Oude Testament – Lessen uit het boek Richteren

18 augustus, 2023

Bijbelboeken: Richteren

Bijbel – Oude Testament

Lessen uit het boek Richteren

Inleiding

Voordat Mozes stierf had hij een opvolger aangewezen Jozua (Deut.31:1-8; 34:9). Zoals Jozua, na de dood van Mozes de geschiedenis van het volk Israël verder zet (Joz.1:11), vervolgen de richters na de dood van Jozua, Israëls geschiedenis (1:1). Jozua wees geen opvolger aan, we lezen: ‘Het geschiedde na de dood van Jozua, dat de Israëlieten de Here vroegen…’ (Richt.1:1). De principes, normen en de wijze van handelen van God in het Oude Testament verschilt niet met die van het Nieuwe Testament, met andere woorden: God is Dezelfde (Mal.3:6; Heb.13:8; Jak.1:16). Het boek Richteren is een verslag van nederlaag en ontrouw, zoals we dat kunnen lezen in het sleutelvers, Richteren 17:6: ‘In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen’. De Here was geen Koning meer in Israël, de stammen waren verdeeld, het volk had zich vermengd met de heidense volken, redenen waarom God het volk tuchtigde om hen weer tot Zichzelf te brengen. Het hele boek Richteren kunnen we met de volgende kernwoorden samenvatten: zegen- ongehoorzaamheid – tuchtiging – berouw – bevrijding (Richt.2:10-19). Richteren is een boek van onvoltooide overwinningen; het is een boek van het falen van Gods volk om op zijn Woord te vertrouwen en te gaan in de kracht van zijn Geest. Wanneer we het boek Richteren lezen kunnen we allerlei conclusies trekken uit voorvallen en personen en die toepassen op onze eigen leven en bediening vandaag.

Geestelijke lessen

Om even terug te keren naar het voorgaande boek Jozua, daar kwamen we daar drie belangrijke zaken tegen: (1) het overstekken van de Jordaan, (2) de overwinning van de vijand en (3) het in het bezit nemen van de erfenis. Jozua vermeld hoe Israël de rivier overstak en begon met de vijanden te bestrijden, maar het boek eindigde met de opmerking: ‘Er is nog zeer veel land overgebleven om in bezit te nemen’ (Joz.13:1; 23:1-11). Het werk was niet afgemaakt. ‘Het overtrekken van de rivier’ wil zeggen, het doden van je eigen ik en een leven leiden gescheiden van de zonde en toegewijd aan God; het betekent ook dat je je geestelijke erfenis door geloof in bezit neemt (Ef.1:3). Kanaän, het beloofde land, is een type van onze erfenis in de hemelse gewesten in Christus. Kanaän is geen beeld van de hemel, want de gelovige hoeft geen strijd te voeren om zijn hemels huis binnen te gaan. Kanaän is een type van Gods erfenis in Christus, geschonken aan de gelovige om het in bezit te nemen door geloof. Het overwinningsleven van een gelovige is een leven van strijd en zegen, maar toch is het ook een leven van vrede. In Hebreeën 4-5 zien we dat het binnengaan van het volk in Kanaän een type is van een gelovige die een leven binnentreedt van rust en overwinning door geloof in Christus. Te veel gelovigen bevinden zich in hun geestelijk leven tussen Egypte en Kanaän. Ze zijn bevrijd van de macht van de zonde, maar ze zijn niet door geloof ingegaan in de erfenis van vrede en overwinning. Maar nadat je deze stap van geloof gezet hebt, is het gemakkelijk te verzwakken, of je te vermengen met de vijand. Israël trok het land binnen, maar ze faalde om de gehele erfenis in bezit te nemen. Ten eerste tolereerde ze de vijand, vervolgens nam ze belastingen aan van de vijand, daarna vermengde ze zich met de vijand, en tenslotte gaf ze zich over aan de vijand (Richt.1). Het was alleen door Gods ‘bevrijders’ (de richters) dat de Israëlieten overwonnen. Hoe gemakkelijk is het ook voor gelovigen ‘om met zonde om te gaan’ en de totale toewijding en overwinning verliezen. In dit boek worden twaalf verschillende richters genoemd, door God geroepen om een speciale vijand in een speciaal gebied te verslaan opdat het volk rust zou krijgen. De richters waren geen nationale leiders; ze waren eerder lokale leiders die het volk van verschillende onderdrukkers bevrijden. Het is mogelijke dat sommige onderdrukkers of periodes elkaar overlappen. Van de twaalf richters, was Debora de enige vrouw. In die dagen was er geen koning in het land (Ri.17:6; 21:25). Onder richters verstaan we personen die door God verwekt werden als verlossers van de onderdrukkers en heersers over het volk. De meest bekende zijn Gideon, Barak en Simson. Sommige waren geestelijke zwak zoals Gideon andere fysiek sterk zoals Simson, maar God kan elk mens gebruiken voor zijn dienst.

Niet alle stammen namen deel aan elke strijd; er was vaak ook nog rivaliteit tussen de stammen. Dat God deze ‘gewone mensen’ als richters riep en dat op een machtige manier, is nog maar eens een bewijs van zijn genade en macht. De Geest van God kwam op deze leiders voor een speciale opdracht (6:34; 11:29; 13:25), hoewel hun eigen leven niet altijd voorbeeldig was. De paar honderd jaar dat de richters optraden was een voorbereiding van de latere vraag van Israël om een koning (1Sam.8). Wanneer God iemand roept in zijn dienst geeft Hij hem daarvoor ook de kracht; dat was toen zo en is nu nog zo! Let maar eens op Gods ‘gereedschapskist’ zoals die beschreven wordt in de eerste brief aan de Korinthiërs: ‘Want kijk naar uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken; maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is te niet te doen, opdat geen vlees roemt voor God’ (1Kor.1:26-29). Dus wat let u, wie u ook bent, stel u beschikbaar en als Hij u roept zal Hij u ook alles schenken wat nodig is!

De vijanden blijven

‘Door mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde’ (Spr.8:15-16). De Heer regeert, Hij zet koningen aan en zet koningen af (Ps.47:9; 97:1; 99:1; Dan.2:21). Hij kan vorsten gebruiken om zijn volk te tuchtigen als die Hem verlaten zoals in het boek Richteren het geval was. In het beloofde land bevonden zich veel volken en onbeduidende koningen, die over kleine gebieden heersten. Zo wordt gesproken van de Kanaänieten, Ammonieten, Amelekieten enz. Telkens wanneer het volk ontrouw is, wordt het volk getuchtigd door een van deze volken, waarna het volk zich bekeert en God een richter stuurt die hen verlost (Richt.212,14,15,18). God stond de heidense volken toe in het land te verblijven om verschillende redenen: (1) om Israël te tuchtigen (2:3, 20-21); (2) Israël op de proef te stellen (2:22; 3:4); (3) Israël te oefenen en voor te bereiden op strijd (3:2) en tenslotte (4) te voorkomen dat het land verwaarloosd zou worden (Deut.7:20-24).  Jozua had het gehele volk over de grote vijanden laten strijden; de weg was nu voorbereid voor elke stam om in geloof verder te gaan, de ‘kleine’ vijanden te bestrijden en de erfenis, die door loting aangewezen was, in bezit te nemen. Het boek Jozua is het boek waar we een onverdeeld volk zien. Het boek Richteren laat ons een verdeeld volk zien dat niet aan God toegewijd is. Ze waren het verbond van dat ze bij de Sinaï waren aangegaan, vergeten. Het volk kon van een totale overwinning genoten hebben; in plaats daarvan stelden ze zich tevreden met een compromis. De hoofdstukken 3-16 tonen ons de ‘op-en-neer’ ervaringen van Gods volk. Helaas wijdde het volk zich niet toe aan God om Hem te gehoorzamen; ze zagen op de menselijke helpers die God zond. Veel gelovigen hebben hun ‘op-en-neer’ ervaringen’ en zoeken hun hulp bij hun voorganger of andere vrienden, in plaats van God ingang te geven in hun hart zodat Hij hun problemen zou kunnen oplossen.

Waarin het volk faalde

  1. Het volk faalde om het land in bezit te nemen (1:1-36)

De verzen 1-18 vermelde de eerste overwinningen van Juda en Simeon, terwijl de rest van het hoofdstuk de verschillende nederlagen vermelden. Deze twee stammen waren in staat geweest om Bezek (vs.4), Jeruzalem (vs.8), Hebron (vs.10), Sefat (vs.17), Gaza, Askelon en Ekron (vs.18) in bezit te nemen. Het volk van Jozef nam Betel in (vs.22) maar de rest van de stammen waren niet in staat om de vijanden te verdrijven. Wat met een reeks overwinningen begon, geleid door de Heer, eindigde in een reeks van compromissen. Juda kon de inwoners van de valleien niet verdrijven (vs.19; zie 4:13vv.) Benjamin kon de Jebusieten niet overwinnen (vs.21) en de andere stammen stelden zich tevreden met de aanwezigheid van de heidense volken (vs.27-36). Natuurlijk zouden deze tekortkomingen op een rationele manier te verklaren zijn geweest, bijvoorbeeld door te zeggen dat we de heidense volken tot slaven hadden gemaakt; maar dat gaf later alleen maar meer problemen! In Jozua 23-24 had Jozua het volk gewaarschuwd om zich niet met de heidense volken te verbinden, maar dat gebeurde helaas wel.

  1. Ze faalden om de Wet te houden

Dit was natuurlijk de diepste oorzaak van hun falen en nederlagen. God had Jozua blijvende overwinningen beloofd als het volk Gods Woord zou eren en gehoorzamen (Joz.1:7-8), en Jozua had deze belofte herhaald aan de leiders van het volk (Joz.23:5-11). Gilgal was het toneel geweest van een grote overwinning voor Israël, maar nu ging de Here van Gilgal naar Bochim, ‘de plaats van tranen’, wat Israëls teruggang benadrukte; van overwinning naar nederlaag. (Zie voor het belang van Gilgal, Joz.5:1-9; 9:6;10:6. Gilgal was het centrum van de militaire operaties, het kamp van Jozua. Nu was het verlaten.) God herinnerde het volk eraan dat zij ongehoorzaam waren geweest om de Wet te houden door verdragen te maken met de heidense volken en zich te verbinden met hun goden. Lees eens aandachtig Deuteronomium 7 betreffende Gods instructies wat betreft de verhouding tot de inwoners van Kanaän. Het volk had de Wet gehouden tijdens de jaren van Jozua en de leiders die hem opvolgden, maar toen die stierven, liet het volk het afweten. ‘Nadat ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk, dat Hij voor Israël gedaan had’ (Ri.2:10). Ze hadden zelf hun eigen kinderen niet bij de Heer gebracht! Ze hadden gefaald hun kinderen te onderwijzen in geschiedenis en de Wet, zoals de Here hen had gezegd te doen in Deuteronomium 6:1-15! Hoe vaak gebeuren gelijkaardige zaken niet in onze gemeenten en gezinnen. Hoe gemakkelijk is het voor de ‘jongere generatie’ om de Heer te verlaten als de ‘oudere generatie’ faalt in hun verantwoordelijkheid en in het overbrengen van God Woord.

  1. Ze faalden om bij de Heer te blijven

Ze verlieten de Heer en gingen achter andere goden aan. De religie van de Filistijnen was gruwelijk, met praktijken die we hier beter niet verder uitwerken. De verering van Baäl en Astarte – mannelijke en vrouwelijke goden – (vs.13), waren een blijvend probleem in de geschiedenis van het volk Israël. Eenmaal dat het bij hun binnenkwam, was het moeilijk, zo niet onmogelijk deze er weer uit te krijgen. Toen het volk de Here verliet, verliet de Here hen. Telkens liet Hij hen in de handen van de vijanden vallen. In plaats van te genieten van de rust die God hen voor ogen had gesteld, was het volk voortdurend in slavernij van de heidense volken, voor honderden jaren, zo nu en dan onderbroken door een periode van rust, door de Here bewerkt. Telkens wanneer de verdrukking zeer ernstig was riep het volk uiteindelijk tot de Here. God zond wel een richter, maar we moeten wel beseffen dat God met de richter persoonlijk was en niet met het volk als geheel. Jammer genoeg keerde het volk zich alleen tot de Here wanneer het in grote problemen was; eenmaal wanneer het oordeel voorbij was, verviel het volk weer in de zonde. Deze wijze van handelen zien we helaas ook bij veel gelovigen. In tijden van beproeving maken ze compromissen met de vijand in plaats van deze in de kracht van de Geest te bestrijden en te overwinnen, maar laten ze zich meetrekken in een nederlaag. Het ‘ik vermag alle dingen door Hem’ is dan ver zoek! Zijn ook wij soms ongehoorzaam aan Gods Woord, en falen we om God lief te hebben en aan Hem vast te houden in de kracht van het geloof? Wanneer dat gebeurt, moet God ons tuchtigen, en de enige oplossing voor ons is dan berouw te hebben en terug te keren tot de Here. Laten de ‘lessen uit het boek Richteren’ voor ons tot voorbeelden zijn, opdat wij geen begeerte in het kwade zouden hebben! (1Kor.10:6).

______________________________________________________________________________________________________________________________