Een nieuwe dag brak aan, de dag die alles zou veranderen voor Mozes. Toen hij die ochtend met de schapen op pad ging, had hij geen idee dat hij God zou ontmoeten. Het loont om voorbereid te zijn, want we weten nooit wat God voor ons achter de hand heeft. En Mozes was voorbereid omdat hij veertig de schapen had geweid, nu brak de tijd aan dat hij een andere ‘kudde’ mocht gaan leiden. Die veertig jaar waren een goede investering geweest, het was geen verloren tijd, want voorbereiding is ook een dienst voor God.
Inleiding
Mozes ontmoet God bij een brandende braamstruik en omdat hij op heilige grond stond, deed hij zijn schoenen uit (Ex.3:5). De brandende struik is als een metafoor met een drievoudige betekenis. Het was een beeld van God; in de zegenbede van Mozes voor Jozef zegt hij immers “Met het welbehagen van Hem, die in de braamstruik tegenwoordig was (Deut.33:16), want het openbaarde Zijn glorie en macht, maar werd niet verteerd. Mozes moest herinnerd worden aan de glorie en macht van God, want hij stond op het punt een onmogelijke taak op zich te nemen. Ten tweede symboliseerde de struik Israël dat door het vuur van de beproeving ging, maar niet verteerd werd. Hoe vaak hebben naties geprobeerd de Joden uit te roeien, en zijn daarin gefaald! “En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.” (Ex.3:2) In de holocaust, gepleegd in de Tweede Wereldoorlog door Hitler-Duitsland, heeft men gepoogd met gaskamers en verbrandingsovens zes miljoen joden om te brengen, het heeft ertoe geleid dat er in 1948 een staat Israël kon worden opgericht. Tenslotte illustreerde de struik Mozes – een nederige herder, die met Gods hulp een vuur zou worden dat niet te doven was! Merk op dat Mozes naar de plaats werd gebracht waar hij voor God neerknielde en Hem vol ontzag aanbad, want dit is het ware begin van christelijke dienstbaarheid. Dienaren die weten hoe ze in nederigheid hun schoenen moeten uittrekken, kunnen door God gebruikt worden om in kracht te wandelen. De herinnering aan de brandende struik moet Mozes moed hebben gegeven tijdens vele moeilijke mijlen in de woestijn.
De alwetendheid van God
Het is niet ondenkbaar dat Mozes, veertig jaar nadat hij uit Egypte vertrokken was, niet meer zo betrokken was met het lot van zijn volk. Hij was het misschien uit het oog verloren, maar God niet! “Ik heb gezien… Ik heb hun geroep gehoord… Ik ben neergedaald!” lezen we. God was op de hoogte van de situatie en de tijd dat hij zijn volk te hulp zou komen was aangebroken. Van elke gemeente vermeld in Openbaring 3 en 4 lezen dat de Here op de hoogte is van wat er zich afspeelt. “Ik weet uw werken (4x); Ik weet uw verdrukking en armoede; Ik weet waar u woont; Ik weet uw liefde, geloof, uw dienst en uw volharding.” Die wetenschap, dat God alles weet is bemoedigend en vertroostend.
Hoewel we niets daarover lezen kan het zijn dat Mozes zich vaak had afgevraagd hoe het met zijn volk gesteld was, en nu werd hem getoond dat God al die tijd over hen had gewaakt. We kunnen deze verzen gemakkelijk toepassen op de situatie toen Christus werd geboren: het was een tijd van slavernij, beproeving en verdriet, maar God daalde neer in de persoon van zijn Zoon om de mensen van de zonde te verlossen. Een parallel met Nieuwe Testament en de komst van de Heer Jezus, onze Bevrijder is gauw getrokken: “Zo waren ook wij, toen wij onmondig waren, in slavernij onder de elementen van de wereld; maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen die onder de wet waren, vrijkocht, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.” (Gal.4:3-5) God had voor het volk Israël een duidelijk plan: hen uit de slavernij leiden en hen vervolgens naar het Beloofde Land brengen. Wat Hij begint, maakt Hij af. Mozes verheugde zich toen hij hoorde dat God Israël zou bevrijden, maar toen hij hoorde dat hijzelf door God geroepen werd om die bevrijder te zijn, trok hij zich terug. “Ik zal u zenden!” God gebruikt menselijke instrumenten om Zijn werk op aarde te volbrengen. Er waren tachtig jaar van voorbereidingen voor Mozes geweest; nu was het tijd om in actie te komen. Helaas antwoordde Mozes niet, zoals veel later Jesaja deed: “Hier ben ik; zend mij!” (Jesaja 6:8).
Uitvluchten
Mozes was het niet meteen eens met Gods plan om hem te sturen. Was hij geen mislukkeling? Had hij geen gezin? Was hij niet te oud? Misschien speelden deze en andere argumenten door zijn hoofd, maar hij uitte die dag in ieder geval een aantal bezwaren toen hij met God discussieerde over Gods wil voor zijn leven.
“Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?” (Vs.11)
De apostel Paulus wijst ons erop dat je jezelf kan overwaarderen maar ook onderwaarderen (1Kor.12:15-18). We bewonderen Mozes om zijn nederigheid, want veertig jaar eerder zou hij God hebben verteld wie hij was! Hij was geleerd… en machtig in woord en daad.” (Hand.7:22). Maar jaren van gemeenschap en dienst in de woestijn hadden Mozes nederig gemaakt. Het is waar dat wij ‘zonder Hem helemaal niets kunnen doen,” maar “met Hem” zijn we tot grootse dingen in staat (Fil.4:13; Heb.11:32-35). Iemand die handelt vanuit zijn vlees is impulsief en ziet geen obstakels, maar iemand die nederig wandelt in de Geest kent de strijd die voor hem ligt. Gods antwoord was: “Ik zal met je zijn!” Deze belofte ondersteunde hem veertig jaar lang, net zoals later Jozua (Jozua 1:3). Wie wij zijn is niet belangrijk; dat God met ons is, is belangrijk.
“Maar wanneer ik tot de Israeliëten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam? Wat moet ik hun dan antwoorden?” (Vs.13)
Dit was geen ontwijkende vraag, want de Joden wilden de zekerheid dat de Heer, de God van hun vaderen, Mozes op zijn missie had gestuurd. God openbaarde zijn naam “Jehova” – “Ik ben die Ik ben” of “Ik was, Ik ben, Ik zal altijd zijn!” Als God de “Ik ben” is, dan is Hij altijd dezelfde en zullen zijn doelen worden bereikt. God beloofde Mozes dat Hij ervoor zou zorgen dat het werk gedaan zou worden, ondanks de tegenstand van Farao.
“Maar als zij mij niet geloven en niet naar mij luisteren, doch zeggen: de Here is u niet verschenen?” (4:1)
Maar God had net gezegd dat ze hem wél zouden geloven (3:18), dus deze uitspraak was niets anders dan openlijk ongeloof. God gaf Mozes twee wonderen: de staf veranderde in een slang en zijn hand werd melaats. Dit zouden bewijzen zijn voor het volk. God neemt wat we in handen hebben en gebruikt het, als we Hem vertrouwen. Op zichzelf was de staf niets, maar in Gods handen werd het macht. Mozes had met zijn eigen hand een man gedood, maar in het tweede wonder liet God hem zien dat Hij de zwakheid van het vlees kon genezen en Mozes kon gebruiken voor zijn glorie. Zijn eigen hand was niets, maar in Gods hand zou die wonderen verrichten! Toen voegde God een derde teken toe: water in bloed veranderen. Deze tekenen overtuigden Gods volk (4:29-31), maar ze werden nagebootst door de Egyptenaren (7:22).
“Och Here, ik ben geen man van het woord, noch sinds gisteren, noch sinds eergisteren, noch sinds Gij tot uw knecht gesproken hebt, want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.” (4:10)
God had gezegd “Ik ben” – en het enige wat Mozes kon zeggen was: “Ik ben het niet!” Hij keek naar zichzelf en zijn tekortkomingen in plaats van naar God en Zijn macht. In dit geval betoogde Mozes dat hij geen begaafd spreker was (4:10; 6:11, 29). Maar dezelfde God die de mond had gemaakt, kon die ook gebruiken. God heeft geen welsprekendheid of welsprekendheid nodig; Hij heeft alleen een rein vat nodig dat Hij met Zijn boodschap kan vullen. “Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied.” (Deut.18:18) Van Paulus zei men: “Zijn persoonlijk optreden is zwak en zijn spreken verachtelijk.”(2Kor.10:10) Maar Paulus’ “woord en (mijn) prediking bestond niet in overredende woorden van wijsheid, maar in betoon van de Geest en van kracht.” (1Kor.2:4)
“Maar hij zeide: Och Here, zend toch iemand anders.” (4:13)
Deze houding van ongeloof maakte God boos, en Hij gaf Aäron aan Mozes als zijn helper. Helaas bleek Aäron meer dan eens een obstakel dan een hulp te zijn! Hij leidde het volk tot afgoderij (32:15-28) en morde tegen Mozes (Numeri 12). Wat tragisch dat Mozes bereid was een zwakke man van vlees en bloed te vertrouwen in plaats van de levende God van de hemel. Vers 14 leert ons dat God “aan beide kanten van de lijn” werkt wanneer Hij Zijn volk in beweging zet. Hij bracht twee broers Mozes en Aäron samen om Hem te dienen.
God verzekert Mozes.
Mozes had Gods woord, de wondertekenen en de hulp van zijn broer Aäron; toch maken deze verzen duidelijk dat hij nog niet klaar was om door geloof te wandelen. Hij vertelde zijn schoonvader niet de waarheid over zijn reis naar Egypte, want God had hem verteld dat zijn broers nog in leven waren (3:7vv.; 4:18). We waarderen het feit dat Mozes zijn aardse taken op een trouwe manier volbracht voordat hij vertrok, maar hij was geen goed voorbeeld voor God. Let op de verzekeringen die God Mozes gaf toen hij aan zijn nieuwe leven van dienstbaarheid begon. (1) Gods Woord. De mensen die Mozes wilden doden waren dood, en God wilde dat Mozes Hem vertrouwde en niet bang was. Wat een geduld heeft God met de zijnen. (2) Wat een bemoedigende beloften zijn Zijn beloften. Besnijdenis was een belangrijk onderdeel van het Joodse geloof, maar Mozes had verzuimd zijn eigen zoon in het verbond op te nemen (Gen.17:24-27). God moest Mozes tuchtigen (misschien door ziekte) om hem aan zijn verplichting te herinneren. Hoe kon hij Israël leiden als hij zijn eigen gezin niet geestelijk leidde? Mozes stuurde zijn familie later terug naar Midian (zie 18:2). (3) Zijn leiding. God had beloofd dat Aäron zou komen (vers 14), en nu vervulde Hij die belofte. Hoewel zowel Mozes als Aäron hun zwakheden hadden en beiden God en elkaar meer dan eens teleurstelden, was het voor Mozes een grote steun om zijn broer aan zijn zijde te hebben. Ze ontmoetten elkaar op de berg van God, waar Mozes de brandende struik had gezien (3:1). (4) De aanvaarding door het volk. Ook dit was een vervulling van Gods Woord (3:18). Helaas haatten en bekritiseerden deze Joden, die Mozes hadden ontvangen en hun hoofd voor God hadden gebogen, hem later vanwege hun toegenomen arbeid (5:19-23). Het is verstandig om onze hoop niet te vestigen op de reacties van mensen, want mensen komen hun beloftes vaak niet na.