Bijbel – Nieuwe Testament – Romeinen 15:22-33 – Paulus’ verlangen

27 juli, 2026

Bijbelboeken: Romeinen

Bijbel – Nieuwe Testament

Romeinen 15:22-33

“Paulus’ verlangen”

Inleiding

 “Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.” (Fil.4:6)

Verlangens, wie heeft ze niet! Verlangen is een sterke, emotionele behoefte of hunkering naar iets of iemand. Het is een innerlijke drang naar vervulling die verschillende vormen kan aannemen. Evenals wij had ook de apostel Paulus meerdere verlangens. Verlangen om andere gelovigen weer te zien, om naar ‘huis’ te gaan, en verlangens om andere gelovigen te dienen met het evangelie. De vraag is hoe worden onze verlangens vervuld, op welke wijze krijgen we uiteindelijk wat we verlangen? We denken maar aan de aartsvaders, Abraham, Isaak en Jacob, zij hebben toen niet ontvangen waarnaar ze verlangden, maar ze kregen later een beter, hemels vaderland, zo werd hun beloofd. (Heb.11:13-16). We mogen al onze verlangens voorleggen aan God (Fil.4:6), maar dat wil niet zeggen dat onze verlangens dan ook onmiddellijk in vervulling gaan, dat moeten we aan God overlaten. Daarin was de apostel niet anders dan wij, hij wist zich in zijn handelen afhankelijk van God, en kon niet, en wilde ook niet, datgene doen waar hij zin in had (Rom.1:10). We kunnen vier dingen onderscheiden waarin sprake is van een verlangen bij de apostel Paulus.

Paulus verlangen om Rome te bezoeken

 “Daarom ben ik ook vele malen verhinderd geweest tot u te komen. Maar nu ik in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele jaren groot verlangen heb tot u te komen, zal ik komen wanneer ik naar Spanje reis.” (Rom.15:22-23)

Wat lag ten grondslag aan zijn groot verlangen om naar Rome te gaan? We weten dat Paulus tijdens zijn verblijf in Korinthe, Aquila en Priscilla ontmoette die door het bevel van Claudius dat alle Joden uit Rome moesten vertrekken, daar terecht waren gekomen (Hand.18:2). En van hun hoorde hij vrijwel zeker wat er zich in de gemeenten in Rome afspeelde en wat de problemen daar waren. Dat wekte bij Paulus niet alleen zijn interesse maar ook zijn bezorgdheid, maar hij zag ook kansen om de gelovigen aldaar te dienen met het evangelie. Dat er onder de gelovigen in Rome spanningen waren tussen de joden-christenen en de heiden-christenen over allerlei praktische zaken blijkt wel uit zijn brief aan de Romeinen (Rom.14). In ieder geval waren het zuivere motieven die hij had, maar toch werden zijn verlangens niet vervuld. Reeds jaren voordat hij in Rome kwam had hij reeds de wens openlijk uitgesproken: “Nadat ik daar ben geweest, moet ik ook Rome zien.” (Hand.20:21). Paulus zou Rome zien maar het verliep anders dan hij had gedacht! Want tijdens een bezoek aan Jeruzalem, om de financiële hulp van Macedonië en Achaje naar de behoeftige gelovigen in Jeruzalem te brengen, werd Paulus gearresteerd. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis kreeg hij bezoek van de Heer die hem kwam zeggen: “Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.” (Hand.23:11) En nog later, toen hij terechtstond voor Festus, beroept hij zich op de keizer, waarop Festus hem antwoordde: “Op de keizer hebt u zich beroepen, naar de keizer zult u gaan.” (Hand.25:12). Paulus had gebeden dat hij Rome mocht bezoeken om de christenen daar te onderwijzen. Dat gebeurde ook maar niet dan na een reis vol gevaren (Hand.27-28). Paulus wens was geweest dat hij de gelovigen in Rome mocht bezoeken, maar hier is een uitbreiding van zijn wens, in die zin dat hij ook het evangelie mocht gaan brengen tot in het huis van de keizer (Fil.1:12; 4:22).  Welke les kunnen wij hieruit leren? Wanneer je voortdurend bidt voor iets wat je erg bezighoudt, let dan op de manier waarop God je gebed verhoort.

Paulus’ verlangen om medegelovigen te ontmoeten      

“Maar wij, broeders, die voor een korte tijd, wat het gezicht, niet wat het hart betreft, van u beroofd waren, hebben ons met groot verlangen des te overvloediger beijvert uw gezicht te zien.” (1Thes.2:17)

Paulus’ eerste bezoek aan Thessaloniki was nogal abrupt geëindigd! Wegens tegenstand van de Joden en de vijandigheden die daardoor ontstonden, moest de apostel overhaast vertrekken. Ze werden op borgtocht vrijgelaten en kwamen terecht in Beréa. Pogingen om terug te keren naar Thessaloniki faalden omdat de satan het verhinderde. “Daarom hebben wij – ik, Paulus namelijk – een- en andermaal tot u willen komen, en de satan heeft het ons verhinderd.” (1Thes.2:18) Wat de oorzaak was is niet bekend, maar we weten dat de satan de wil en de macht heeft het werk van God tegen te staan. Maar tegenstand hoeft niet altijd van de satan te komen, ook God kan het nodig achten voornemens te verhinderen. Dat kunnen we opmerken toen Paulus de streken van Frygië en Galatië bezocht. We lezen daar het volgende: “terwijl zij door de Heilige Geest werden verhinderd het Woord in Asia te spreken; en bij Mysië gekomen probeerden zij naar Bithynië te gaan, en de Geest van Jezus liet het hun niet toe.” (Hand.16:6-7) Vanwege zijn overhaast vertrek, waardoor hij geen normaal afscheid had kunnen nemen van de gelovigen, is het begrijpelijk dat de apostel het verlangen had nog een keer de gelovigen in Thessaloniki te bezoeken. Die wens is in vervulling gegaan tijdens zijn derde zendingsreis (Hand.20:1-4). We lezen daar: “En hem vergezelden… van de Thessalonicenzen, Aristarchus en Secundus.” (Vs.4; zie ook Hand.27:2) Mogelijk was ook Demas uit Thessalonica afkomstig (2Tim.4:10). Hoewel Thessaloniki niet expliciet wordt genoemd, behoorde de stad tot de belangrijkste gemeenten in Macedonië, en de formulering “hij trok door die streken” maakt het zeer waarschijnlijk dat hij de gemeente in Thessaloniki opnieuw bezocht. Het is spijtig dat we daarvan geen verslag hebben, want het lijkt mij reuze interessant te weten hoe dat weerzien eruit heeft gezien! Wat we wel mogen aannemen, op grond van het bovenstaande, dat het verlangen van de apostel om de broeders en zuster van de gemeente te Thessaloniki te weer te zien, in vervulling is gegaan!

Paulus’ verlangen medegelovigen te dienen       

“Want ik verlang zeer u te zien, om u enige geestelijke genadegave mee te delen tot uw versterking; dat is, om in uw midden mee vertroost te worden door elkaars geloof, zowel dat van u als dat van mij.” (Rom.1:11-12)

Het verlangen van de apostel Paulus om naar Rome te gaan had tot doel de gelovigen daar te versterken en om elkaar te vertroosten. Paulus had geen behoefte naar Rome te gaan om zich daar te vermaken en te vergapen aan deze grote stad. Nee, hij wilde gaan om broeders en zusters te ontmoeten en hen te bemoedigen in hun wandel met de Heer. Maar hij wilde dit niet doen zonder de Heer daarin te kennen. Dat blijkt wel uit twee zaken, namelijk het gebed en Gods leiding. “Want God, Die ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, is mijn Getuige hoe ik onophoudelijk u gedenk, terwijl ik altijd in mijn gebeden bid of ik wellicht nu eens door de wil van God het voorrecht mocht hebben tot u te komen.” (Rom.1:9-10) Paulus’ onophoudelijk gebed zal het verlangen om de gelovigen in Rome te bezoeken zeker hebben versterkt. Het doel dat Paulus zichzelf stelde was niet zozeer om de gelovigen te onderwijzen in Gods Woord, dat zou ook wel plaatsvinden, maar om elkaar ermee te vertroosten. “Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.” (Rom.15:4) Zo werden de gelovigen in Thessaloniki aangespoord om elkaar te vertroosten door elkaar te wijzen op de komst van de Heer Jezus (1Thes.4:18). Die troost hadden deze gelovigen ook wel nodig, want te leven als gelovige in die grote heidense stad Rome zal zeker niet gemakkelijk geweest zijn. Daar kwam nog bij dat er, niet alleen van buiten gevaar dreigde voor de gemeente in Rome, maar ook van binnen dreigden er gevaren van verdeeldheid, waar voor Paulus waarschuwde (Rom.16:17-18). Daarom hadden ze nodig te volharden in hun geloof. Dat is ook wat wij in onze tijd nodig hebben; volharding! “Want u hebt volharding nodig, opdat u na de wil van God gedaan te hebben de belofte ontvangt. Want nog een zeer korte tijd en ‘Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven.” (Heb.10:36-37) We zijn samen als gelovigen op weg naar Huis, en hoe goed is het als we op elkaar acht geven en elkaar bemoedigen (Heb.10:24-25). De één zij tot steun voor de ander!

Paulus’ verlangen om met Christus te zijn

“Ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” (Fil.1:23)

Het was niet omdat Paulus, die in de gevangenis zat, dat hij deze woorden schreef, dat het zijn verlangen was om met Christus te zijn, als een ontsnapping van de situatie waarin hij zich bevond. Want veiligheid voor een gelovige is niet het ontwijken van kwaad, maar de nabijheid van God! Even verder in de tekst zegt hij: “Want te leven is voor mij Christus en te sterven is winst. Maar moet ik blijven leven in het vlees, dan is dat voor mij de moeite waard, en wat ik moet kiezen, weet ik niet; maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” (Fil.1:21-23) Als Paulus tussen deze twee opties moest kiezen, zou hij dat niet kunnen. Beide keuzes waren even dwingend: (1) het verlangen om te sterven en bij Christus zelf te zijn en (2) het verlangen om in leven te blijven en zo zijn gemeenschap met en dienst aan de gelovigen voort te zetten. Omdat Paulus tijdens zijn dienst op aarde in intieme gemeenschap met Christus leefde, zou het samenzijn met Christus in de hemel nog veel inniger en dichter zijn dan een mens zich kan voorstellen. Maar er is ook nog een andere reden te vermelden waarom het Paulus zijn verlangen was om met Christus te zijn, en dat was eenvoudigweg dat “de tent waarin wij wonen afgebroken wordt.” (2Kor.5:1) Met andere woorden: Paulus kende ook zijn fysieke beperkingen en “wilde liever zijn verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen.” (2Kor.5:8) “Immers, in deze tent zuchten wij, terwijl wij vurig verlangen met onze woning die uit de hemel is, overkleed te worden.” (2Kor.5:2) Hoewel Paulus niet de keuze had, wist hij in zijn hart dat het veel beter zou zijn om heen te gaan en bij Christus te zijn, omdat de dood hem zou bevrijden van de beproevingen van de wereld en hem oog in oog zou brengen met zijn Verlosser. Er is absoluut zekerheid in Paulus’ woorden. Hij had Jezus gezien op de weg naar Damascus na zijn bekering. Na een leven van trouwe dienst wist Paulus dat hij naar de hemel zou gaan om voor eeuwig met Christus te leven, en dat is veel beter!

Tenslotte

Verlangens hebben is goed, ze bekend maken bij God ook, maar onze motieven moeten wel juist zijn! (Vgl. Jak.4:2-3) We moeten daarin Gods leiding en wil zoeken voordat wij ze bekend maken. Met welk doel maken we onze verlangens bekend? Is het ten bate voor onszelf of voor de ander? Is het om onszelf of om God te behagen? “Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God. En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.” (Fil.4:6-7)

______________________________________________________________________________