Bijbel – Oude Testament – Psalm 73 – Als je God niet meer kunt volgen

10 augustus, 2026

Bijbelboeken: Psalmen

Bijbel – Oude Testament

Psalm 73:1-28

“Als je God niet meer kunt volgen!”

Voorwoord

Er kunnen in het leven dingen gebeuren die je rationeel niet kunt verklaren en je in verwarring kunnen brengen. Wanneer wij de wereld om ons heen niet meer begrijpen is het goed deze Psalm te lezen. Asaf, de auteur van deze psalm was een gelovige en dat blijkt wel uit wat we kunnen lezen in het eerste vers. Hij belijdt: “Waarlijk, God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn.” (Vs.1) Asaf geloofde in de God van Israël, die beloofde: “Wie Mij eert, zal Ik eren.” (1Sam.2:30). Maar als hij om zich heen begint te kijken merkt hij op dat zijn overtuiging niet overeenkomt met de werkelijkheid. “Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden. Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik de voorspoed der goddelozen zag.” (Vs.2-3) En, laten we eerlijk zijn, kennen wij dat gevoel ook niet wanneer we zien dat het ongelovigen voor de wind gaat? Laat we daarom de gevoelens die Asaf had, maar eens onder de loep nemen om te zien hoe het hem verging, en wij er ons voordeel mee kunnen doen (1Kor.10:11).

Inleiding (73:1-28)

“Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren.” (Jes.55:8)

Asaf belijdt dat hij gelooft dat God goed is, maar hij gaat uit de bocht als hij naar zijn buren begint te kijken want dan benijdt hij hen en wordt jaloers. Hij vraagt zich af hoe het mogelijk is dat de goddelozen altijd voorspoedig zijn. Asaf ging uit van zijn overtuiging dat hem, en andere gelovigen, alleen maar het goede zouden ontvangen, want “Wie Mij eren zal Ik eren” (1Sam.2:30). En bovendien er staat toch ook geschreven: “De Here is met u, zolang gij met Hem zijt?” (2Kron.15:2) Hoe is het dan mogelijk dat iemand die met God geen rekening houdt, toch een goed leven heeft en er schijnbaar zonder kleerscheuren vanaf schijnt te komen? Asaf kon er niet bij dat God anders kon handelen dan dat hij meende te weten. De profeet Jona ging ook uit van die visie en kon maar moeilijk accepteren dat hij een boodschap moest brengen aan een vijandig en zondig volk als de Ninevieten. Maar zegt de Here: “Zou Ik dan Nineve niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderdtwintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?” (Jona 4:11) En om nog een ander voorbeeld te noemen, denk ik aan Habakuk die moest aanvaarden dat God de Chaldeeën, dat grimmige en onstuimig volk, gebruikte om het volk Israël te tuchtigen (Hab.1:6-12). Ik geef toe het zijn uitzonderingen, maar dat ontzegd God zijn soevereiniteit niet om anders te handelen dan wij denken. Het feit dat het de zondaar altijd voor de wind ging kon Asaf daarom niet begrijpen. Hij raakt zijn vreugde in God kwijt, dreigt te struikelen en werd afgunstig op de hoogmoedigen (vs.3). En kennen we dat allemaal niet, dat je afgunstig dreigt te worden omdat iemand anders iets heeft wat jij ook wilt? Asaf gaat op zoek naar een antwoord op zijn probleem, maar het is niet eerder dan dat Hij God in zijn zoektocht betrekt dat hij een oplossing vindt.

Asafs probleem – (73:1-12)

“Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen, toen ik de voorspoed der goddelozen zag.” (Ps.73:3)

Theorie en praktijk kunnen ver uiteen liggen in het leven van een gelovige. Dit gebeurt meestal als ons geloof onder druk komt te staan, zoals we in deze Psalm zien. Als alles gaat zoals wij het voor goed achten, zolang Gods gedachten in overeenstemming zijn met de onze hebben we geen probleem. Maar dat het de ongelovigen voor de wind ging kon Asaf niet begrijpen, daarom stelt hij vast: “Zie, zo zijn de goddelozen, altijd onbezorgd vermeerderen zij het bezit.” (Vs.12) Dat leidde bij Asaf ertoe dat hij, door afgunst bijna was gestruikeld: “bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna waren mijn schreden uitgegleden.” (Vs.2) Asaf maakte een aantal denkfouten, ten eerste kijkt hij met afgunst naar andere mensen, ten tweede was hij zich niet meer bewust van zijn eigen rijkdom en ten derde betrok hij God niet in zijn zoektocht naar een antwoord. Wie waren deze mensen, waarop Asaf afgunstig was? Hij beschrijft ze in de verzen 4-12 – “Want moeiten hebben zij niet, gaaf en welgedaan is hun lichaam; in de kwelling der stervelingen delen zij niet, en met andere mensen worden zij niet geplaagd. Daarom is de trots hun een halssieraad, het geweld omhult hen als een kleed; hun ogen puilen uit van vet, de inbeeldingen van hun hart lopen over; zij spotten, en boosaardig spreken zij van verdrukking, zij spreken uit de hoogte; ze zetten een mond op tegen de hemel, en hun tong roert zich op de aarde. Als water in overvloed wordt het door hen geslorpt. Zij zeggen: Hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij de Allerhoogste?” Asaf zijn denkwereld staat op z’n kop, zijn visie, waarvan hij vast overtuigd was is totaal onderuitgehaald! Dat gebeurt als we niet wandelen door geloof maar oordelen bij wat we waarnemen als we om ons heen kijken! Maar er was meer aan de hand “Want ik was afgunstig op de hoogmoedigen” zegt hij (vs.3). Denkt hij dat mensen die leven zonder rekening te houden met God voorspoedig zijn? Zijn Gods normen en waarden plotseling veranderd? De ongelovige leeft volgens de normen van de wereld, niet van de wereld die komt. “Altijd onbezorgd vermeerderen ze het bezit” (vs.12), maar welke bezittingen? Hij wist dat God een verbond met zijn volk had gesloten dat inhield, dat Hij hen zou zegenen die zich hielden aan zijn geboden; ‘die rein zijn van hart’. (Deut.28) Maar dit geloof bracht hem juist in problemen. Als God goed was hoe was het dan toch mogelijk dat God zijn volk liet lijden en dat het de goddeloze goed ging? Deze vraag vinden we al eerder in Gods Woord, wanneer Gideon tegen de Engel des Heren zegt: “Och, mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? Waar zijn dan al de wonderen, waarvan onze vaderen ons vertelden, als zij zeiden: Heeft de Here ons niet uit Egypte gevoerd?” En Gideon concludeert: “Maar nu heeft de Here ons verstoten en ons prijsgegeven aan de greep van Midjan.” (Richt.6:3) Maar was dat wel zo?

De oplossing – (73:13-20)

“Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen.” (Ps.73:6)

Is het werkelijk de moeite waard om als een toegewijde gelovige te leven? Is het waard om in gehoorzaamheid aan God te leven ook als je ziet dat het hen die dat niet doen goed gaat, of nog erger, het veel beter hebben? Dat is wat Asaf zich afvroeg toen hij deze Psalm schreef (Vgl. Mal.3:14). In de eerste twaalf verzen dacht hij dat hij iets gemist had, maar daar bleef het niet bij. Hij beklaagt zich over zijn situatie en zag dat als een bestraffing. “Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in onschuld gewassen. De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke morgen. Indien ik gezegd had: Ik zal aldus spreken, zie, dan ware ik afvallig geweest van het geslacht uwer kinderen.” (vs.13-15) Asaf zag op de voorspoed van anderen en op zijn eigen mogelijk falen als gelovige, maar kwam er niet uit. Maar de oplossing was dichtbij; want zo zegt hij even later: “Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette.” (Vs.16) Asafs zienswijze was verkeerd, en dat kwam doordat hij een verkeerd beeld van het leven had totdat hij God erin betrekt. Als je voor een schilderij staat zie je verschillende zaken bij verschillende afstanden. Het schilderij veranderd niet maar je perspectief wel. Om een goede kijk op het leven te krijgen moet je leren te zien door de ogen van God. Heb je tevergeefs je hart rein gehouden? Natuurlijk niet! We willen allen een rein hart hebben, toch? Heb je jouw handen in onschuld gewassen? We willen allemaal toch reine handen hebben? Doet jouw tong dingen die jij niet wilt? Is je hart verbijsterd of doet het pijn? Dat moet je Gods heiligdom binnengaan. Dat wil zeggen dat je door het lezen van Gods Woord en gebed de dingen van het leven leert zien zoals Hij het ziet. Vergelijk jouw waarden met die van God en zijn visie met die van jou. Wees zeker dat jouw standpunt overeenkomt met die van de hemel. Dat voorkomt dat je afglijdt, en wandel je in overwinning met God.

Het resultaat – (Ps.73:21-28)

 “Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn.” (Ps.73:28)

 In het derde en laatste deel van deze Psalm zien we een heel andere Asaf! Hij heeft geleerd de dingen waarmee hij worstelde, te beoordelen vanuit Gods standpunt en zegt: “Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen.” (Vs.24) In het begin van deze psalm beschrijft Asaf dat hij een tijd van grote twijfel doorgemaakte, maar daarna komt hij tot een geweldige conclusie, want zegt hij “totdat in Gods heiligdommen inging.” Met andere woorden totdat ik de dingen ga beoordelen vanuit Gods standpunt! Er zijn hem een aantal zekerheden duidelijk geworden. Ten eerste, God houdt ons vast. “Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand gevat.” (Vs.23). De onrechtvaardigen mogen voorspoed kennen, welvaart, gezondheid en dergelijke dingen, maar wij hebben God, en Hij houdt ons vast. Ten tweede, God leidt ons: “Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen.” (Vs.24) Dat is het belangrijkste – het hiernamaals. Wat gaat hierna gebeuren? We kunnen er zeker van zijn dat we met Hem zullen leven voor altijd. Het is minder belangrijk wat er met ons gebeurt tijdens ons leven hier, materieel of fysiek, zolang we maar uitzicht hebben op de heerlijkheid die hierna aan ons geopenbaard zal worden. Sommigen die rijk zijn gedurende dit leven, zullen arm zijn in het leven hierna. Maar velen die nu arm zijn zullen dan rijk zijn. Ten derde, God sterkt ons: “Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijn harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig.” (Vs.26) We lezen van David, nadat hem een groot verdriet was overkomen: “Maar David sterkte zich in de Here, zijn God.” (1Sam.30:6) Hij wist waar hij zijn kracht kon vinden. Ten vierde, God helpt ons in alle omstandigheden van het leven: “Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn.” (Vs.28) Waar we ook zijn, en wat ons ook overkomt, het zou ons dichter bij hem brengen moeten brengen. “De Here Here heb ik tot mijn toevlucht gesteld, en ik wil al uw werken vertellen.” (Vs.28)

Tenslotte

In het begin van deze psalm begeerde Asaf dingen die anderen bezaten en werd afgunstig toen hij de voorspoed van de goddelozen zag, maar aan het slot ervan zei hij: “Nevens U begeer ik niets op aarde.” (Vs.25) Voor de ongelovige, de goddeloze gaat het als met de dwaas in de gelijknamige gelijkenis, hij is misschien rijk aan aardse goederen, maar niet rijk in God (Luk.12:21). “Vrees niet, als iemand rijk wordt, als de heerlijkheid van zijn huis toeneemt, Want in zijn sterven neemt hij niets van dat alles mede, zijn heerlijkheid daalt hem niet achterna.” (Ps.49:17-18)

______________________________________________________________________________