Bijbel – Nieuwe Testament – Markus 10-11 – Jezus intocht in Jeruzalem

23 juli, 2026

Bijbelboeken: Marcus

Bijbel – Nieuwe Testament

Markus 10 – 11

“Jezus’ intocht in Jeruzalem”

Voorwoord

De gebeurtenissen volgden elkaar snel op; het einddoel van de Heer Jezus’ missie was bijna bereikt. Jezus had altijd verboden om Hem bekend te maken maar hier is het andersom (Mat.21:5-11). Het Paasfeest was aanstaande en het Lam van God zou overgeleverd en gekruisigd worden. Het volk had Hem, door toedoen van de Farizeeën en Schriftgeleerden afgewezen: “De overpriesters echter zetten de menigte op.” (Mark.15:11; Mat.26:47) Het oordeel over de Heer Jezus was aanstaande. Voor de discipelen braken er verwarrende tijden aan, en waren met heel andere dingen bezig, namelijk wie aan Jezus’ rechter- of linkerhand mocht zitten in Zijn heerlijkheid (Mark.10:37). In Jeruzalem zou het een grote drukte zijn, want het Paasfeest was nabij (Deut.16:16). We volgen de Heer Jezus in dit artikel in deze laatste dagen van zijn optreden temidden van het volk.

Jezus’ voornemen (Mark.10:32-34)

“Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn.” (Mat.23:37)

Drie keer had de Heer Jezus aangekondigd dat Hij naar Jeruzalem zou gaan en dat hij daar lijden zou ontmoeten van de zijde van de farizeeën en de Schriftgeleerden en dat Hij zou sterven aan een kruis (Mark.8:31v.; 9:31; 10:33). De farizeeën en Schriftgeleerden, de moordenaars van hen die God tot hen gezonden had, stonden nu op om de maat van hun zonden vol te maken, door de Heer Jezus te doden. De Heer Jezus was de laatste die door God tot hen werd gezonden. “Tenslotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.” (Mat.21:37) Maar de verwachting van God werd de bodem in geslagen! Toen de landlieden de Heer Jezus zagen “zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen. En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.” (Mat.21:38-39) Omdat de Heer Jezus alles van tevoren wist, (Joh.13:1) was het zeker geen gemakkelijke weg om naar Jeruzalem te gaan, maar de Heer Jezus was vastbesloten. “Het gebeurde nu, toen de dagen van Zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij Zijn gezicht vastbesloten wendde om naar Jeruzalem te gaan.” (Luk.9:50-51; Jes.50:7). Ja het kruis moest komen vóór de kroon, het lijden vóór de heerlijkheid (Luk.24:26; 1Petr.1:11).

Jezus’ intrede – (Mark.11:1-11)

“Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (Zach.9:9)

Geen “blijde” intrede zoals je zou verwachten wanneer een koning een stad binnenkomt. Geen “welkomstcomité” of iets van dien aard. Geen bloementapijt. Nee, de Heer Jezus kwam Jeruzalem binnen op een veulen en kleren en takken van het veld werden op de weg gegooid. En een onbekende groep mensen liepen voor en achter Jezus aan de stad binnen, roepende: “Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer!” Het is de enige keer geweest dat de Heer Jezus een publieke demonstatie betreffende zijn Persoon heeft toegestaan voor zover de Schrift ons leert. Voor Hem was het dan ook geen “blijde” intrede, maar een intrede die leidde naar het kruis. Werd Hij eerst verwelkomt door deze onbekende groep mensen, “de overpriesters en de oudsten van het volk kwamen bijeen in de voorhof van de hogepriester, Kajafas geheten; en zij beraadslaagden dat zij Jezus met list zouden grijpen en doden.” (Mat.26:3-4) Markus citeert in ‘zijn’ evangelie Zach. 9:9 niet, maar wel Psalm 118:25-26, een messiaanse psalm. Hosanna betekent “Red ons nu, bidden wij!” (“God redt de koning!”). Toen Jezus de stad binnenreed, verkondigde Hij Zijn Koningschap, maar Hij tekende ook Zijn eigen doodvonnis.

Jezus’ onderwijs – (Mark.11:12-14; 20-26)

“En zij stonden versteld over Zijn leer, want Zijn woord was met gezag.” (Luk.4:32)

Oppervlakkig gezien ging het goed met het volk Israël, de buitenkant zag er immers goed uit! Een prachtige tempel; 46 jaren lang was aan deze tempel gebouwd (Joh.2:20). Een mooi religieus systeem van waaruit God gediend werd. Maar dat was allemaal maar schijn. In Jezus’ rede tot de Schriftgeleerden en de farizeeën zien we dat de Heer Jezus er totaal anders over dacht (Mat.23:1-36). Dat komt ook tot uitdrukking in de vervloeking van de vijgenboom. Op het eerste gezicht is dit een raadselachtig wonder. Pasen was niet het seizoen voor vijgen, maar de Heer Jezus had gehoopt vruchten aan de boom te vinden. Toen Hij er geen vond, gebruikte Hij zijn goddelijke macht om de boom te vernietigen in plaats van hem te helpen vrucht te dragen. In feite was de hele gebeurtenis een preek van de praktijk die gevolgd werd. Het is het enige negatieve wonder dat de Heer Jezus heeft verricht. Het spreekt voor zich dat Jezus hier iets mee wilde zeggen. Zoals we weten is de vijgenboom een beeld Israël (Hos.9:10, 16; Jer.8:13; Nah.3:12). En het is normaal dat als je een boom plant, dat het vrucht zou voortbrengen, maar dat was hier niet geval. De Heer Jezus ging kijken maar vond niets dan bladeren, geen vrucht. Van de wortels af aan was deze boom verdord (vs.20) en kon daarom ook geen vrucht voortbrengen. Twee anders lessen vinden we nog in de verzen 20-26. Bergen mogen we zien als grote hindernissen die overwonnen kunnen worden door geloof (Zach.4:7). De tweede les gaat over vergeving. We verdienen Gods vergeving niet door anderen te vergeven, maar door anderen te vergeven, tonen we aan dat we een nederig hart voor God hebben.

Jezus’ optreden – (Mark.11:15-19)

“Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here.” (Mal.3:1)

De Heer Jezus ging onmiddellijk na zijn aankomst in Jeruzalem naar de tempel, en daarna “nadat Hij alles had bekeken vertrok Hij naar Bethanië” (11:11) om de volgende dag terug te keren. Al eerder had de Heer Jezus de tempel gereinigd (Joh.2:13-22) maar de situatie was niet verandert en de handelaars waren teruggekeerd. Hun hart was niet verandert, vandaar dat ze in hun oude gewoonten vervielen en weer handel dreven in de tempel (Vgl. Hand.19:21-41). Voor de Heer Jezus was de tempel meer dan slechts een mooi bouwwerk die door Herodes was opgericht (Joh.2:20). De Heer Jezus noemt het gebouw “het huis van mijn Vader” en, met een verwijzing naar Jesaja 56:7 – “Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken.” (Vs.17) Zijn ijver voor het huis van de Vader had Hem verteerd (Ps.69:10) en dat resulteerde in zijn beschuldigingen tot de geestelijke leiders van het volk. Jezus citeerde Jesaja (56:7) en Jeremia (7:11), die beiden het volk hadden veroordeeld voor hun zonden in de tempel (Jesaja 1; Jeremia 7). Een rovershol is de plek waar dieven zich schuilhouden nadat ze een misdaad hebben begaan. De religieuze leiders gebruikten de aanbidding van God als dekmantel voor hun zonden! “De heiligheid is uw huis tot sieraad.” (Ps.93:6)

Jezus’ gezag – (Mark.11:27-32)

“Want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun Schriftgeleerden.” (Mat.7:29)

Al vrij vroeg in het openbaar optreden van de Heer Jezus, zien we dat Hij door de farizeeën en wetgeleerden niet werd aanvaard. De haat ten opzichte van de Heer Jezus ging zelfs zover dat zij Hem wilden doden (vs.1) Om Hem te doden moesten ze een beschuldiging tegen Jezus kunnen inbrengen. Met welk recht had Hij de tempel gereinigd en gezegd dat het ‘Zijn” huis was (vs.17); dat was een godslasterlijke uitspraak waarop de doodstraf stond! Hij claimde dat Hij God was! De Heer Jezus beantwoord hun vraag met een wedervraag en nam hen mee terug in de tijd, drie jaar eerder, toen Johannes de Doper onder het volk diende. “Waar kreeg Johannes de bevoegdheid voor zijn doop vandaan?” vroeg Jezus. “Was het van God of van mensen?” (Vs.30) Dit bracht de Schriftgeleerden, oudsten en hogepriesters in een lastig dilemma; hoe ze ook antwoordden, ze zaten in de problemen! “Ze waren bang voor de menigten, daar die én Johannes én de Heer Jezus voor een profeet hielden.” (Mark.11:32; Mat.21:46) Deze leiders waren hun besluit over Johannes de Doper misschien vergeten, maar hun besluit was hen niet vergeten. Het haalde hen uiteindelijk in en veroordeelde hen. Ze hadden zich niet onderworpen aan Johannes’ bediening. “En al het volk dat dit hoorde en de tollenaars rechtvaardigden God, daar zij waren gedoopt met de doop van Johannes; de farizeeën en de wetgeleerden echter hebben de raad van God voor zichzelf terzijde gesteld, daar zij niet door hem waren gedoopt.” (Lucas 7:29-30) Daarom waren ze niet bereid Jezus te ontvangen en Hem te vertrouwen. In hun ongeloof en lafheid hadden ze zelfs toegestaan ​​dat Johannes door Herodes Antipas werd gedood; en al snel zouden ze Pilatus vragen Jezus te kruisigen.

De toekomstige intrede

Er komt een moment waarop de Heer Jezus nog een keer de poort van Jeruzalem zal binnengaan, maar dan op een totaal andere manier, dan de eerste keer. De eerste keer kwam Hij in nederigheid op aarde en ging Hij in nederigheid Zijn weg. De intrede die de Heer Jezus toen moest ondergaan was die, die beschreven staat in Zacharia 9:9 – “nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (Zach.9:9) Maar de intrede die nog in het verschiet ligt, zal heel anders zijn: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeen verzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeen verzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten. Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heer.” (Mat.23:37-39) Als de Koning der ere verschijnt, kan er worden gezegd dat de poorten hun hoofden kunnen opheffen of verheffen. Met de komst van de Koning is de tijd van treuren voorbij en is de tijd om feest te vieren aangebroken. “Heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga. Wie is toch de Koning der ere? De Here, sterk en geweldig, de Here, geweldig in de strijd. Heft, poorten, uw hoofden omhoog, en verheft ze, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga. Wie is Hij toch, de Koning der ere? De Here der heerscharen, Hij is de Koning der ere.” (Ps.24:7-10)

________________________________________________________________________________