Dogmatiek – OT – Psalm 139 – Drie van Gods eigenschappen

8 september, 2023

Series: Oude Testament

Rubrieken: Dogmatiek

Bijbelboeken: Psalmen

Dogmatiek

Psalm 139

Drie van Gods Eigenschappen

Inleiding

Er zijn meer dan drie eigenschappen van God dan de drie die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. Dat Gods ‘alwetendheid’, ‘alomtegenwoordigheid’ en ‘almacht’ hier besproken worden heeft te maken met het feit dat ik geloof dat deze drie eigenschappen tot uitdrukking komen in Psalm 139. De bespreking van deze Psalm kunt u elders op deze website vinden onder de Rubriek: Oude Testament – Dichterlijke boeken.

Gods Alwetendheid

‘De HERE immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst’ (1Sam.2:3)

Dit is de eerste van de drie eigenschappen van God die hieronder besproken worden. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. God is oneindig in tijd, dat is: eeuwig; oneindig in ruimte, dat is: alomtegenwoordig; oneindig in wijsheid en kennis, dat is: alwetend; oneindig in macht, dat is: almachtig. Het eerste kenmerk van God die we bespreken is ‘alwetendheid’ dat gewoonlijk verwijst naar het gegeven dat God op een onbeperkte mate altijd alles weet over alles wat waarneembaar is, in de werkelijkheid of mogelijkheid. Gods feitelijke kennis kan worden gespecificeerd in de volgende gedeelten van de Schrift (Ps.33:13-15; 139:2; 147:4; Jes.44:28; 46:9-10; Mal.3:16; Mat.6:8; 10:29-30; Hand.2:23; 15:8; Hebr.4:3).

Een aantal teksten suggereren dat God toch niet alles weet: (Gen.11:5; 18:21; Deut.8:2; 13:3; Ps.139:23). De Schrift leert duidelijk dat God zich soms beijvert om ergens ‘achter te komen’, en tegelijk is het waar dat God alles weet en dat niet aan zijn kennis kan worden toegevoegd (Jes.40:13v.). De kennis van God is niet onderworpen aan vermeerdering of afname, noch voorwerp van discussie, en staat niet onder druk van spijt, herinnering of vooroordeel. Gods kennis wordt volmaakt gezien in Jesaja 48:18 en Mattheüs 11:21. Zijn kennis is eeuwig (Hand.15:18), onbegrijpelijk (Ps.139:6), en vol van wijsheid (Ps.104:24; Ef.3:10).

Er zijn drie aspecten betreffende de Goddelijke kennis: (a) zelfkennis, die omvat alles, zelfs Hemzelf; (b) Alwetendheid, over alle dingen die de schepping omvat, in werkelijkheid of mogelijkheid; en (c) voorkennis, die betrekking heeft op dingen die goddelijk bepaald zijn of vooraf bedacht. Alwetendheid kan gelinkt worden aan alomtegenwoordigheid. De praktische waarde is daarom belangrijk: (a) voor hen die beproefd worden in verzoeking, (b) voor hen die verzocht worden door een geheime zonde, die alleen door God gekend is, (c) voor hen die Gods wijsheid nodig hebben waaraan ze zelf tekortkomen (Ps.19:12; 51:6;139:23-24; Jak.1:5).

Gods Alomtegenwoordigheid

‘Op bergen en in dalen en overal is God! Waar wij ook immer dwalen of toeven, daar is God! Waar mijn gedachten zweven of stijgen daar is God! Omlaag en hoog verheven ja, overal is God!’

Het woord ‘alomtegenwoordigheid’ geeft duidelijk weer hoe God persoonlijk overal Zelf aanwezig is, niet alleen met zijn macht of kracht (1Kon.8:27; 2Kron.2:6; Ps.139:12; Jes.66:1; Hand.17:28). Dit bijzonder onderwijs geeft aan dat God geheel aanwezig is op elke plaats, daarom is het duidelijk dat het niet overeenkomt met het pantheïsme, dat een persoonlijke God loochent. Er bestaat echter ook een plaatsgebonden aanwezigheid van God, zoals: ‘Onze Vader die in de hemelen is’. En: ‘Hij is gezeten aan de rechterhand van de troon van God’; ‘Een woonplaats van God door de Geest’ (Mat.6:9; Ef.2:22; Kol.3:1; Heb.12:2; Ps.113:5; 123:1; Rom.10:6-7). God was op een speciale manier in Christus (2Kor.5:19), de Zoon woont in de gelovige (Joh.14:20; Kol.1:27); de Geest woont in de gelovige (1Kor.6:19); de Vader, de Zoon en de Geest zijn allen in een onverminderde en onverdeelde wijze aanwezig in elke gelovige (Rom.8:9; Gal.2:20; Ef.4:6).

Gods Almacht

‘Wat Gods liefde wil bewerken, ontzegd Hem zijn vermogen niet’

Almacht is een eigenschap die alleen God toebehoort. Het spreekt van zijn ongelimiteerde macht (Gen.18:14; Ps.115:3; 135:6; Jes.43:13: Jer.32:17; Mat.19:26; Mark.10:27; Luk.1:37; 18:27). Het woord ‘almacht’ vinden we tien keer in het Nieuwe Testament waar het weergegeven wordt door het woord Almachtige (Op.19:6; 2 Kor.6:18; Op.1:8; 4:8; 11:17;15:3; 16:7,14; 19:15; 21:22). In het Oude Testament betekent het woord El Shaddai ‘de Almachtige God’ en wordt zeven keer vermeld (Gen.17:1). Gods oneindige macht wordt uitgeoefend onder de controle van zijn heilige wil. God is in staat alles te doen, en om morele oorzaken kan Hij het doen, alleen als het in samenspraak is met zijn heilig karakter. Hij zal niet verkeerd noch dwaas handelen (Gen.1:1-3; 18:14; Jes.44:24: Mat.3:9; 19:26; Rom.4:17; 2Kor.4:6; Ef.1:11, 19-21; 3:20; Heb.1:3). Let op alle gedeelten waar het woord ‘in staat is’ wordt vermeld, ‘God is in staat’ (2Kor.9:8). ‘Macht’ is het bezit van controle, gezag of invloed over anderen. Sommige hebben enorme fysieke kracht en oefenen toch weinig macht over anderen uit, en visa versa. God is zowel ‘krachtig’ als ‘machtig’, oftewel: Hij heeft onbeperkte energie en vermogens, en Hij oefent onbeperkt gezag over het heelal. God kan alles doen om te verwerkelijken wat Hij wil, maar Hij zal niet alles willen wat Hij kan doen.

Toch zijn er wel degelijk dingen die God niet kan doen. Kunnen is niet altijd fysieke kracht en niet kunnen is niet altijd gebrek aan fysische kracht; soms gaat het om morele onmogelijkheid. Zo vertelt de Schrift dat God ‘niet liegen kan’, dat Hij zichzelf niet ‘kan verloochenen’, dat Hij geen berouw ‘kan’ hebben en dat Hij niet verzocht ‘kan’ worden door het kwaad; ja, Hij ‘kan’ het kwaad niet aanzien. In geen van deze voorbeelden van wat God niet ‘kan’ doen, gaat het om een gebrek aan wat we in creatuurlijke termen Gods ‘kracht’ noemen. Ze hebben te maken met God intrinsieke onmogelijkheden om te zondigen. Als God zou ‘kunnen’ zondigen, zou Hij niet God zijn. Dit is geen beperking van zijn fysische kracht, maar drukt slechts uit dat God niet kan doen wat in wezenlijke tegenspraak met zijn eigen wezen is. Gods almacht is intrinsiek gebonden aan zijn morele wezen, zijn deugden, zijn consistentie. God kan alles, behalve ophouden zichzelf te zijn.

______________________________________________________________________________________________________________________________