Bijbel – Oude Testament – De uittocht uit Egypte – Gen. 37-50 – Deel 1 – Inleiding

16 maart, 2026

Bijbelboeken: Genesis

Bijbel – Oude Testament

De uittocht uit Egypte – Gen.37-50 – Ex.1

Deel 1 – “Inleiding op de Uittocht”

Woord vooraf

Het is noodzakelijk, willen we het boek Exodus verklaren, dat we dienen te weten hoe het Joodse volk in Egypte terecht is gekomen. Als heel vroeg, nog tijdens het leven van aartsvader Abraham, is het vertrek uit het land van de aartsvaders, het verblijf in Egypte en de uittocht uit Egypte al aangekondigd. “En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken.” (Gen.15:13-14; Hand.7:6-15) Ook daarna werd er nog geprofeteerd dat ze tot een groot volk zouden worden in Egypte en dat Jakob daar zou sterven. “Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken.” (Gen.46:34) Zo is het voorzegt, zo is het vervuld; het boek Exodus verhaald in detail de vervulling van deze profetieën. Hoe God tewerk is gegaan om die profetieën in vervulling te doen gaan wordt vooral duidelijk wanneer we de geschiedenis van Jozef in het boek Genesis bestuderen. Hij werd vooruitgestuurd zodat hij later voor zijn vader en broers kon zorgen, en is de sleutelpersoon in het ganse verhaal. “Toen Hij hongersnood opriep over het land en alle staf des broods verbrak, zond Hij een man voor hen uit: Jozef werd als slaaf verkocht.” (Ps.105:16-17) God heeft met alles een doel (Spr.16:4) en dat blijkt wel heel duidelijk uit het leven van Jozef. Die gebeurtenissen vormen de overgang tussen het Bijbelboek Genesis en Exodus. Wanneer we willen zoeken naar voorbeelden van Gods machtige daden, dan springt zijn handelen met Jozef er wel uit. We mogen daarin “de diepte van rijkdom, van wijsheid en van de kennis Gods” zien en “de ondoorgrondelijkheid van zijn beschikkingen en onnaspeurlijkheid van zijn wegen!” (Rom.11:33). Het is natuurlijk niet mogelijk om de geschiedenis van Jozef, die dertien hoofdstukken van het boek Genesis omvat, in het kort weer te geven. Waar in deze verzen van de brief aan de Romeinen de nadruk op ligt, is Jozefs lijden gevolgd door glorie en Gods handelen in voorzienigheid. Hij die van het begin ook het einde kent, treft voorbereidingen om zijn raadsbesluit ten uitvoer te brengen door één man vóór Jakobs familie uit te zenden, Jozef! (Jes.46:10). Maar voordat die man, Jozef, zeventien jaar oud, in de mogelijkheid was om zijn familie te helpen, verstreken er dertien jaar. Jozef werd verkocht, het begin van een lange periode waarin hij in de gevangenis geraakte en men zijn voeten in boeien en ijzers knelde. Maar er is een altijd een ‘totdat’! Tot de tijd dat zijn woord uitkwam en de uitspraak des Heren hem in het gelijk stelde en de Farao hem losliet en tot heer over zijn huis aanstelde (Ps.105:19-22). Die voorbereidingen waren niet alleen nodig opdat Jozef een positie in het rijk van Farao kreeg, maar ook opdat Jakobs familie tot een volk zou kunnen worden, zoals eerder aan Abraham beloofd (Gen.12:2). Toen de hongersnood kwam, (Gen.41:46vv.) trokken Jakob en zijn familie naar Egypte, zoals eerder Abraham dat, ook naar aanleiding van een hongersnood, deed (Gen.12:10). Abraham ging toen op eigen initiatief naar Egypte; Jakob ging, zonder dat hij dat besefte, dat hij ging op grond van een beschikking van Godswege. God gebruikte daarvoor een hongersnood, die al eerder door Jozef was aangekondigd in zijn uitlegging van Farao’s droom (Gen.41:30). “Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Waarom ziet gij elkander aan! Voorts zeide hij: Zie, ik heb gehoord, dat er in Egypte koren is; trekt daarheen en koopt daar koren voor ons, opdat wij in leven blijven en niet sterven. Toen trokken tien broeders van Jozef heen om in Egypte koren te kopen.” (Gen.42:1-3; Hand.7:12).

Jozef maakt zich bekend

Eenmaal aangekomen ontmoeten ze Jozef, hun broer, maar deze maakt zich nog niet bekend; dat gebeurde tijdens de tweede reis die de broers ondernemen. Tijdens hun eerste bezoek herinnerde Jozef zich zijn vroegere dromen die hij vroeger gehad heeft en aan zijn broeders bekendgemaakt had (Gen.37:5vv.) We bemerken een groeiend inzicht bij Jozef wat de reden en het doel van de gebeurtenissen is, die in zijn leven voorkwamen. “En hij zeide: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. Want al twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. Daarom heeft God mij voor u uitgezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God.” (Gen.45:4-8) Met die boodschap keerden de broers terug naar hun vader Jakob. Aanvankelijk geloofde deze het niet, zijn hart bleef er koud onder, want hij kon niet geloven dat Jozef nog leefde (Gen.45:26). Tenslotte veranderde hij van gedachten en verklaarde zich bereid naar Egypte te gaan. “En Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Berseba en bracht de God van zijn vader Isaak slachtoffers. En God sprak tot Israël in nachtgezichten, en Hij zeide: Jakob, Jakob. En hij zeide: Hier ben ik. Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken. Toen ging Jakob uit Berseba op weg en ontmoet Jozef, die hem tegemoet kwam.” (Gen.46:1-5)

Jakob sterft

“Israël dan woonde in het land Egypte, in het land Gosen, en zij werden daar ingezetenen. Zij waren vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer. En Jakob leefde in het land Egypte nog zeventien jaar, en de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, waren honderd zevenenveertig jaar. Toen de tijd naderde, dat Israël sterven zou, riep hij zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien gij mij genegenheid toedraagt, leg dan uw hand onder mijn heup, (en zweer) dat gij mij liefde en trouw zult bewijzen: begraaf mij niet in Egypte. Want ik wil bij mijn vaderen liggen, vervoer mij daarom uit Egypte en begraaf mij in hun graf. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord. Daarop zeide hij: Zweer het mij dan. En hij zwoer het hem. En Israël boog zich aanbiddend neder aan het hoofdeinde van het bed.” (Gen.47:27-31)

Jozefs troost zijn broeders

“Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader gestorven was, zeiden zij: Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons ten volle al het kwaad vergeldt, dat wij hem hebben aangedaan. Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden: zo moet gij tot Jozef zeggen: och, vergeef toch de overtreding uwer broeders en hun zonde, want zij hebben u kwaad aangedaan. Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders. En Jozef weende, toen men zo tot hem sprak. Ook kwamen zijn broeders zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: Zie, wij zijn u tot slaven. Maar Jozef zeide tot hen: Vreest niet, want ben ik in Gods plaats? Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden. Vreest dus niet, ik zal u onderhouden en ook uw kinderen. Zo troostte hij hen en sprak tot hun hart.” (Gen.50:15-21)

Jozefs dood

Het Bijbelboek Genesis sluit met de vermelding van de dood van Jozef. “En Jozef bleef in Egypte wonen, hij en zijns vaders huis; en Jozef leefde honderdentien jaar. En Jozef zag van Efraïm het derde geslacht; ook de kinderen van Makir, de zoon van Manasse, werden op Jozefs knieën geboren. En Jozef zeide tot zijn broeders: Ik ga sterven; God zal zeker naar u omzien en u uit dit land voeren naar het land, dat Hij Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft. En Jozef deed de zonen van Israël zweren: God zal zeker naar u omzien; dan zult gij mijn gebeente van hier meevoeren. En Jozef stierf, honderdentien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte.” (Gen.50:22-26) En zo zijn we aan het eind gekomen van het boek Genesis en kunnen we een begin maken om de eerste achttien hoofdstukken te bespreken van het Bijbelboek Genesis om na te gaan hoe het het volk Israël is vergaan in hun eerste ballingschap en hoe ze uit Egypte zijn verlost en op weg zijn gegaan naar het Beloofde Land.

Een andere koning

 “Het volk en vermeerderde zich in Egypte, totdat een andere koning over Egypte opstond, die Jozef niet had gekend.” (Hand.7:17-18)

Jakon en de zijnen trokken naar Egypte en woonden in het beste deel van het land Egypte (Gen.47:6), maar deze luxe veranderde later in beproevingen en lijden. Het plan van de koning om alle baby’s van het mannelijk geslacht te doden, omdat het volk zich vermenigvuldigde zodat men bang werd voor de Israëlieten, zou dat moeten verhinderen. Er kwam een andere koning die Jozef niet gekend had. Deze koning was een koning van een ander volk, waarschijnlijk de Hyksos. De Hyksos waren Aziatische, voornamelijk Semitische, bevolkingsgroepen uit Klein-Azië die rond 1720 v.Chr. Egypte binnenvielen. Hiermee kwam een einde aan het Middenrijk (ca. 2134-1720 v.Chr.). Zij heersten korte tijd over vrijwel geheel Egypte, maar verloren al snel de controle in het zuiden. Zij heersten meer dan 100 jaar over Neder-Egypte, voornamelijk vanuit Avaris in de Nijldelta. Aangezien Jozef de redder van Egypte is geweest, is het onwaarschijnlijk dat een Egyptische koning hem niet kende, maar deze nieuwe koning was een buitenstaander. Maar hij had buiten God gerekend, die de vroedvrouwen ‘gebruikte’ om het voornemen van de koning te voorkomen. Later gebruikte God het gehuil van een baby om het hart van de dochter van de farao te bereiken (Ex.2:6). Was het terecht dat de vrouwen de bevelen van de koning negeerden? Ja, want “wij behoren God meer te gehoorzamen dan de mensen.” (Hand.5:29) Wanneer de wetten van het land duidelijk in strijd zijn met de geboden van God, dan heeft de gelovige het recht en de plicht om God op de eerste plaats te zetten. Hoewel God de excuses die de vroedvrouwen aan de farao gaven niet goedkeurde (ook al waren hun woorden misschien waar), zegende Hij hen voor hun geloof (Ex.1:15, 19)

____________________________________________________________________