In deze hoofdstukken zegt God zeven keer tegen Farao: “Laat mijn volk gaan!” (Zie 5:1; 7:16; 8:1, 20; 9:1, 13; 10:3) Dit bevel maakt duidelijk dat Israël in slavernij was, maar dat God wilde dat ze vrij zouden zijn, zodat ze Hem konden dienen. Dit is de toestand van ieder mens zonder God: in slavernij aan de wereld, het vlees en de duivel (Ef.2:1-3; Jak.4:1-7). Maar dat is niet dat God wil! God wil ons redden uit de handen van onze vijanden, opdat we onbevreesd Hem zouden dienen, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht al onze dagen.” (Luk.1:74) Alvorens God te kunnen dienen moeten we Hem toebehoren. “Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Ef.2:10)
De roeping van Mozes
Toen Mozes door de God geroepen werd om het volk uit Egypte te leiden om het naar het beloofde land te brengen, krabbelde hij terug zoals we eerder gezien hebben. Wat hield hem tegen; zag hij op tegen de opdracht of was het de angst voor mensen? Als leider sta je alleen en heb je een grote verantwoordelijkheid. De Israëlieten waren zeker niet het gemakkelijkste volk, dat blijkt wel uit allerlei gebeurtenissen die Mozes onderweg naar het beloofde land meemaakte. Soms werd het Mozes te veel en deed hij zijn beklag. “Toen Mozes het volk, geslacht aan geslacht, hoorde wenen, ieder aan de ingang van zijn tent, ontbrandde de toorn des Heren hevig, en het was kwaad in de ogen van Mozes, en Mozes zeide tot de Here: Waarom hebt Gij uw knecht slecht behandeld en waarom heb ik geen genade gevonden in uw ogen, dat Gij de last van dit gehele volk op mij legt? Heb ik dit gehele volk ontvangen of heb ik het gebaard, dat Gij tot mij zoudt kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader een zuigeling draagt, naar het land dat Gij aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt? Vanwaar zou ik het vlees halen om aan dit gehele volk te geven? want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees te eten! Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar. Wilt Gij zó met mij handelen, dood mij dan liever, indien ik genade heb gevonden in uw ogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoef aan te zien.” (Num.11:10-15) Mensen klagen, omdat ze mensen zijn, en als je dat wil vermijden moet je de mensen vermijden. Mensen weten altijd alles beter, omdat ze mensen zijn. Mensen vergeten hun zegeningen en idealiseren het verleden, omdat ze mensen zijn. Zij die het verleden idealiseren hebben een slecht geheugen en veel fantasie! Is dat misschien de reden dat Jakobus zegt: “Laten niet velen leraars worden mijn broeders?” (Jak.3:1) Moeten we dan niets doen? Nee, neem de uitdaging maar aan, want als God je geroepen heeft, zal Hij je toerusten. Als God je geroepen heeft, zal Hij je wijsheid geven. Als God je geroepen heeft, zal Hij je in staat stellen. Als God je geroepen heeft, zal Hij je bemoedigen. Hij zal je erdoorheen helpen, en de Heer Jezus is daarvan het ultieme voorbeeld. “Terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. Want let op Hem Die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt.” (Heb.12:2-3) De apostel Paulus kon aan het einde van zijn bediening getuigen “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.” (2Tim.4:7) En dat Paulus het ook niet gemakkelijk heeft gehad kunnen we lezen in 2 Korinthiërs 11:16-33.
Het bevel
“Wie is de Heer, dat ik naar zijn stem zou luisteren?” was het antwoord van Farao op Gods bevel (5:2). De wereld heeft geen respect voor Gods Woord: het zijn “ijdele woorden” voor hen (5:9). Mozes en Aäron brachten Gods bevel aan Farao over, en het resultaat was nog meer slavernij voor Israël! De zondaar zal zich óf aan Gods Woord onderwerpen, óf hij verhard zich in zijn ongehoorzaamheid (zie 3:18-22; 4:21-23). In zekere zin verhardde God Farao’s hart door zijn eisen te presenteren, maar farao zelf verhardde zijn eigen hart door Gods eisen te weerstaan. Helaas zochten de Israëlieten hulp bij de farao in plaats van bij de Heer, die hen beloofd had hen te bevrijden (5:15-19). Geen wonder dat de Joden het niet eens konden worden over Mozes (5:20-23) en hem beschuldigden in plaats van hem aan te moedigen. Gelovigen die geen gemeenschap met God hebben, zijn hun leiders eerder tot last dan als hulp. Mozes was zeker ontmoedigd, maar hij deed wat altijd het beste is: hij legde zijn probleem voor aan de Heer. God moedigde Mozes aan in hoofdstuk 6 door hem te herinneren aan Zijn naam (6:1-3), Zijn verbond (6:4), Zijn persoonlijke zorg (6:5) en Zijn trouwe beloften (6:6-8). Gods “Ik ben” en “Ik wil” zijn genoeg om de vijand te overwinnen! Gods doel met het toestaan dat Farao Israël onderdrukte, was dat zijn macht en glorie aan de wereld bekend zouden worden (6:7; 7:5, 17; 8:10, 22; zie Rom.9:17). Het podium is gereed: Farao weigerde te gehoorzamen aan Gods bevel en nu zou God zijn oordelen over Egypte zenden. Hij zou zijn belofte in Genesis 12:3 nakomen om de volken te oordelen die de Joden vervolgen. Hij zou zijn macht (9:16), zijn toorn (Ps.78-43-51) en zijn grootheid openbaren, waarmee hij zou aantonen dat de goden van Egypte valse goden waren en dat Jehovah alleen de ware God is (12:12; Num.33:4).
In onze tijd is het niet anders. We leven sinds Jezus sterven in de tijd van genade waarin God de mensen de gelegenheid geeft zich te bekeren, omdat hij niet wil dat er iemand verloren gaat (2Petr.3:9). Die genadetijd loopt ten einde, als we letten op de tekenen van de tijden, weten we dat Jezus’ komst dichtbij is, en met Hem het oordeel. “Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren, omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij daartoe heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit de doden op te wekken.” (Hand.17:30-31)
Het conflict
De tien plagen van Egypte hadden verschillende doelen: (1) ze waren tekenen voor Israël, die hen verzekerden van Gods macht en zorg (7:3); (2) ze waren ter vergelding voor Egypte, die het volk Israël hadden verdrukt en die ook de ijdelheid van hun goden aan het licht brachten (9:14); en (3) ze waren profetieën van het komende oordeel.
Let op de volgorde van de plagen. Ze vallen in drie groepen uiteen van elk drie, waarbij de tiende plaag (de dood van de eerstgeborenen) als laatste wordt genoemd:
(1) Water in bloed (7:14-25) – waarschuwing gegeven (7:16)
(2) Kikkers (8:1-15) – waarschuwing gegeven (8:1)
(3) Luizen (8:16-19) – geen waarschuwing en tovenaars konden ze niet dupliceren (8:18-19)
(9) Duisternis (10:21-23) – geen waarschuwing gegeven. Farao weigerde Mozes nog eens te zien (10:27-29)
(10) Dood van de eerstgeborenen (11-12) – Het laatste oordeel.
De plagen waren in feite een “oorlogsverklaring” tegen de goden van Egypte (zie 12:12). De Nijl werd als een god vereerd, omdat het hun levensbron was (Deut.11:10-12) en toen Mozes de rivier in bloed veranderde, toonde God zijn macht over de rivier. De godin Heqt werd afgebeeld als een kikker, het Egyptische symbool van wederopstanding, de godin van zwangerschap en geboorte. De kikkerplaag keerde het volk zeker tegen Heqt! De luizen en vliegen brachten onreinheid over het volk – een vreselijke klap, want Egyptenaren konden hun goden niet aanbidden tenzij ze smetteloos rein waren. De veepest viel het vee aan, dat heilig was voor de Egyptenaren; Hathor was de “hemelgodin”, godin van de vreugde, godin van de muziek etc. Apis de stierengod, vruchtbaarheidssymbool, verschijning van Ptah. De goden en godinnen die over gezondheid en veiligheid heersten, werden aangevallen door plagen van steenpuisten, hagel en sprinkhanen. De plaag van de duisternis was de ernstigste, omdat Egypte de zonnegod Ra, de oppergod, vereerde. Toen de zon drie dagen lang verduisterd was, betekende dat dat Jehovah Ra had overwonnen. De laatste plaag (de dood van de eerstgeborenen) overwon Meskhemit, de godin van de geboorte, en Hathor, haar metgezel godin van de vreugde, die beiden geacht werden over de eerstgeborenen te waken. Al deze plagen maakten duidelijk dat Jehovah de ware God was!
We kunnen een aantal van deze plagen terugvinden in het boek Openbaring, waar God Zijn laatste strijd met de god van deze wereld, satan, beschrijft: water in bloed (8:8, 16:4-6); kikkers (16:13); ziekte en ellende (16:2); hagel en vuur (8:7); sprinkhanen (9:1 e.v.) en duisternis (16:10). De Egyptische magiërs konden enkele wonderen van Mozes nabootsen: de staf in een slang veranderen (7:8-13), water in bloed (7:19-25) en kikkers tevoorschijn toveren (8:5-7). Maar ze konden het stof niet in luizen veranderen (8:16-19). 2 Timotheüs 3:8-9 waarschuwt ons dat in de laatste dagen valse leraars God zullen tegenwerken door Zijn wonderen na te bootsen (Zie 2Thes.2:9-10). Satan is een bedrieger die de verloren wereld misleidt door na te doen wat God doet (2Kor.11:1-4, 13-15).
Compromissen
Farao is een type van Satan: hij was de god van Egypte; hij had opperste macht (maar beperkt door God); hij was een leugenaar; hij was een moordenaar; hij hield mensen in slavernij; hij haatte het Woord van God en het volk van God. Farao wilde de Joden niet vrijlaten, dus bood hij vier subtiele compromissen aan: (1) Aanbidding in het land (8:25-27) – Maar God eist volledige afscheiding van de wereld; vriendschap met de wereld is vijandschap met God (Jak.4:4). Omdat de Egyptenaren koeien aanbaden, zouden ze aanstoot nemen als ze de Joden hun vee aan Jehovah zagen offeren. De gelovige moet ‘eruit gaan en zich afzonderen’ (2Kor.6:17). (2) Ga niet te ver weg (8:28) – “Wees geen fanaticus!” zegt de wereld. “Het is prima om religieus te zijn, maar neem het niet te serieus.” Hier hebben we te maken met de verleiding om “grensgevallen” te zijn, die tegelijkertijd dicht bij de wereld en dicht bij de Heer willen blijven. (3) Alleen de mannen moesten gaan (10:7-11) – Dit betekende dat de vrouwen en kinderen in de wereld moesten achterblijven. Geloof betreft het hele gezin, niet alleen de mannen. Het is het voorrecht van de echtgenoot en de vader om het gezin te leiden in de zegen van de Heer. (4) Houd je bezittingen in Egypte (10:24-26) – Satan is er dol op om onze materiële rijkdom in handen te krijgen, zodat we die niet voor de Heer kunnen gebruiken. Alles wat we hebben, behoort Christus toe. En Jezus zegt: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” (Mat.6:21) Wat een tragedie om God te beroven door onze “kuddes en runderen” aan Satan over te laten (Mal.3:8-10).
Mozes weigerde al deze compromissen, omdat hij geen compromis kon sluiten met satan en de wereld en tegelijkertijd God tevreden kon stellen. We denken misschien dat we een overwinning hebben behaald door de wereld te sussen, maar we vergissen ons. God eist totale gehoorzaamheid, volledige afscheiding. Dit moest worden bewerkstelligd door het bloed van het Lam en door de doortocht van de Rode Zee, beelden van Christus’ dood aan het kruis en onze opstanding met Hem, die ons bevrijdt van “deze boze wereld” (Gal.1:4).