“Opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En ónze gemeenschap nu is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus.” (1:3)
We lezen regelmatig in deze brief een aantal keren de woorden: ”Als we zeggen…” (1:6,8,10) of “Wie zegt…” (2:4,9). Deze uitdrukkingen worden dan gevolgd door een correctie. Want ons zeggen en doen komen niet altijd overeen en dat gaat ook op voor het onderwerp gemeenschap! Het woord ‘gemeenschap’ geeft aan dat we iets gemeenschappelijks hebben, in ons geval gemeenschap met de Vader, zijn Zoon en de Heilige Geest maar ook met medegelovigen (2Kor.13:13). De ene, unieke gemeenschap tussen de Vader en de Zoon begon in de eeuwigheid, werd in de tijd geopenbaard door de incarnatie van de Zoon, werd aan de apostelen voorgesteld en vervolgens, via de apostelen, uitgebreid naar iedere gelovige. Zij die tot deze gemeenschap toetraden door geloof in Christus, werden leden van Gods familie. Dat alles is uit God “door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van zijn Zoon Jezus Christus onze Heer.” (1Ko1:9) We zien die behoefte aan gemeenschap duidelijk tot uitdrukking komen wanneer de Heer Jezus de twaalf discipelen roept en aanstelt. “En Hij klom op de berg en riep bij Zich hen die Hijzelf wilde, en zij kwamen naar Hem toe. En Hij stelde er twaalf aan, die Hij ook apostelen noemde, opdat zij bij Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken en om macht te hebben de demonen uit te drijven.” (Mark.3:13-15) De woorden: “Opdat ze bij Hem zouden zijn!” vinden we alleen in het evangelie naar Markus. Deze mannen bleven bij Hem als zijn constante en naaste metgezellen. Veel mensen volgden Jezus en luisterden naar Hem, maar deze twaalf behoorden tot de meest intieme kring die Jezus vergezelden.
Voorwaarden voor gemeenschap – Wandel in het licht
‘Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar.’ (1:7)
“God licht is en in Hem is in het geheel geen duisternis.” (1Joh.1:5) Wij zijn gered uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde (Kol.1:13). “U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht.” (1Petr.2:9) En vanwege die positie is uiteraard ook een wandel in het licht een vereiste. “Weest heilig, want Ik ben heilig” (1Petr.1:16). We zijn kinderen van het licht (1Thes.5:5) en als in ons het licht schijnt wordt openbaar wat wij in Christus geworden zijn, kinderen van het licht, kinderen van God (Ef.5:8-13). Licht brengt leven, groei en schoonheid voort, maar zonde is duisternis; en duisternis en licht kunnen niet samengaan. Als we in het licht wandelen, moet de duisternis verdwijnen. Als we vasthouden aan zonde, verdwijnt het licht. Maar er ontstaat ook nog iets anders ook wanneer het licht verdwijnt; onze gemeenschap met de Vader en de Zoon wordt verstoord. Waardoor kan het licht verstoord worden? De volgende verzen spreken ons over zonden die in ons leven kunnen voorkomen. Wanneer we niet meer in het licht wandelen, wandelen we in de duisternis. Alleen een wandel in het licht garandeert een gemeenschap met elkaar; de gelovige en de Heer (1:7). Om niet van de weg af te geraken en in de duisternis terecht te komen, dienen we dagelijks Gods Woord te raadplegen. “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.” (Ps.119:105)
Behalve de bron van het leven is God ook “licht”, en in Zijn licht “zien wij het licht.” Het licht zien is verbonden zijn met het ‘leven’; leven en licht horen bij elkaar. Dat is in Christus waar te nemen: “In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.” (Joh.1:4). Dat wil zeggen dat het licht de gelovige de weg laat zien in de duisternis waarin de wereld is gehuld. “Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.” (Joh.8:12)
Belemmeringen voor gemeenschap – De zonde doen
‘Eenieder, die in Hem blijft, zondigt niet; eenieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend.’ (3:6)
“In Hem blijven” is de opdracht opdat de zonde, die in mij woont, geen gelegenheid krijgt om mij te doen zondigen. “Want wat ik doe, weet ik niet; want niet wat ik wil, bedrijf ik, maar wat ik haat, dat doe ik. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, stem ik met de wet in dat zij goed is. Maar dan ben ik het niet meer die het doe, maar de zonde die in mij woont. Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik. Als ik nu dat doe wat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde die in mij.” (Rom.7:15-20) “De zonde die in mij woont”, dat is iets om terdege rekening mee te houden! We hebben veel vijanden rondom ons, maar ook in ons en er is een strijd te voeren! “Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt.” (Gal.5:17)
Dit is één van de grote mysteries van het christelijk geloof: het feit dat christenen, hoewel gereinigd van zonde, nog steeds kunnen zondigen. De zonde heeft in principe geen macht over de gelovige (Rom.6:6-7)! Door onze ware verbondenheid met Christus in zijn dood en opstanding hebben we een nieuwe kracht ontvangen om nee te zeggen tegen verleiding (1Kor.10:13) en ja te zeggen tegen een rechtvaardig leven (Rom.6:11-14). Ten tweede maakt onze oude, egoïstische, zondige natuur ons kwetsbaar voor verleiding. Als gevallen, maar verloste mensen die in een gevallen wereld leven, zullen we altijd worstelen met zonde. In het licht van deze feiten, dienen wij ons van onze zwakheid bewust te zijn en dat tegenover God moeten erkennen. Vertrouw op Hem voor de kracht om te leven zoals Hij gebiedt. Wanneer je faalt, ren dan naar Hem toe, niet van Hem weg, want Hij staat klaar om ons te vergeven, te reinigen en kracht te geven. ‘Het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.’ (1Joh.1:7) ‘En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus.’ (1Joh.2:1)
Kenmerken van gemeenschap – Liefde in actie!
“Want dit is de boodschap die u van het begin af hebt gehoord, dat wij elkaar zouden liefhebben.’”(3:11)
Wanneer we in gemeenschap met God zijn en in het licht wandelen, wandelen we ook in liefde. Het is een fundamenteel geestelijk principe dat christenen die geen gemeenschap met God hebben, niet met Gods volk kunnen opschieten. We zijn allemaal leden van Gods familie, dus we dienen elkaar liefhebben. Dit was zelfs al een ‘oud gebod’ in de tijd van Mozes (Lev.19:18). In de brieven van Johannes moet alle gepraat over iemands leven in God getoetst worden aan hoe iemand leeft met zijn of haar metgezellen in Christus. Dit leidt tot een van de hoofdthema’s in deze brieven: liefde voor God moet getoond worden in liefde voor anderen. Als we Johannes zouden vragen wat de boodschap was die hij uit deze brieven wilde halen, zou hij waarschijnlijk zeggen: “Heb elkaar lief.” Dit gebod kwam niet van Johannes, maar rechtstreeks van Jezus. “Hieraan zullen allen weten dat u mijn discipelen bent, als u liefde hebt onder elkaar hebt.’ (Joh.13:35; 15:17). Johannes herhaalde dit gebod vaak (1 Joh.2:7, 3:11; 2Joh.:5-6), gebaseerd op de voorafgaande stelling dat, aangezien “God liefde is”, iedereen die beweert God te kennen die natuur moet tonen in zijn of haar relatie met anderen. Deze liefde is het bewijs dat ze werkelijk gered zijn. Het is makkelijk om over liefde te praten en zeggen hoeveel we om mensen geven, maar liefde betekent anderen op de eerste plaats zetten. Liefde is actie, anderen laten zien dat we om ze geven, niet alleen woorden. Om liefde te tonen, moeten we onze tijd en geld opofferen om in de behoeften van anderen te voorzien. Gelovig en ongelovig: “Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God.” (1Petr.2:17)
Gevolgen van gemeenschap – Groei in Christus
“En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. (5:20)
“Wij weten” vinden we veertien keer vermeld in deze brief. En Johannes besluit zijn brief ook met deze woorden, wanneer hij schrijft: “Deze dingen heb ik u geschreven, opdat u weet dat u eeuwig leven hebt, u die in de Naam van de Zoon van God gelooft.” (5:13) Nee, we hoeven niet te twijfelen, we weten dat we eeuwig leven hebben, we weten dat Hij ons hoort als wij bidden; wij weten dat wie uit God geboren is niet zondigt; wij weten dat wij uit God zijn en tenslotte wij weten dat de Zoon van God gekomen is (5:13-20). Johannes sluit af met: “Wij weten… opdat wij de Waarachtige kennen, Deze is de waarachtige God.” Met deze woorden sluit Johannes ‘zijn’ brief af, en bevestigd nogmaals de Goddelijkheid van de Heer Jezus, zoals dat in ‘zijn’ evangelie zo sterk naar voren komt. Die kennis mogen we ons eigen maken en erin groeien. Ook de apostel Petrus’ laatste woorden, die op schrift zijn gesteld wijzen ons daarop: “Maar groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.” (2Petr.3:18) “Christus in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.” (Kol.2:3) Het is te hopen beste lezer dat de Heer Jezus tegen u niet hetzelfde hoeft te zeggen, zoals Hij dat deed tot Filippus. “Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.” (Joh.14:9)