Eschatologie
Drie delen van de profetische toespraak in
Mattheüs 24-25 (Deel 1)
De chronologie in verband met de komst van de Heere
Met toestemming overgenomen uit het maanblad Uit het Woord der Waarheid van de gelijknamige uitgeverij (www.uhwdw.nl).
Omdat er veel verwarring is onder gelovigen over dit Schriftgedeelte, leek het ons als redactie goed een gedeelte uit een Duitstalig Bijbelcommentaar te plaatsen. Het is daarbij onze oprechte wens dat de lezers hierdoor gezegend zullen worden. De schrijver zegt het volgende: Ik wil graag ingaan op de belangrijke driedeling van deze grote toespraak van de Heere:
Deel 1: Hoofdstuk 24:1-44: Hier hebben we een lang gedeelte voor ons over de gelovige overgebleven Joden, die de bijzondere Christelijke voorrechten niet kennen. De Heere spreekt deze groep als het ware aan in de persoon van Zijn Joodse discipelen. Zij vertegenwoordigen het Joodse volk tot het einde van de eeuw, dat wil zeggen tot de komst van de Messias op deze aarde. Op die dag verschijnt Hij als Mensenzoon. Hij bevrijdt dan niet alleen de gelovige Joden, maar alle uitverkorenen die onder de verschillende volken zijn verspreid, zodat heel Israël kan worden gered (verg. Rom.11:26). Deze bevrijding vindt plaats onmiddellijk na de ongekend verschrikkelijke tijd van de grote verdrukking.
Deel 2: Hoofdstuk 24:45-25:30: Het tweede grote deel gaat dan direct en uitsluitend over het domein van de Christelijke belijdenis. Hier wordt geen verwijzing gemaakt naar Judéa, de stad Jeruzalem, de tempel. We vinden er ook geen aanduidingen van plaats en tijd. De geloofsbelijdenis van een ‘Christen’ kan waar of onwaar zijn. Dat wordt in dit tweede deel behandeld in drie gelijkenissen. Er wordt hier geen enkele keer gesproken over de Mensenzoon, want voor de Christenen is Hij de Christus. Zijn titel ‘Mensenzoon’ heeft daarentegen vooral te maken met de aarde en met Israël en de volken, maar niet met ons Christenen. Dit Christelijke deel werd door de Heere niet als eerste behandeld, omdat de aanleiding voor de toespraak van de Heere de indrukwekkende bouw van de tempel was (zie 24:1 e.v.). Deze heeft rechtstreeks te maken met het volk Israël. We mogen ook niet vergeten dat de bijzondere belangstelling van de Heere Jezus als Messias (juist in het evangelie naar Mattheüs) uitgaat naar Zijn eigen volk.
Daarom vinden we ook deze volgorde in de laatste drie gelijkenissen over het koninkrijk der hemelen in Mattheüs 13: Israël (schat), Gemeente (de Christelijke tijd, parel), de volken in de toekomst (visvangst). Bovendien legt de Heere de details uit van wat het Joodse overblijfsel te wachten staat. Dat doet Hij niet alleen aan de discipelen Petrus, Johannes, Jakobus, die een bijzondere taak zouden krijgen in de eerste dagen van het Christendom. Markus vertelt ons dat ook Andreas aanwezig was bij de uitleg van de Heere over de Joodse verdrukking. Deze vier discipelen waren ook de eersten geweest die de Heere riep om Hem te volgen (verg. Mark.1:16-20; Mat.4:18-22). Zij staan symbool voor het Joodse overblijfsel in de toekomst. Na de beschrijving van deze Joodse tijd komt de Heere als het ware terug op wat in de tijd aan het begin stond: de tussenliggende Christelijke periode.
(Er is ook nog een andere benadering van dit gedeelte, maar daar gaan we nu niet op in.)
Deel 3: Hoofdstuk 25:31-46: In het derde en laatste deel van deze profetische toespraak legt de Heere uit wat er zal gebeuren met de volken die het Christelijke geloof niet hebben beleden (verg. 1Kor.10:32). Na de opname (1Thes.4:17) zullen zij alsnog het Evangelie van het koninkrijk te horen krijgen. In Mattheüs 24:14 hebben we gelezen dat het Evangelie van het koninkrijk in de hele wereld wordt gepredikt, als een getuigenis voor de volken. Daar verwijst dit derde deel naar; het laat zien dat de mensen uit de volken op twee verschillende manieren op het Evangelie zullen reageren. Daarna zou het einde komen, dat wil zeggen de wederkomst van de Heere Jezus. De zichtbare terugkomst van Christus op aarde vinden we in vers 31. Die komst luidt een rechtszitting van de Mensenzoon over de volken in. In andere Bijbelverzen worden de volken overigens Grieken (verg. bijv. Joh.7:35; 12:20) of heidenen (verg. Mat.18:17) genoemd. We zagen dat de Heere als de Mensenzoon voor het afvallige plotseling, onverwacht en met een snel en angstaanjagend oordeel (Mat.24:27-28). Maar als het gaan om de volken is er geen sprake van haast en heftigheid. Hier komt Hij op een bijna plechtige manier om Zijn aardse plaats van heerlijkheid in te nemen. De Mensenzoon zal dan zitten op de troon van Zijn heerlijkheid (vs.31). Alle volken zullen Hem zien. Zij zullen voor Hem Die deze oordeelstroon plechtig en ernstig heeft ingenomen, verzameld staan om te worden geoordeeld. Bij dit oordeel zal één ding doorslaggevend zijn: de manier waarop zij zijn omgegaan met de Joodse boodschappers die hun het Evangelie van het koninkrijk hebben verkondigd. (D.w.z. met die mensen die het Evangelie in deze genadetijd nooit hebben gehoord.)
Voordat ik verder inga op de gebeurtenissen die dan plaatsvinden, wil ik graag twee onderwerpen naar voren halen die van groot belang zijn voor het begrip van dit gedeelte: (1) de chronologische volgorde van de gebeurtenissen die te maken hebben met de komst van de Heere Jezus op deze aarde; (2) de verschillende rechtszittingen die we in de Schrift vinden. Aangezien dit Schriftgedeelte vaak verkeerd wordt begrepen, lijkt het me nuttig om eerst deze twee onderwerpen te behandelen. Om het kort samen te vatten: elk Schriftwoord is van God en voor ons, maar niet alles gaat over ons. Daarom is het belangrijk dat we leren onderscheiden wat de Geest van God ons in elk afzonderlijk gedeelte wil leren.
(Wordt vervolgd)
_____________________________________________________________________________________________________