Diverse Onderwerpen – Over de Opstanding – 1 Kor.15 – Als een mens sterft… (Job 14:14)

30 maart, 2026

Rubrieken: Diverse Onderwerpen

Bijbelboeken: 1 Korintiërs

Diverse Onderwerpen

Over de opstanding – 1Kor.15

“Als een mens sterft, zou hij herleven?” (Job 14:14)

Voorwoord

Is er leven ná de dood, dat vroeg Job zich af in zijn antwoord aan zijn vrienden; en met hem veel andere mensen. Maar hoe is de dood in de wereld gekomen? Die vraag willen we eerst beantwoorden voordat we gaan spreken over wat de Bijbel ons leert wat er na de dood met de mens gebeurt. “En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, Maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven.” (Gen.2:16-17; 3:2-3) Dit is het kort wat er aan het begin van de mensheid gebeurde. Één daad van onbedachtzaamheid kan maken dat men jaren schreit, want de gevolgen strekten zich uit tot alle mensen in alle tijden. “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben.” (Rom.5:12) “Want het loon van de zonde is de dood.” (Rom.6:23) Aan elke mensenleven komt een einde, daar ontkomt niemand aan. De vraag die we ons in dit artikel stellen, en waarop we een antwoord vanuit de Bijbel, Gods Woord proberen te vinden, is: “Is het met de dood definitief afgelopen, of komt er nog een vervolg?” Het is opvallend dat zelfs mensen die niet gelovig zijn, niet kunnen leven met de gedachte dat er na de dood er niets meer is. Men brengt dat op allerlei manieren tot uitdrukking, door te zeggen “Hij of zij is als een ster aan de hemel,” “Hij of zij is wel ergens en ziet ons wel” en dergelijke opmerkingen. Maar wat zegt de Bijbel, en dat is de norm die wij willen handhaven.

Er is een opstanding

De Bijbel is duidelijk over een leven na dit leven. Het Oude Testament was daar al duidelijk over, zo zegt Daniël: “Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.” (Dan.12:2) De volledige openbaring ervan vinden we echter in het Nieuwe Testament. Zo zegt de Heer Jezus: “Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en zullen uitgaan: zij die het goede gedaan hebben tot de opstanding van het leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot de opstanding van het oordeel.”  (Joh.5:29) Ook in het verdere onderwijs van de Schrift worden we voortdurend met de opstanding in aanraking gebracht en daarmee verbonden met een toekomstig oordeel. Zo beëindigt de apostel Paulus zijn toespraak tot de Atheners met de volgende woorden: “Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren, omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij daartoe heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit de doden op te wekken.” (Hand.17:30-31) Opstanding en oordeel worden in één uitspraak door de Heer Jezus samengebracht: “Verwondert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan: zij die het goede hebben gedaan tot de opstanding van het leven, en zij die het kwade hebben bedreven tot de opstanding van het oordeel.” (Joh.5:28-29) De apostel Paulus bevestigt het nog eens in zijn brief aan de Hebreeën: “En evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel.” (Heb.9:27) Het “laatste oordeel” een fresco in de Sixtijnse Kapel bij de Vaticaanse musea in Vaticaanstad, is geschilderd door Michelangelo naar aanleiding van Openbaring 20:11-15 “En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur. En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.”

De aard van de opstanding

Tot zover is het duidelijk; de Bijbel leert een opstanding van de doden. We kunnen drie fasen onderscheiden in de opstanding: (1) De opstanding van Christus, de eersteling van hen die ontslapen zijn (1Kor.15:29). (2) De opstanding van de gestorven gelovigen, en (3) de opstanding van de ongelovigen. Hierboven hebben we al gesproken van een opstanding van het leven voor wie het goede gedaan hebben, en een opstanding van het oordeel die het kwade gedaan hebben (Joh.5:29). Dit wordt verder verduidelijkt in het boek Handelingen, dat zegt: “dat er een opstanding zal zijn zowel van rechtvaardigen als van onrechtvaardigen.” (Hand.24:15) Deze onderscheiding is belangrijk en leert ons dat er verschil is in de eindbestemming van ieder mens, afhankelijk van hun positie; gelovig en niet-gelovig! Laten we nog een duidelijk zeggen, dat het eeuwige vuur voor de duivel en zijn engelen is bereid, en niet voor mensen! (Mat.25:41) Zo leert de apostel Petrus ons dat God niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen (2Petr.3:9). En de meest gekende tekst van het Nieuwe Testament zegt: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (Joh.3:16) Daarmee is duidelijk dat ieder mens zijn eeuwige bestemming in eigen handen heeft dat het afhangt van de keuze die hij of zij in dit leven maakt. “Zou Ik een welgevallen hebben aan de dood van de goddeloze? luidt het woord van de Here Here. Niet veeleer hieraan, dat hij zich bekere van zijn wegen en leve?” (Ez.28:14)

Excurs over dodenrijk (sjeool) en hel (gehenna)

Voor dat we verder gaan is het noodzakelijk om het verschil tussen het dodenrijk (sjeool) en hel (gehenna) aan te geven. Want wanneer we ons afvragen wanneer de opstanding van het lichaam van een gelovige zal plaatsvinden botsen we op een mogelijk dilemma. Want de ziel of geest keert bij het sterven terug tot God maar het lichaam blijft achter (Pred.12:7). De vraag die we ons moeten stellen is; waar blijven de zielen van de overledenen in de tijd die ligt tussen overlijden en opstanding? Paulus leert ons immers dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen voorgaan. De doden in Christus zullen het eerst opstaan en daarna de dan nog levenden, om zo samen de Heer tegemoet te gaan in de lucht (1Thes.4:15-17). Paulus geeft ons meer informatie in de eerste brief aan de Korinthiërs, waar hij vermeld dat ieder in zijn eigen orde zal opstaan; Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst (vs.23). Dus we herhalen de vraag: waar blijven de zielen van de overledenen in de tijd die ligt tussen overlijden en opstanding?

We geloven dat het verslag van de rijke dwaas en de arme Lazarus ook genoeg informatie geeft om aan te nemen dat de zielen van de gestorven mensen verblijven in het dodenrijk. De vermelding van ‘het dodenrijk’ vergt echter wat verduidelijking, onder andere om duidelijk te maken dat het hier niet gaat om een soort van vagevuur, zoals dat in het rooms-katholieke onderwijs geleerd wordt. De verschillen in weergave in de verschillende Bijbelvertalingen maakt het ook niet gemakkelijk om duidelijkheid te verkrijgen. Hades is net als sjeool in het Oude Testament, een zeer vage aanduiding voor de verblijfplaats van de geesten van doden (verg. Luk.16:23), wel te onderscheiden van de hel (gehenna), de plaats van het uiteindelijke en eeuwige oordeel (verg. Mat.10:28, 25:41). In tegenstelling tot het latere concept van de hel (gehenna) als plaats van eeuwige straf, is sjeool oorspronkelijk een verblijfplaats voor alle doden. Sjeool is in de Hebreeuwse Bijbel het algemene dodenrijk of de onderwereld waar alle gestorvenen naartoe gaan, ongeacht of ze goed of slecht waren.

(Voor een meer uitgebreide behandeling van dit onderwerp zie daarvoor het artikel “Dodenrijk of Hel” in de rubriek Diverse Onderwerpen op deze website)

Wat gebeurt er als een ongelovige sterft?

Over het lot van de ongelovige kunnen we kort zijn: De ongelovige heeft geen hoop en is zonder God in deze wereld (Ef.2:12). De Schrift is daar duidelijk over: “En evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel.” (Heb.9:27) Het geen kleinigheid dat God zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft om door zijn dood op het kruis de grondslag te leggen voor de verzoening tussen mensen en God. Maar als een mens zich niet laat vermanen en zich bekeert dan staat zijn eeuwige bestemming vast. Dat “Hij wraak brengt over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen. Zij zullen als straf lijden het eeuwig verderf, verwijderd van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn sterkte, wanneer Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die hebben geloofd.” (2Thes.1:8-10) God kun je niet ontlopen, want “Er zal een opstanding zijn zowel van rechtvaardigen als van onrechtvaardigen, een opstanding van het leven en van het oordeel.” (Hand.24:15; Joh.5:29) Dat klinkt nogal dreigend maar laten we niet vergeten dat “Wie in Hem gelooft niet geoordeeld; maar wie niet gelooft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.” (Joh.3:18) Het oordeel kun je ontlopen door in Jezus Christus te geloven en Hem aannemen als je Verlosser. God is niet in ‘oorlog’ met de mensen, maar de mensen zijn in ‘oorlog’ met God, en daarom roept Hij de mensen op zich met Hem te verzoenen (2Kor.5:21). “Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.” (Joh.3:17) Dus: “Wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen. Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.” (2Kor.5:20-21)

Wat gebeurt er als een gelovige sterft?

Voor de gelovige ligt de zaak geheel anders. Wanneer een gelovige sterft verlaat de ziel het lichaam om zijn intrek te nemen bij de Heer. Waar is de Heer? Wel in het paradijs. Wat zei de Heer Jezus tegen de boosdoener die met Hem gekruisigd werd: “Voorwaar Ik zeg u: Vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.” (Luk.23:43) Paulus zegt met de volgende woorden waar hij zal zijn na zijn dood: “Met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” (Fil.1:23) en “We willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen.” (2Kor.5:8) In afwachting van de opstanding verblijven de zielen van de gelovigen in het dodenrijk, in het Paradijs. Met nogmaals een verwijzing naar Lukas 16: “De arme stierf en kwam in de schoot van Abraham. De rijke nu stierf ook en kwam terecht in het dodenrijk.” (Luk.16:22-26) “De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades (dodenrijk) zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot. En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.” (Luk.16:23-24) Maar verandering in positie was niet mogelijk, want er “is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.” (Vs.26).

De wederkomst van Christus

Er komt een moment, en wie weet hoe gauw, dat de Heer Jezus komt om de zijnen te komen halen en te brengen in het Huis van zijn Vader (Joh.14:1). Bij die komst zullen de doden in Christus het eerst opstaan en daarna de levenden die er dan op aarde nog aanwezig zijn, en samen zullen wij de Heer tegemoet gaan in de lucht (1Thes.4:15-18). Het feit dat er bij de komst van Christus nog gelovigen zullen zijn, wordt bevestigd door de apostel Paulus, die zegt: “Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.” (1Kor.15:51-52) Deze gebeurtenis wordt wel de Opname genoemd. Daarmee is de voorstelling van zaken aannemelijk gemaakt van een tijdelijk verblijf van de ziel in het dodenrijk. Het lichaam zal worden opgewekt tot een verheerlijkt lichaam en verenigd worden met de ziel.

De grote witte troon

Na het 1000-jarig Vrederijk vindt het zogenaamde laatste oordeel plaats: “En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden. En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken. En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur. En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.” (Op.20:11-15)

______________________________________________________________________________