in je opvatting. Ik hoop dat die verschuiving nog een vervolg krijgt. Jezus verwijst naar Daniël, maar spreekt tegelijk over een toekomstige gruwel der verwoesting. Je vertelt dat je vroeger dacht dat dit betrekking had op een verre toekomst. Eerst de opname van de gemeente, vervolgens de herbouw van de tempel en pas daarna de gruwel der verwoesting. Ondertussen ben je opgeschoven in je opvatting. Dat is een goede zaak. Ik hoop dat die verschuiving nog een vervolg krijgt. Misschien kan mijn onderstaande argumentatie daaraan bijdragen.

De Rotskoepel als gruwel?

Je huidige standpunt is dat de gruwel der verwoesting, en daarmee ook de grote verdrukking, al eeuwen geleden verschenen is in de vorm van de islamitische Rotskoepel, die rond het jaar 690 in Jeruzalem werd gebouwd. Dat verbaast mij, omdat deze visie nauwelijks wordt verdedigd. Daar komt nog bij dat je een numerieke berekening op deze visie toepast. Je redeneert dat de bouw van de Rotskoepel begon in 688. Daarbij tel je vervolgens 1260 jaar op, ontleend aan Openbaring 11:3 of 12:6. Zo kom je uit op het jaar 1948, het jaar waarin de staat Israël werd opgericht.

Zulke berekeningen leiden begrijpelijkerwijs tot opwinding, maar ik kan deze wijze van Schriftuitleg moeilijk volgen. Mogelijk is zij geïnspireerd door Isaac Newton. Tijdens mijn theologiestudie heb ik juist geleerd dicht bij de tekst te blijven en de context te laten spreken. Je lijkt een getal uit Openbaring los van de context toe te passen.

Je lijkt een getal uit Openbaring los van de context toe te passen.

Je zet 1260 dagen om in jaren. Dat vind ik problematisch, omdat in de voorafgaande zin sprake is van tweeënveertig maanden (Openb. 11:2). Hoe interpreteer je die? Worden tweeënveertig maanden dan tweeënveertig decennia of tweeënveertig eeuwen? Ook ben ik benieuwd hoe je de hele perikoop begrijpt waarin dit getal voorkomt. Welke rol speelt de context van de tekst in je berekening?

Je past dezelfde rekenmethode toe op Daniël 12:12. Door 1335 dagen als jaren te lezen en deze op te tellen bij het jaar 688, het jaar waarin de bouw van de Rotskoepel begon, kom je uit op 2023. Opnieuw is deze optelsom losgezongen van de context. Wat is er precies welzalig aan het bereiken van die 1335 dagen, als deze uitkomen in het jaar 2023? Dat is immers wat de tekst expliciet belooft.

Het probleem lijkt mij niet alleen dat dagen hier worden omgezet in jaren, maar vooral dat er geen exegetische onderbouwing wordt gegeven waarom deze getallen op de bouw van de Rotskoepel betrokken zouden moeten worden.

Vluchten naar de bergen

Jezus geeft een heel concrete opdracht die samenhangt met de gruwel der verwoesting. Zodra zijn toehoorders deze zouden zien, moesten degenen die zich in Judea bevonden vluchten naar de bergen (Matt. 24:15-16). Als je ervan overtuigd bent dat de Rotskoepel de gruwel der verwoesting is, waarom heeft de kerk in Israël dan gedurende de afgelopen dertien eeuwen nooit mensen opgeroepen om naar de bergen te vluchten?

Als je ervan overtuigd bent dat de Rotskoepel de gruwel der verwoesting is, waarom heeft de kerk in Israël dan nooit opgeroepen om naar de bergen te vluchten?

Ik ben ervan overtuigd dat Mattheüs 24 vervuld is in de eerste eeuw, rond het jaar 70, toen de tempel werd verwoest, precies zoals Jezus had aangekondigd.

Je wuift dit weg met de opmerking dat er in het jaar 70 geen afgod in de tempel heeft gestaan en er dus geen sprake kan zijn geweest van de gruwel der verwoesting. Ik vind dat een zwak en zelfs foutief argument.

Wij waren er allebei niet bij en zijn daarom afhankelijk van historische getuigenissen. Zelfs als er weinig of niets over terug te vinden is in de bronnen die ons ter beschikking staan, betekent dat nog niet dat het niet gebeurd kan zijn. Dan kunnen we slechts concluderen dat wij daarover geen informatie hebben. Alleen daarom al heb ik moeite met je stelligheid.

Historische getuigen

Maar goed, laten we de beschikbare bronnen erbij nemen. Clemens van Alexandrië, uit de tweede eeuw, schrijft dat Nero de gruwel plaatste in de heilige stad Jeruzalem. Kerkhistoricus Eusebius, uit de vierde eeuw, verbindt de gruwel der verwoesting expliciet met de gebeurtenissen van het jaar 70. Hij schrijft dat de gruwel op Gods heiligdom stond en verwijst daarbij naar de geschiedschrijving van Josephus.

Josephus noemt de Romeinse adelaarstandaarden die door het leger de stad werden binnengebracht. Uiteindelijk werden deze standaarden, die als heidense afgoden golden, de tempel binnengebracht, waar vervolgens offers aan werden gebracht.

Het Romeinse leger met deze standaarden vormde het teken om te vluchten. Dat wordt bevestigd wanneer we de drie synoptische evangeliën met elkaar vergelijken. De rede van Jezus is overgeleverd in Mattheüs 24, Markus 13 en Lukas 21.

Opmerkelijk is hoe Lukas Jezus citeert: ‘Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen…’ (Luk. 21:20-21) Hoe anders kan dit betekenen dan de letterlijke belegering van Jeruzalem in het jaar 70? Waar Mattheüs en Markus spreken over de gruwel der verwoesting, maakt Lukas duidelijk dat het om het Romeinse leger gaat. Jezus hield immers geen drie verschillende redes. Het gaat om één en dezelfde toespraak, waarin zijn toehoorders worden gewaarschuwd voor de aanstaande val van de tempel.

Eusebius houdt in zijn uitleg van de gruwel der verwoesting ook rekening met Jezus’ opdracht om te vluchten. Hij vertelt dat de kerk in Jeruzalem gehoor gaf aan deze woorden. De gelovigen uit Judea vluchtten daadwerkelijk naar de bergen, namelijk naar Pella, aan de overzijde van de Jordaan. Blijkbaar hebben zij de gruwel der verwoesting dus daadwerkelijk gezien.

De 1260 dagen

Die 1260 dagen, gelijk aan tweeënveertig maanden of drieënhalf jaar, zie ik terug in de periode van 67 tot 70. Vespasianus kwam begin 67 op bevel van Nero in actie. Uiteindelijk leidde dat in augustus 70 tot de vernietiging van de tempel. Dat was de geprofeteerde periode waarin de heilige stad door de heidenen werd vertrapt (Openb. 11:2).

Jezus’ profetie is vervuld in de verwoesting van de tempel.

Willem, ik hoop dat je gaat zien dat de gruwel der verwoesting niet de Rotskoepel is, maar verband houdt met het Romeinse leger dat Jeruzalem omsingelde. Jezus’ profetie is vervuld in de verwoesting van de tempel.

Ik kijk uit naar je reactie.

Vriendelijke groet,

Jeroen

1 B – Openingsbrief Willem Ouweneel: – ‘De gruwel der verwoesting is de Rotskoepel’

‘De gruwel der verwoesting uit Mattheüs 24 verwijst niet naar de gebeurtenissen rond het jaar 70, maar naar de Rotskoepel die eeuwen later op de tempelberg werd gebouwd’, stelt prof. dr. Willem Ouweneel in zijn reactie op deze brief van Jeroen Koornstra. Via een briefwisseling van Cvandaag wisselen zij de komende weken van gedachten over de uitleg van Bijbelse profetieën, de eindtijd en de wederkomst van Christus.

Dank voor je interessante exposé, waarin Daniël 9 en Mattheüs 24 centraal staan. Het deed me denken aan onze kleinzoon Jeroen Daniël Willem. Een mooie combinatie van onze beide namen én van de profeet die als eerste over de gruwel der verwoesting heeft geschreven. We zijn het er beiden over eens dat de eerste vervulling van Daniëls profetie plaatsvond tijdens Antiochus IV Epiphanes, maar dat Jezus over een nieuwe, toekomstige vervulling sprak. We zijn het er echter nog niet over eens waarop Jezus precies doelde.

Laat me beginnen met een uitspraak die je tegen het einde van je brief doet: ‘Jezus hield geen drie verschillende redes. Het is één en dezelfde toespraak die de toehoorders alert maakt op de aanstaande val van de tempel.’ Uiteraard gaat het om één en dezelfde toespraak. Toch kan die onder leiding van de Heilige Geest heel verschillend zijn weergegeven, precies zoals dat ook is gebeurd bij verschillende gelijkenissen van Jezus. Dat is ook logisch. Waarom zou deze rede driemaal zijn opgeschreven als zij in alle drie de evangeliën precies dezelfde strekking zou hebben? Dat is niet het geval.

Veel uitleggers hebben daarom, mijns inziens terecht, gemeend dat Lukas 21 spreekt over de val van Jeruzalem in het jaar 70, vervolgens over de eeuwen daarna, die Jezus de ’tijden van de volken’ noemt (vers 24), en pas vanaf vers 27 over gebeurtenissen die ook vandaag nog toekomstig zijn, namelijk vanaf zijn wederkomst.

De grote verdrukking is de periode waarin de islam het in het Heilige Land voor het zeggen heeft.

De eindtijd volgens Mattheüs 24

In Mattheüs 24 is de teneur echter anders. Dat zie je al aan de vraag van de discipelen. Hier willen zij vooral horen over de voleinding van de eeuw (vers 3). Die vraag ontbreekt in Lukas 21. In Mattheüs 24:4-12 spreekt Jezus over de eeuwen vóór dat einde. Vanaf vers 13, en vooral vanaf vers 14, gaat het over het einde zelf. Dat moet hier doelen op de eindtijd die aan de wederkomst voorafgaat.

Die eindtijd omvat volgens mij niet de laatste hele of halve jaarweek van Daniël 9, zoals ik vroeger dacht, maar een veel langere periode. Namelijk de eeuwen sinds op de heilige plaats de gruwel der verwoesting is geplaatst. Zoals ik eerder heb geschreven, vermoed ik dat dit in de zevende eeuw is gebeurd.

Dat betekent ook dat de grote verdrukking niet drieënhalf letterlijke jaren omvat, maar ongeveer drieënhalve eeuw. De grote verdrukking is de periode waarin de islam het in het Heilige Land voor het zeggen heeft. Zolang de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee nog fier boven het land uitsteken, duren ook vandaag de tijden van de volken voort. Het hele streven van Iran, Hamas en Hezbollah is er ten diepste erop gericht een radicaal einde te maken aan de staat Israël, zodat de situatie van vóór 1948 wordt hersteld.

Was de gruwel al aanwezig in het jaar 70?

Volgens jou stond de gruwel der verwoesting al in het jaar 70 in de toenmalige tempel. Al in mijn jeugd heb ik kennisgenomen van de argumenten die daarvoor zijn aangevoerd, en die jij nu deels herhaalt. Ook heb ik de weerlegging ervan bestudeerd.

Let allereerst op het woord gruwel. Dat duidt in de Bijbelse grondtalen gewoonlijk op een afgod, een afgodsbeeld of een afgodstempel. Zo plaatste Antiochus IV Epiphanes in 167 voor Christus een beeld van Zeus in de tempel. Daarmee veranderde hij Gods tempel in een tempel van Zeus. In het jaar 70 was daarvan totaal geen sprake. De Romeinen wilden de tempel in Jeruzalem niet veranderen in een afgodstempel. Zij wilden hem verwoesten. Dat de soldaten hun adelaarstandaarden de tempel binnenbrachten, was niet bedoeld om er een afgodstempel van te maken, maar maakte deel uit van de verwoesting. Ook stond er geen afgodsbeeld in de tempel, zoals in de dagen van Antiochus. Geen enkele bron die ik ken, beweert dat.

Wat Jezus in zijn rede bedoelt, is volgens mij dit: er komt een tijd waarin opnieuw een afgodstempel zal staan op de heilige plaats, de plaats waar ooit Gods tempel stond. In de hele geschiedenis na het jaar 70 kan ik daarbij aan niets anders denken dan aan de Rotskoepel. De moslims hebben die juist op deze heilige plaats gebouwd, met de uitdrukkelijke bedoeling zowel de Joden als de christenen de loef af te steken. Allah heeft gezegevierd over de God van de Bijbel. Elke keer als moslims Allahu akbar roepen, zoals op 7 oktober 2023, zeggen zij daarmee feitelijk: “Onze God is groter dan jullie God.” Dat is dezelfde boodschap die Antiochus wilde uitdragen met zijn beeld van Zeus.

Ik heb er daarom geen moeite mee de Rotskoepel een afgodstempel te noemen, ook al worden daar geen bloedige offers gebracht. Dat doen moslims nu eenmaal niet. Volgens de islam zal de engel Israfil op deze plaats eenmaal de bazuin blazen om de Dag des Oordeels aan te kondigen. Dat alles is een imitatie van het Bijbelse geloof, zoals alle afgoderij uiteindelijk een vorm van imitatie is. De God van de Bijbel wordt vervangen door de god van de islam.

Het preterisme

Jeroen, ik neem aan dat je nog steeds een aanhanger bent van het preterisme, de opvatting dat de wederkomst van Jezus al in het jaar 70 heeft plaatsgevonden. In dat geval moet jij wel geloven dat er in het jaar 70 in de tempel daadwerkelijk een gruwel der verwoesting heeft gestaan, dus een afgodsbeeld, terwijl daarvan in geen enkele historische bron sprake is. Ik wijs het preterisme uit de grond van mijn hart af. Samen met miljarden christenen blijf ik uitzien naar de wederkomst van Christus. Misschien moeten wij daar in de volgende brieven verder over spreken.

Ik geef meteen toe dat het hier om moeilijke vragen gaat. Als ik vind dat er te weinig grond is om in het jaar 70 van een gruwel der verwoesting te spreken, kun jij aanvoeren dat er te weinig grond is om de Rotskoepel als die gruwel te zien. Onze bezwaren tegen elkaars visie moeten we serieus nemen. Zo’n situatie komt vaker voor in de theologie.

De beste weg is dan zo objectief mogelijk te onderzoeken welke verklaring de meeste vragen beantwoordt en met de minste onopgeloste problemen achterblijft. Ik geef daarbij vanzelfsprekend de voorkeur aan mijn eigen verklaring. En bedenk: ik kan mij dat veroorloven omdat ik het preterisme afwijs. Jij zit, naar ik aanneem, nog altijd aan dat preterisme vast en moet daarom vasthouden aan jouw verklaring van de gruwel der verwoesting.

Dagen en jaren

Er blijft nog een vraag over. Kunnen dagen in de Bijbel ook jaren voorstellen? Mijn antwoord daarop heb ik gegeven in mijn boek Het Lam, de draak en de Domtoren, paragraaf 9.3. In de Bijbel komen verschillende dag-jaarparallellen voor. Zo blijken de weken in Daniël 9, perioden van zeven dagen, uiteindelijk perioden van zeven jaren voor te stellen. Als dagen daar jaren betekenen, moeten we voorzichtig zijn om de 1260 en de 1335 dagen in Daniël zonder meer letterlijk op te vatten. Misschien zijn ook daar jaren bedoeld. Dat is in elk geval de opvatting van veel exegeten geweest. In mijn boek bespreek ik daarvan verschillende voorbeelden.

Hier wil ik het voorlopig bij laten, Jeroen.

Ik ben benieuwd naar je reactie.

Vriendelijke groet,

Willem

2 A – Vervolgbrief Jeroen Koornstra – ‘Een nieuwe tempel zou een grote stap achteruit zijn’

‘Ik verwerp het preterisme uit de grond van mijn hart’, stelde prof. dr. Willem Ouweneel in zijn reactie op de openingsbrief van Jeroen Koornstra. Via Cvandaag wisselen beiden van gedachten over de eindtijd, Bijbelse profetieën en de wederkomst van Christus. In deze tweede brief bevestigt Koornstra zijn preteristische visie en verlegt hij de discussie naar de tempel. Volgens hem biedt het Nieuwe Testament geen ruimte voor de verwachting van een nieuwe fysieke tempel in Jeruzalem. ‘Een nieuwe tempel met offerdienst zou een gruwel zijn.’

Beste Willem,

Dankjewel voor je reactie. Boeiende materie!

Ik vertelde onlangs een vriend dat we deze briefwisseling zouden starten. “O, maar dan krijg je als antwoord van Ouweneel: ‘Lees mijn boek.'” We konden er samen om lachen. Maar werkelijk waar, wat een enorme bibliografie heb je op je naam staan. Het is bijzonder dat je nog steeds de energie en toewijding vindt om te blijven schrijven.

Preterisme tegenover futurisme

Laat ik je aanname bevestigen, dan hoeft daar geen twijfel over te bestaan. Ik ben inderdaad aanhanger van het preterisme en verwerp het futurisme uit de grond van mijn hart. Dat doe ik niet alleen vanwege de 100 procent falende en beschamende voorspellingen die almaar worden gedaan, maar omdat die visie gebouwd is op verkeerde verwachtingen en daardoor de vervulling niet gezien wordt. We staan daarin nogal tegenover elkaar, maar dat maakt deze briefwisseling dan ook wel interessant, denk ik.

Juist vanwege de vervulling ben ik ervan overtuigd dat het preterisme de sterkste papieren heeft.

Je schrijft dat ik wel moet geloven dat de gruwel der verwoesting er in de eerste eeuw stond, omdat ik de preteristische eindtijdvisie onderschrijf. Het is eerder zo: juist vanwege de vervulling ben ik ervan overtuigd dat het preterisme de sterkste papieren heeft. Ik ben overigens nog steeds benieuwd hoe je Jezus’ opdracht om naar de bergen te vluchten interpreteert. Als de Rotskoepel de gruwel is, waarom heeft niemand ooit op dit bevel gereageerd?

De gruwel zou tot verwoesting leiden, en die verwoesting is er gekomen. De tempel is met de grond gelijkgemaakt, zoals Jezus had aangekondigd. Een logische conclusie is dat die gruwel er dan voorafgaand aan geweest zal zijn, ook als daar weinig over op schrift is gesteld.

De herbouw van de tempel

Laten we een fundamenteler onderwerp bekijken en het over de herbouw van de tempel hebben. Ik begrijp dat wie een futuristische eindtijdvisie aanhangt, niet kan accepteren dat de vervulling van Jezus’ eindtijdrede achter ons ligt, afgezien van de verwoesting van de tempel. Dat maakt dat er een heel scenario opgebouwd moet worden om de Bijbel te laten rijmen met die toekomstverwachting.

Je moet uitkijken naar een nieuw Romeins rijk. Dus zoek je daar een oplossing voor in deze tijd en duid je op de Verenigde Staten. Er moet een nieuw ‘beest’, een nieuwe antichrist, komen, omdat je dat niet in Nero herkent. Daarom zoek je naar kandidaten in onze tijd en volg je de geopolitiek op de voet. Je moet ten slotte ook een nieuwe tempel verwachten.

Ik durf te zeggen dat een nieuwe tempel met offerdienst een gruwel zou zijn. Het is een klap in het gezicht van Jezus.

Die nieuw te herbouwen tempel is cruciaal om je eindtijdverhaal sluitend te krijgen, maar wezenlijk onbijbels. Het uitzien naar een nieuwe tempel druist in tegen het heilsplan van God. Ik durf te zeggen dat een nieuwe tempel met offerdienst een gruwel zou zijn. Het is een klap in het gezicht van Jezus en het miskennen van zijn verlossingswerk.

Het eenmalige offer van Christus

Ik kan niet genoeg benadrukken dat Jezus Christus’ eenmalige offer de complete tempeldienst buiten werking heeft gesteld. Een nieuwe tempel met offerdienst zou een terugval zijn naar het schaduwbeeld. Geen enkel offer van een bok of stier kan in een nieuwe tempel ook maar iets bewerken. Zulke offers ondermijnen het volmaakte werk van Christus, die door zijn offer voor eens en altijd verlossing heeft gebracht.

Daarbij komt dat nergens in het Nieuwe Testament gerept wordt over een nieuwe fysieke tempel in Jeruzalem. We zien de ontvouwing van Gods plan als Jezus zegt dat God niet aanbeden zal worden op de berg Gerizim of in Jeruzalem (Johannes 4:20-24). Hij kondigde daarmee al vroeg aan dat de tempel geen waarde meer zou hebben. Wie verlangt er dan naar om op die plek in Jeruzalem opnieuw een tempel te bouwen om God daar te aanbidden?

De veertig jaar tussen de geboorte van Jezus Christus en zijn komst in oordeel in het jaar 70 vormen een overgangsperiode. Het is de uitfasering van het oude verbond, de voleinding van het tijdperk, terwijl het nieuwe verbond zijn intrede doet. Er is een overlappende periode.

Wie wil er dan nog een nieuwe tempel bouwen waar God zeker niet in zal wonen?

Enerzijds bezoekt Paulus de tempel nog. Anderzijds wijst hij op de vervulling van Ezechiël 37, dat God in zijn volk zou wonen. Hij maakt de Korintiërs duidelijk dat zij de tempel van God zijn (2 Korintiërs 6:16). Paulus ziet de bouw van de tempel geestelijk, met Christus als hoeksteen en mensen die worden samengevoegd tot een heilige tempel (Efeziërs 2:21). Hij getuigde in Athene dat God niet in tempels woont die met handen gemaakt zijn (Handelingen 17:24).

Het hemelse Jeruzalem

Ook de schrijver van Hebreeën laat geen ruimte voor een nieuwe tempel. Met de geestelijke vervulling wist men dat het einde van de aardse tempel nabij was en dat die, samen met het verbond, op het punt stond te verdwijnen (Hebreeën 8:13). Aan de Hebreeërs werd duidelijk gemaakt dat zij genaderd zijn tot Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem (Hebreeën 12:22).

Sion is Gods woongebied (Psalm 132:13). Dat maakt dat de langverwachte belofte dat God te midden van zijn volk zou gaan wonen werkelijkheid werd. Het hemelse Jeruzalem heeft niets met de oude stad te maken. Ik besef dat het tot ergernis is van velen, maar het Nieuwe Testament vergeestelijkt consequent als het om Jeruzalem en de tempel gaat.

Ook Johannes wijst in Openbaring naar dezelfde geestelijke stad, die uit de hemel zou neerdalen. Wie wil dan nog uitzien naar een nieuwe stenen tempel in Jeruzalem, als Gods Geest zo duidelijk de vervulling laat zien in een geestelijke stad en tempel?

Laten we de tempel maar afgebroken laten. We leven in het Nieuwe Jeruzalem.

Ik heb je hier weleens over gehoord. Je probeert een oplossing aan te dragen door een tempel voor te stellen met offers die terugverwijzen naar Christus, een soort symbolisch herdenkende tempeldienst. Maar dit stuit op een fundamenteel probleem. Hebreeën 10:17-18 zegt: “Hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken. Nu waar vergeving van deze is, daar is geen offerdienst meer nodig.” Een herinnerend offer, een terugverwijzende tempeldienst, zou hiermee in strijd zijn.

Nergens in het Nieuwe Testament wordt er ook maar op enige wijze op iets dergelijks gezinspeeld. Zulke ideeën berusten puur op wensdenken, gevormd om een futuristische eindtijdvisie vast te kunnen houden.

Geen nieuwe stenen tempel

Laten we de tempel maar afgebroken laten. We leven in het Nieuwe Jeruzalem. “Ik zag geen tempel in haar, want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam” (Openbaring 21:22). De bouw van een fysieke tempel zou een grote stap achteruit zijn en een drama als christenen dit toejuichen.

Mijn wens is dat de gemeente van Jezus Christus gaat beseffen dat de profetieën vervuld zijn en God onder ons woont.

Ik kijk uit naar je reactie, Willem. Dank alvast.

Hartelijke groet,

Jeroen

2 B – Vervolgbrief Willem Ouweneel – ‘De wederkomst kan nog niet hebben plaatsgevonden’

‘Een nieuwe tempel met offerdienst zou een gruwel zijn’, stelde Jeroen Koornstra in zijn vorige brief. Via Cvandaag wisselt hij met prof. dr. Willem Ouweneel van gedachten over de eindtijd, Bijbelse profetieën en de wederkomst van Christus. In deze tweede brief reageert Ouweneel op Koornstra’s preteristische visie. Volgens hem zijn veel profetieën nog onvervuld en wachten christenen nog altijd op de zichtbare wederkomst van Christus, de vestiging van Zijn Rijk en het herstel van Israël.

Beste Jeroen,

Je hebt gelijk! Bijna elke dag krijg ik vragen die ik ooit al eens uitvoerig in een boek heb beantwoord. Mijn antwoorden zijn dan beknopt, want ik hoef alleen maar te zeggen: ‘Lees mijn boek.’ Dat geldt ook voor de nieuwe tempel in Ezechiël 40 tot en met 44.

Ik geef toe dat er in heel wat eindtijdscenario’s heel wat speculatie zit, waar je terecht aanmerkingen op maakt. Maar dat is nog geen reden om alle eindtijdscenario’s op één hoop te gooien. In het Nieuwe Testament vind ik heel wat eindtijdscenario’s, vooral in Mattheüs 24, Lukas 21, Romeinen 9 tot en met 11, 2 Thessalonicenzen 2, 2 Petrus 3 en Openbaring 4 tot en met 22. Daar houd ik me aan.

Ik zou zeggen, Jeroen: lees mijn boeken!

Een toekomstige tempel

In boeken als De toekomst van God en Het Israël van God heb ik uitvoerig over de tempel van Ezechiël geschreven. Al jouw tegenwerpingen, Jeroen, heb ik daarin al jaren geleden uitvoerig beantwoord. Zo heb ik geschreven dat het letterlijke, aardse Jeruzalem van het Messiaanse Rijk niet hetzelfde is als het hemelse Jeruzalem, en waarom dat zo is.

Ook schreef ik dat de offers in de toekomstige tempel in zichzelf geen verzoenende waarde hebben. Dat heeft alleen het offer van Christus. Zoals de oudtestamentische offers vooruitwezen naar het offer van Christus, zo zullen de offers van de nieuwe tempel daarheen terugverwijzen. Dat blijft zinvol, wat jij ook zegt, net zoals het Avondmaal, de herinnering aan Christus’ offer, zinvol is.

Het feit dat er vandaag een geestelijke tempel, een geestelijke stad en een geestelijk volk bestaan, is geen bewijs dat er straks niet een letterlijke tempel, een hersteld Jeruzalem en een hersteld volk Israël kunnen bestaan. En dat zullen ze, als je de Bijbelse profetieën tenminste tot op de letter serieus neemt.

Net als in de vorige brief moet ik erop wijzen dat jij uitgaat van het supersessionisme, onnauwkeurig de ‘vervangingstheologie’ genoemd. Dat maakt de hele discussie zo lastig, want daarvoor moet dat hele supersessionisme op de schop genomen worden. En dat kan niet in een paar brieven. Dat heb ik elders gedaan. Ik zou zeggen, Jeroen: lees mijn boeken!

Als je dit allemaal op je laat inwerken, is het niet moeilijk te concluderen dat de wederkomst van Christus onmogelijk al kan hebben plaatsgevonden

Kan de wederkomst al hebben plaatsgevonden?

Jammer, Jeroen, dat je de discussie over dat preterisme van jou zo vlot aan de kant schuift. De wederkomst van Christus kan nog helemaal niet hebben plaatsgevonden, aangezien die wederkomst verbonden is met gebeurtenissen die nog helemaal niet hebben plaatsgevonden. Ik noem de volgende.

Jezus zal neerdalen op de Olijfberg (Zacharia 14:4-5; Handelingen 1:11). Daar was in het jaar 70 totaal geen sprake van.

Zijn wederkomst zal pas plaatsvinden als alle vijandige legerscharen zich verzameld zullen hebben om tegen het Lam te strijden (Openbaring 17:13-14). Ook daar was in het jaar 70 geen sprake van. De Romeinen wisten helemaal niet van het Lam af.

‘Aller oog zal Hem zien’ (Openbaring 1:7). Dat wil zeggen: de hele wereld zal binnen de kortste tijd van Jezus’ wederkomst weet hebben. Maar een ‘wederkomst’ in het jaar 70 heeft niemand gezien of vernomen. Zelfs de kerkvaders en de reformatoren hebben er geen vermoeden van gehad. Het preterisme is een theorie die nog geen 150 jaar oud is.

Jezus zal terugkomen met de verheerlijkte heiligen (Kolossenzen 3:4; 1 Thessalonicenzen 3:13, vergelijk 2 Thessalonicenzen 1:10; Openbaring 19:14). Daartoe zullen die heiligen eerst door Hem moeten worden opgenomen. Dat is uiteraard nog nooit gebeurd.

Let wel: die uitdrukking ‘verheerlijkte heiligen’ gaat veel verder dan de ‘heilige engelen’ (Markus 8:38; Lukas 9:26). Ook betreft het hier niet de ontslapen gelovigen, want die zullen eerst opstaan en tot Christus opgenomen moeten worden (1 Thessalonicenzen 4:16).

Na de wederkomst van Christus breken de duizend jaren van Zijn regering aan (Openbaring 19 en 20). De Messias zal heersen in recht en gerechtigheid (Jesaja 32). Hij zal zitten op de troon van David (Jesaja 9:6; Lukas 1:32), en die staat nog steeds niet in de hemel, maar op aarde, in Jeruzalem. De opgestane hemelse heiligen zullen met Hem de regering uitoefenen.

Als je dit allemaal op je laat inwerken, is het niet moeilijk te concluderen dat de wederkomst van Christus onmogelijk al kan hebben plaatsgevonden. Trouwens, als jouw supersessionisme niet klopt, Jeroen, blijft er ook van jouw preterisme niet veel over.

‘Dit geslacht’ en de verheerlijking van Jezus

Preteristen wijzen graag op Mattheüs 16:28, ‘het koninkrijk komt spoedig’. Maar dat vers gaat in vervulling in de passage die er onmiddellijk op volgt. ‘Sommigen’ die daar bij Jezus stonden, onder wie Petrus, genoten het voorrecht om op de berg van de verheerlijking Jezus in Zijn koninklijke waardigheid te aanschouwen.

Hijzelf zal bij Zijn komst afrekenen met de goddelozen van deze wereld, en niet eerder. In het jaar 70 is er totaal niet met de goddelozen afgerekend.

Jezus werd in hun bijzijn van gedaante veranderd (Mattheüs 17:2). Zijn gezicht straalde als de zon (vergelijk Mattheüs 13:43) en Zijn kleren werden wit als het licht (vergelijk 2 Petrus 1:16). Dit tafereel vormde een prachtige voorafschaduwing van Zijn heerlijkheid tijdens Zijn wederkomst en tijdens het Messiaanse Rijk. In het licht van Mattheüs 16:28 kunnen we zeggen dat Jezus hier gezien wordt in de heerlijkheid waarmee Hij zal verschijnen bij Zijn wederkomst (vergelijk Handelingen 26:13; Openbaring 1:16).

In Mattheüs 24:34, ‘dit geslacht’, vinden we het Griekse woord genea. Dat betekent soms ‘generatie’, maar hier eerder ‘dit soort mensen’. Jezus benadrukt dat, hoe wijd en zijd het Evangelie ook verkondigd zal worden en hoeveel mensen er ook tot geloof in Hem zullen komen, de goddelozen er zullen zijn tot aan Zijn wederkomst. Hijzelf zal bij Zijn komst afrekenen met de goddelozen van deze wereld, en niet eerder. In het jaar 70 is er totaal niet met de goddelozen afgerekend.

Hoe ‘spoedig’ is spoedig?

De uitspraak ‘De komst van de Heer is nabij’ (Jakobus 5:8) en Jezus’ woord ‘Ik kom spoedig’ (Openbaring 22:7, 12 en 20) hangen van iemands tijdsbeleving af. Als voor God één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag (2 Petrus 3:8), dan begrijpen we waarom Jezus kon zeggen dat Hij ‘spoedig’ zou komen en dat de toekomstige dingen ‘nabij’ zijn. Zie ook Filippenzen 4:5, 1 Petrus 4:7, Openbaring 1:3 en Openbaring 22:10.

Maar die tijdsbeleving is relatief. Diezelfde Jezus geeft in de drie gelijkenissen van Mattheüs 24 en 25 aan dat Zijn wederkomst weleens veel langer op zich zou kunnen laten wachten dan de discipelen meenden. Zie Mattheüs 24:49, ‘Mijn heer blijft uit’, Mattheüs 25:6, waar de meisjes tot middernacht moesten wachten, en Mattheüs 25:19: ‘Na lange tijd…’

Die vervulling is gekoppeld aan de zichtbare wederkomst van Christus, de vestiging van Zijn Rijk en het herstel van Israël.

Nog niet alle profetieën zijn vervuld

Ik eindig ook met een wens. Namelijk dat de gemeente van Jezus Christus gaat beseffen dat God onder ons woont, maar ook dat vele van Gods profetieën vandaag nog niet vervuld zijn. Die vervulling is gekoppeld aan de zichtbare wederkomst van Christus, de vestiging van Zijn Rijk en het herstel van Israël.

Over dit laatste zou ik nog wel wat meer van je willen horen, Jeroen! Vertel me dan tegelijk of, als alle profetieën al vervuld zijn, ook de opstanding van de doden en het aanbreken van de nieuwe hemel en aarde al hebben plaatsgevonden.

Alvast bedankt!

Hartelijke groet,

Willem

3 A – Slotbrief Jeroen Koornstra – ‘De nieuwe hemel en aarde zijn gekomen’

‘De wederkomst van Christus kan nog helemaal niet hebben plaatsgevonden’, stelde prof. dr. Willem Ouweneel in zijn vorige brief. In deze derde en laatste bijdrage reageert Jeroen Koornstra op Ouweneels bezwaren tegen het preterisme. Hij gaat onder meer in op de troon van David, het herstel van Israël en de uitleg van oudtestamentische profetieën. Ook beantwoordt hij Ouweneels vraag of volgens zijn visie de nieuwe hemel en aarde al zijn aangebroken.’

Beste Willem,

We hebben gemeenschappelijk dat we beiden menen ons aan de eindtijdscenario’s van het Nieuwe Testament te houden. Maar het blijft me verbazen hoe je die Bijbelgedeelten leest. Je hebt een erg aardse verwachting. Blijkbaar zie je alle geestelijke vervulling als tijdelijke bijzaak en blijf je uitkijken naar een fysiek waarneembare vervulling.

Dat geen van de apostelen dat doet, en Jezus Zelf ook niet, blijkt geen indruk te maken. Bijvoorbeeld: van een landbelofte is in het Nieuwe Testament werkelijk nergens sprake. Hoe zou dat komen? Het was even wachten tot je de supersessionismekaart zou trekken, maar hier zijn we dan weer beland. Geheel naar verwachting, omdat je Israëlvisie bepalend is voor je eschatologie.

Ik geef dan ook opnieuw mijn antwoord daarop: ik hang geen vervangingstheologie aan, maar een vervullingstheologie. De vervulling is te vinden in Jezus Christus. Er is maar één Weg voor Jood en heiden.

De Olijfberg en Gods oordeel

Hoewel de ruimte beperkt is, zal ik kort reageren op je punten. Zacharia 14:4-5 zegt dat JHWH Zijn voeten op de Olijfberg zal zetten en deze zal splijten. Het is figuurlijk taalgebruik, zoals we ook in Micha 1:3-4 lezen. God daalt neer, bergen smelten en dalen splijten. Verwacht je daar ook dat Jezus letterlijk zal neerdalen? Micha’s profetie is vervuld toen de tien noordelijke stammen overheerst werden door de Assyriërs. Met soortgelijke woorden kondigt Zacharia aan hoe God ingrijpt en orde op zaken stelt.

Openbaring 17:13-14 spreekt over het Lam dat in het visioen gezien is. Dat de Romeinen niet bezig waren met het Lam, is zeker waar. De Romeinen waren een instrument, zoals volken dat in het Oude Testament ook waren, een roede in Gods hand. Vergeet niet dat de vernietiging van Jeruzalem Gods oordeel was over Israël. Jeruzalem heeft de profeten gedood en het Lam ook! (Mattheüs 23:35-37)

Openbaring 1:7 zegt dat elk oog Hem zal zien en spreekt over de stammen van het land, niet van de hele aarde. Daar ben je het gelukkig mee eens.

Het is dan ook logisch om niet de hele aarde te betrekken bij ‘elk oog’. Daarbij komt dat het zien typisch taalgebruik is voor het herkennen en ervaren van Gods oordeel. Zie bijvoorbeeld Job 19:27 en Jesaja 17:7. Het is duidelijk dat de vernietiging van de tempel en de val van Jeruzalem niemand ontgaan zijn.

1 Thessalonicenzen 3:13 is een verwijzing naar Zacharia 14:5, waar de Heer komt met de heiligen. Dat zijn engelen. Ook Judas 14 spreekt op dezelfde wijze over Gods oordeel, wederom met engelen.

Het Nieuwe Testament ademt urgentie

Het hele Nieuwe Testament ademt urgentie en wijst naar de toen aanstaande komst van Christus. Ik ben bekend met de futuristische pogingen om van ‘spoedig’ iets anders te maken dan wat het betekent. Wellicht kunnen Handelingen 12:7, Handelingen 25:4 en 1 Timotheüs 3:14 helpen om een beter begrip van het woord tachos te krijgen?

De ’troon van David’ is een beetje een stokpaardje van je. Je eist van Jezus dat Hij op een fysieke troon in Jeruzalem moet gaan zitten. Maar de woorden ’troon van David’ verwijzen niet naar een locatie of fysieke troon. Ze doelen op het koningschap. Petrus verkondigt in Handelingen 2:29-36 expliciet dat de belofte aan David, uit 2 Samuël 7 en Psalm 132:11, met Christus’ opstanding en hemelvaart vervuld is. God heeft Christus doen opstaan om Hem op Zijn troon te zetten.

Mooi dat je Jesaja 32 aanhaalt, waar gesproken wordt over het uitgieten van de Geest. Dat is duidelijk vervuld in Handelingen. Paulus maakt ook helder wat het Koninkrijk van God is: vrede, gerechtigheid en vreugde in de Heilige Geest (Romeinen 14:17). Dat zijn niet toevallig woorden uit Jesaja 32, maar ze worden anders toegepast dan je wellicht zou willen.

Je verwachting is dat Jezus terugkomt en als koning in Jeruzalem gaat regeren. Dat is in essentie niet anders dan Israël dat een aardse koning wilde.

Een hemels koningschap

Jezus zegt dat Zijn koningschap, Zijn Koninkrijk, niet van deze wereld is. Nergens zegt Hij ooit in Jeruzalem op een troon te gaan zitten. Hij wijst altijd op de hemelse regering (Mattheüs 26:64; Markus 14:62). Hem is alle macht gegeven in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18). Dat is Jeruzalem incluis en daarmee de vervulling van Daniël 7:13-14.

Het is precies zoals met Jezus’ hogepriesterschap. Dat zal Hij nooit uitoefenen in een tempel in Jeruzalem. Net zo min oefent Hij Zijn koningschap uit op een troon in Jeruzalem.

Je verwachting is dat Jezus als mens terugkomt en als koning in Jeruzalem gaat regeren. Dat is in essentie niet anders dan Israël dat een aardse koning wilde en daarmee God als Koning verwierp (1 Samuël 8:7). Ik bespeur dezelfde houding. Je erkent het, maar neemt er geen genoegen mee dat Jezus een hemels koningschap voert. Let wel: Zijn verhoging aan de rechterhand van God is een terugkeer naar het ideaal waarin God regeert, zoals altijd al de bedoeling was. Een goddelijke, hemelse regering over de hele schepping.

Vanuit de Vergadering wordt onderscheid gemaakt tussen twee tronen, in de hemel en op aarde. De troon van David en de troon van de HEERE zijn echter niet zo strikt van elkaar te scheiden. Een duidelijk voorbeeld is hoe Salomo op de troon van David plaatsnam en deze de troon van de HEERE genoemd wordt (1 Kronieken 29:23).

Met een letterlijke interpretatie komen we als lezer vaker in de knoop. Een voorbeeld. Jezus heeft nooit letterlijk vrijlating aan gevangenen of opening van de gevangenis gepredikt (Jesaja 61:1; Lukas 4:19), tenzij je dit geestelijk begrijpt. Een halsstarrige eis dat dit letterlijk vervuld had moeten worden, zou zelfs tot het afwijzen van Jezus als Messias kunnen leiden.

De profeten profeteerden over de tijd van Petrus en de medegelovigen, niet over te verwachten gebeurtenissen tweeduizend jaar later.

De profeten en hun vervulling

Steeds wordt in het Nieuwe Testament verwezen naar het Oude Testament en daarmee aangetoond dat de geestelijke vervulling precies dat is wat de profeten verkondigden. Jezus zei “dat veel profeten en rechtvaardigen verlangd hebben te zien wat u ziet” (Mattheüs 13:17). Petrus verklaart dat profeten gezocht en gespeurd hebben en daarmee hen dienden aan wie het Evangelie verkondigd is. De profeten profeteerden dus over de tijd van Petrus en de medegelovigen, niet over te verwachten gebeurtenissen tweeduizend jaar later.

Het herstel van Israël was gaande. Zoals in Ezechiël 36 tot en met 38 geprofeteerd is dat God Zijn Geest zou zenden, zo geeft Petrus aan dat dit in zijn tijd zou gebeuren. Niet verrassend is dat dit in lijn ligt met Jezus’ antwoord op de vraag over het herstel van Israël (Handelingen 1:6).

De discipelen vragen naar het Koninkrijk onmiddellijk nadat Jezus zegt dat ze met de Heilige Geest gedoopt zullen worden. Zij weten, na veertig dagen onderwijs, dat de gave van de Geest alles te maken heeft met het herstel van Israël. Zie Ezechiël 37, Joël 2:28, Jesaja 32:15 en Jesaja 44:3.

Verwachtingen en de komst van Christus

Volgens mij verschilt je houding niet veel van die van de Joden die de Gezalfde niet erkenden. Jezus voldeed niet aan hun verwachtingen. Daardoor hebben ze Hem niet erkend en vervolgens afgewezen. Zo voldoet Christus’ komst in het jaar 70 niet aan de verwachtingen van veel christenen en gebeurt hetzelfde. Ze erkennen de parousia niet en hebben daarom een futuristisch eindtijdmodel geschetst waarin Jezus wel aan hun verwachtingen voldoet.

Is de nieuwe hemel en aarde gekomen? Ja.

Toen de tempel verdween, zijn hemel en aarde voorbijgegaan en is Jezus gekomen in Zijn Koninkrijk.

Het schudden van hemel en aarde in Haggaï 2:22 gaat over het verdwijnen van een koninkrijk. De nieuwe hemel en aarde betreffen de komst van Gods Koninkrijk. In Jesaja 51:16 lezen we hoe God hemel en aarde grondvest. Dat betekent: Hij bekrachtigt Zijn verbond met de woorden: ‘U bent Mijn volk.’ Het is verbondstaal. Toen de tempel verdween, zijn hemel en aarde voorbijgegaan en is Jezus gekomen in Zijn Koninkrijk (Mattheüs 16:28).

De opstanding van de doden

De opstanding van de doden is een te groot onderwerp voor deze brief. Graag verwijs ik naar een gloednieuwe uitgave van Arrowz. André Wolthuis schrijft erover in Volheid, hoofdstuk 55.

Willem, je kijkt uit naar 2030 tot 2033, omdat er dan tweeduizend jaar voorbijgegaan zijn na de hemelvaart. Misschien kunnen we in een nieuwe briefwisseling in 2034, Deo volente, daarop terugkomen?

Dank voor de tijd die je hebt willen besteden aan onze briefwisseling. Ik waardeer het!

Hartelijke groet,

Jeroen

3 B – Slotbrief Willem Ouweneel: ‘Niets is zo kwetsend als wanneer de ander je niet begrijpt’

‘De nieuwe hemel en aarde zijn gekomen’, stelde Jeroen Koornstra in zijn derde en laatste brief. In deze slotbijdrage reageert prof. dr. Willem Ouweneel nog eenmaal op Koornstra’s preteristische visie. Hij benadrukt dat hun meningsverschillen volgens hem voortkomen uit fundamenteel verschillende theologische denkkaders. Ook verdedigt hij opnieuw zijn verwachting van een toekomstige wederkomst van Christus, het herstel van Israël en een aards Messiaans Rijk.

Beste Jeroen,

Dank voor je derde brief. Onze hele discussie gaat ten diepste om de achterliggende ‘denkkaders’: supersessionisme versus antisupersessionisme en preterisme versus antipreterisme. Zie daarvoor mijn vorige brieven. Die verschillen gaan veel verder dan meningsverschillen over de uitleg van bepaalde Bijbelteksten. Achter elke Bijbeluitleg zit altijd het denkkader van waaruit de uitlegger redeneert. Die denkkaders zijn ook zó verschillend dat mensen binnen ‘denkkader A’ het heel lastig vinden om mensen vanuit ‘denkkader B’ überhaupt te begrijpen.

Jouw fout is dat jij ‘geestelijk’ tegenover ‘aards’ of ‘fysiek waarneembaar’ stelt. Maar ‘geestelijk’ staat tegenover ‘vleselijk’.

Geestelijk en aards

Dat zie ik ook bij jou, Jeroen. De enorme verschillen tussen onze denkkaders blijken al uit jouw vierde zin. Jij zegt tegen mij: ‘Blijkbaar zie je alle geestelijke vervulling als tijdelijke bijzaak, en blijf je uitkijken naar een fysiek waarneembare vervulling.’ Sorry, Jeroen, maar dan begrijp je niets van mij.

Alle geestelijke vervulling is voor mij juist hoofdzaak. Jouw fout is dat jij ‘geestelijk’ tegenover ‘aards’ of ‘fysiek waarneembaar’ stelt. Maar ‘geestelijk’ staat tegenover ‘vleselijk’, niet tegenover aards. Het Oude Testament staat vol aardse beloften. Al aan de aartsvaders werden een aards volk, een aards land, een aards koningschap en een aardse tempel beloofd. Die beloften waren voluit geestelijk. Dat geldt evengoed voor de aardse beloften in de profetische Bijbelboeken. Maar supersessionisten zoals jij ‘vergeestelijken’ die allemaal weg.

Een tweede misverstand is jouw stelling: ‘Er is maar één Weg voor Jood en heiden.’ Alsof ik iets anders zou suggereren! Er is maar één weg tot eeuwig behoud voor Jood en heiden, en die is gelegen in het verzoeningswerk van Christus. Geen Jood zal deel krijgen aan het Messiaanse Rijk zonder dit geloof. Jeroen, wat heeft onze discussie voor zin als je uitgaat van zulke enorme misvattingen ten aanzien van je opponent?

Het komt erop neer dat volgens supersessionisten bijna alles in de profetische boeken figuurlijk is.

 Figuurlijk taalgebruik

De wijze waarop je ‘kort’ op mijn ‘punten reageert’, had ik helemaal kunnen voorspellen, na zeventig jaar ervaring met supersessionisten. De profeten gebruiken volgens jou figuurlijk taalgebruik overal waar zij iets zeggen wat niet in jouw denkkader past. Het komt erop neer dat volgens supersessionisten bijna alles in de profetische boeken figuurlijk is.

Wat Openbaring 1:7 betreft: ik houd vol dat geen enkele inwoner van Palestina in het jaar 70 Jezus heeft zien neerdalen uit de hemel. Hetzelfde geldt voor alle grote christendenkers tot op heden. Ze zagen het niet omdat het niet gebeurd is, niet omdat ze het niet wilden zien.

De ‘heiligen’ zijn in het Nieuwe Testament altijd gelovigen, wel te onderscheiden van de ‘heilige engelen’. Ga de teksten maar na.

In Mattheüs 24 en 25 is helemaal geen urgentie ten aanzien van Jezus’ wederkomst te bespeuren. Integendeel. Het gaat allemaal om waarschuwingen dat de wederkomst weleens heel lang op zich zou kunnen laten wachten. Dat zie je al in Mattheüs 24:6-12. Er zullen eerst nog oorlogen, opstanden en verdrukkingen komen, plus vele valse profeten en toenemende wetteloosheid.

Dat einde kan pas komen als het ‘evangelie van het koninkrijk’ over het hele aardrijk is gepredikt.

En dan is het nog steeds niet het einde. Dat duurt blijkbaar nog eeuwen. Dat einde kan inderdaad pas komen als het ‘evangelie van het koninkrijk’ over het hele aardrijk is gepredikt (vers 14). Dat tijdstip is pas in de twintigste eeuw bereikt! Trouwens, was de ‘verdrukking’ rond het jaar 70, waarover vers 21 spreekt, werkelijk de ergste die de wereld ooit is overkomen? Alleen al de middeleeuwse Jodenvervolgingen en de Holocaust waren vele malen erger.

De troon van David en Gods koninkrijk

‘Eis’ ik iets van Jezus? Wat een malligheid. Ik stel alleen maar vast dat aan Hem de ’troon van David’ is beloofd. Zie ook Jesaja 9:6 en 16:5. Ik heb nergens gelezen dat die troon naar de hemel verhuisd zou zijn. Het zoveelste voorbeeld van supersessionistische inlegkunde. De hemelse troon en de aardse troon zijn beide ’troon van JHWH’. Maar dat maakt ze niet identiek, net zoals hemel en aarde niet identiek zijn.

Paulus geeft in Romeinen 14:17 enkele kenmerken van het Koninkrijk van God, maar daarmee is dat Koninkrijk niet gedefinieerd. Het Koninkrijk van God is de heerschappij van Christus. Nu nog in het verborgene, vanuit de hemel, zie Hebreeën 2:9. Na Zijn wederkomst zal die heerschappij in het openbaar plaatsvinden, op aarde, maar nog steeds vanuit de hemel.

De landbelofte

Als Jezus of de apostelen iets nergens zeggen, betekent dat niet dat dat ‘iets’ niet waar zou kunnen zijn. De landbelofte hoefde bijvoorbeeld niet herhaald te worden, omdat de oudtestamentische profetieën er vol van zijn, mits die serieus en letterlijk genomen worden. Supersessionisten doen dat nooit. Zij ‘vergeestelijken’ ze net zolang weg totdat ze in hun denkkader passen. Al had die landbelofte wél in het Nieuwe Testament gestaan, zie bijvoorbeeld Openbaring 11:2, dan zouden supersessionisten die tekst meteen weer ‘wegvergeestelijkt’ hebben. Dat gaat op het trieste af.

Je probeert dat helemaal te reduceren tot de aardse aspecten en maakt het daarmee belachelijk.

De profeten zeggen meermalen dat de Joden eenmaal uit alle landen van de wereld, dus niet alleen uit de Babylonische ballingschap, zullen terugkeren naar het Beloofde Land. Dan zal de Messias tot hen neerdalen in datzelfde Beloofde Land. Tjonge, je zal dat allemaal moeten ‘vergeestelijken’!

Hemels én aards

Eigenlijk geloof ik niet, Jeroen, dat je veel begrijpt van mijn antisupersessionisme. Je probeert dat helemaal te reduceren tot de aardse aspecten en maakt het daarmee belachelijk. Ik zeg je: Jezus regeert nu al vanaf Zijn hemelse troon en zal straks óók regeren vanaf Zijn aardse troon, en wel na Zijn wederkomst. Jezus’ hogepriesterschap is thans in de hemel en zal zich straks óók uitbreiden tot de aardse tempel, en wel na Zijn wederkomst. Het is niet of-of. Hij omvat het al.

Jouw onbegrip leidt tot diverse bijna beledigende uitspraken. Daarin stel je mij enerzijds op één lijn met het ongelovige Israël uit 1 Samuël 8 en anderzijds met het Israël dat Jezus heeft afgewezen en ter dood heeft veroordeeld. Hoe ben je tot deze kwalijke beschuldigingen gekomen? Door eerst een volstrekt eenzijdige persiflage van mijn visie te presenteren.

Jammer dat je je afmaakt van mijn vraag over de opstanding der doden. Ik had graag willen horen over de ‘eerste opstanding’, bij Jezus’ wederkomst, en de ’tweede opstanding’, na het Messiaanse Rijk. Zie Openbaring 20. Geen onbevooroordeelde uitlegger zou daar één of twee figuurlijke ‘opstandingen’ van maken. Een geestelijk ‘opgewekt’ worden, bijvoorbeeld in Efeziërs 2:6, is iets anders dan opstaan uit de graven. Zie bijvoorbeeld Ezechiël 37:12-13 en Mattheüs 27:52-53.

Jammer dat je niet ingaat op Romeinen 9 tot en met 11, dat ik noemde. Zelfs oergereformeerden hebben toegegeven dat het hier alleen om het etnische Israël kan gaan, dus óók in Romeinen 11:25-27.

Jammer dat je niet ingaat op Openbaring 7, dat ik noemde. Daar wordt onderscheid gemaakt tussen de 144.000 gelovigen uit de twaalf stammen van Israël en het ontelbare aantal gelovigen uit de niet-Joden. Alleen supersessionisten maken daar meteen één Kerk van.

Jammer dat er geen tijd meer is om van je te horen wie degenen zijn die bij Jezus’ wederkomst zijn ‘meegenomen’, of ‘weggenomen’, en wie er toen werden ‘achtergelaten’ (Mattheüs 24:39-41). Jammer dat je geen tijd meer hebt om uit te leggen welke ‘slaven’ er bij Christus’ wederkomst ‘over al zijn bezittingen’ zijn gesteld en welke er toen in tweeën zijn gehakt (Mattheüs 24:45-51). Ik kan de manieren waarop je zulke teksten behandelt wel weer voorspellen: het wordt allemaal ‘wegvergeestelijkt’. Maar dat maakt jouw preterisme er niet geloofwaardiger op.

Spijt van het debat

Jeroen, achteraf heb ik er spijt van dat ik al te naïef op deze hele discussie ben ingegaan. Ik had eerst van jou moeten vergen dat je je echt in mijn theologische denkkader zou verdiepen, bijvoorbeeld door eerst mijn De toekomst van God en Het Israël van God te lezen. En neem Het heil van God er ook bij.

Dus nee, Jeroen, ik ga niet een nieuw debat met je beginnen. Dat heeft geen enkele zin. Niets is zo kwetsend in zo’n debat als het feit dat de ene partij de andere partij niet eens begrijpt, laat staan zou kunnen weerleggen.

Niettemin een hartelijke broedergroet,

Willem

_____________________________________________________

Meer informatie?

Voor meer informatie over het Preterisme zie de gelijknamige rubriek op deze website.

Voor meer informatie over de veranderde visie van Ouweneel over de Grote Verdrukking lees o.a. het boek met de titel: Het Lam, de draak en de Domtoren – Uitgeverij Gideon

Bron: Cvandaag.nl

——————————————————————————————————–