Oude Testament – Teleurgesteld in God – Ruth 1

18 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Ruth

Bijbel – Oude Testament

‘Teleurgesteld in God’

Ruth 1

‘We kunnen de omstandigheden van het leven niet beheersen,  maar we hebben wel controle over onze reactie’

Inleiding

Teleurstellingen maken deel uit van het leven. De meeste mensen zijn wel ergens in teleurgesteld en daar ontkomen gelovigen ook niet aan. De oorzaken waardoor we teleurgesteld kunnen worden zijn verschillend. Het kan zijn dat we teleurgesteld zijn in de omstandigheden, mensen, kerk, gelovigen of zelfs in God. In denk dat Noömi in veel dingen teleurgesteld was maar bovenal in God want concludeerde zij: ’De hand des HEREN is tegen mij uitgestrekt’ (Ruth 1:13, 20, 21). Maar ik denk dat haar conclusie niet terecht was. Noömi en haar man Elimelek hadden namelijk tijdens een hongersnood de beslissing genomen om naar Moab te gaan, een land en volk dat zich vijandig gedroeg tegenover Gods volk. We lezen niet dat zij daarover de Here raadpleegden en ook lezen we niet dat de Here hen daarvoor opdracht had gegeven. Ze deden wat goed was in hun eigen ogen en gingen een eigen weg (Ri.21:25). De tekst: ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ werd helaas werkelijkheid voor Elimelek en hun beide zonen (Spr.16:25). Het is niet zo dat gelovigen geen keuzes mogen maken maar het kan gebeuren dat ze een verkeerde keuze maken omdat ze God niet in hun plannen betrekken (Joz.9:14). Noömi en Elimelek vonden in Moab wel voedsel voor het lichaam, maar ze ontmoeten daar ook de ene tegenslag na de andere. Elimelek en Noömi zouden zich hebben moeten afvragen hoe ze in die moeilijke situatie terecht waren gekomen, maar ik geloof dat Noömi daar geen pogingen toe heeft ondernomen want zelfs na haar terugkeer naar Betlehem geeft ze van alles God de schuld (Ruth 1:13, 20, 21). Geen wonder dat ze als een verbitterde vrouw terugkwam en dat ze in God teleurgesteld was! We kunnen uit de haar overkomen gebeurtenissen een aantal lessen ter harte nemen.

Ongeloof: weg lopen voor onze problemen (Ruth 1:1-2)

‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood.’ (Spr14:12)

Het was in de tijd van de Richteren waarin ElimleK en Noömi leefden, een tijd waar iedereen deed wat goed was in eigen ogen (Ri.21:25). Het was ook een tijd waarin leiders ontbraken (5:7), dus waar moesten ze heen om raad te vragen voor wat ze moesten doen nu er hongersnood was? In het leven van een gelovige komen beproevingen voor en het is beter ze te ondergaan zodat we in ons geloof kunnen groeien, dan ze proberen te ontlopen! Maar dat is een les die Noömi en Elimelek door ervaring moesten leren! De hongersnood die in het land was ontstaan was een serieuze beproeving; wat moesten ze doen? Abraham was vroeger in soortgelijke omstandigheden geraakt en trok naar Egypte met het gevolg dat de consequenties daarvan vandaag de dag nog merkbaar zijn. We denken maar aan de strijd tussen Israël en de nakomelingen van Ismaël! Beproevingen mogen we opvatten als tuchtigingen van God, we kunnen ze afwijzen door ze negeren, gering achten door ze niet serieus te nemen en we kunnen er ook onder bezwijken. Maar de Bijbel roept ons op ze te verdragen tot tuchtiging, tot ons nut, opdat we deel zouden krijgen aan Gods heiligheid (Heb.12:5-6, 10). Iemand heeft het zo omschreven: We kunnen tuchtiging verdragen, maar als het alleen maar dat is, kan het ons bitter maken. We kunnen proberen tuchtiging te ontlopen maar dan missen we het doel dat God in ons leven wil bereiken. We kunnen tuchtiging ter harte nemen en zullen dan groeien in ons geloof en mogen die tuchtiging dan aanvaarden als ‘die dingen’ die meewerken ten goede voor hen die geloven (Rom.8:28). Verkeerde keuzes maken kan als reden hebben dat we God niet in onze nood hebben betrokken en geraadpleegd. Ik denk aan het handelen van Jozua met in verband met de list van de Gibeonieten, waarin hij een verkeerde beslissing nam, althans zo bleek later. En hoe kwam het? ‘Zij raadpleegden de Here niet’ (Joz.9:14). Een ander voorbeeld waarbij het verkeerd ging omdat men God niet geraadpleegd had, was de dood van Uzza, die wellicht met goede bedoelingen verkeerd handelde door de ark te willen beschermen en gedood werd. En waarom? ‘Omdat zij de Here niet hadden geraadpleegd zoals het behoorde! (1Kron.13; 15:13). Het was voor Elimelek en Noömi – en in voorkomend geval ook voor ons – beter geweest hun zaak aan de Here voor te leggen, ‘want Hij doet grote en ondoorgrondelijke dingen’ (Job 5:8-9, 5:17-20).  Elimelech’s naam betekend ‘mijn God is Koning’, maar waar bleek dat uit? Hij en zijn vrouw gingen hun eigen weg en vielen daardoor onder de tuchtigende hand van God.

Tegenslag: smart op smart (Ruth 1:3-7)

‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’

In de reeks: ‘De schrift betwist’ heeft de auteur Maarten ’t Hart in 1997 een boek geschreven met de titel: ‘Wie God verlaat heeft niets te vrezen’. Dat was volgens sommige recensenten een reactie op de angst die hem als kind in Maassluis was bijgebracht waar hij te horen had gekregen: ‘Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’. Volgens ’t Hart zaten achter die woorden een harde, wrekende God en getuige zijn triomfantelijke ontkenning heeft Maarten ‘t Hart er nog steeds last van. Maar heeft Maarten ’t Hart deze woorden wel goed begrepen vraag ik mij af en ik geloof van niet. Het is geen Bijbelvers maar toch ligt er veel waarheid in het gezegd: ‘Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’. ‘Smart op smart’ zouden we kunnen vertalen als een middel tot tuchtiging die een gelovige moet ondergaan wanneer hij een verkeerde weg heeft ingeslagen. Het kan een aanwijzing zijn dat God met ons bezig is en dat ‘Hij niet laat varen het werk van zijn handen’! Tegenslagen in het leven kunnen we ook omschrijven als levensstormen. Er zijn drie soorten ‘stormen’ te onderscheiden waarin wij terecht kunnen komen. Ten eerste een ‘storm’ waarin de Heer ons brengt (Mark.6:45). Ten tweede een ‘storm’ waarin we door eigen toedoen geraken (Jona 1). Tenslotte een ‘storm’ waarin wij door de schuld van anderen in kunnen komen (Paulus – Hand.27:11, 21). Te weten in wat voor een soort storm men zit is belangrijk voor de uitkomst. Hoe reageren wij op een ‘storm’ in ons leven? Hizkia zei ná zijn storm: ‘Zie, mijn bittere beproeving werd tot heil!’ (Jes.38:17). En het waren serieuze ‘stormen’ want Elimelek stierf en daarna de beide zonen Machlon en Kiljon. Was God dan toch een wrekende God? Dat niet, maar wanneer we verkeerde keuzes maken in ons leven dan moeten we ook bereid zijn de consequenties te dragen. Elimelek was uit Bethlehem vertrokken naar het land van de vijand van het volk Israël, Moab. De Moabieten waren nakomelingen van Lot en mochten niet in de gemeente van Israël komen (Gen.13:37; Deut.23:3; Ezra9:1-2). Om het over te brengen naar onze tijd zou je kunnen zeggen: ‘Men heeft zich niet onbesmet van de wereld gehouden en zijn daarin omgekomen’. Noömi, haar naam betekent ‘lieflijke’, zei bij haar terugkeer in Bethlehem tegen de daar aanwezige vrouwen die haar nog kenden en die zeiden toen ze haar zagen: ‘Is dit Noömi?’. Waarop Noömi antwoordde: ‘Noemt mij niet Noömi; noemt mij Mara, want de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’ (1:19, 20). Mara betekend ‘bitter’. Ze was getekend door de gebeurtenissen die in haar leven hadden plaatsgevonden. Bitterheid kan het gevolg zijn van niet verwerkte ervaringen (Heb.12:15).

Misleiding: proberen onze fouten te verbergen (Ruth 1:7-18)

‘Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn’

Bij het lezen van de verzen 7-18 kan het zijn dat u zich afvraagt waarom Noömi probeerde de beide schoondochters af te brengen van hun wens om met haar mee te gaan naar Israël. Ik denk dat ze haar schoondochters niet mee wilde omdat ze het levend bewijs waren dat Noömi en haar man erin bewilligd hadden dat hun zonen met Moabitische vrouwen waren getrouwd wat verboden was (Ezra 9:1-2). Moab was verwekt door Lot bij één van zijn dochters (Gen.19:30-38) en zowel de Ammoniet en Moabiet mochten niet in de gemeente des Heren komen (Neh.13:1). Door te weigeren deze twee vrouwen met haar mee te nemen naar het land Israël probeerde Noömi mogelijk haar gemaakte fouten voor anderen te verbergen. Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming (Spr.28:13). Daar is David een groot voorbeeld van. In Psalm 51 lezen we dat hij zijn schuld aan God belijdt en terug de blijdschap en vrede hervindt die hij kwijt was. Het lukte Noömi niet om haar schoondochter Ruth van gedachte te doen veranderen, want zei deze: ‘Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’ (1:16). Naast Thamar, Rachab en Maria is Ruth één van de vier vrouwen die in het geslachtsregister van de Heer Jezus is opgenomen (Mat.1:5). Daarin mogen we de genade van God zien.

Bitterheid: God de schuld geven

 ‘Het doel van beproevingen is dat ze ons beter zouden moeten maken, niet bitter!’

Noömi keerde naar haar land terug, maar niet naar haar God. Noömi kwam terug als een vrouw met lege handen en een leeg hart, naar een leeg huis. Er was geen verbrokenheid te bemerken bij haar, maar eerder verbittering. Het doel van beproevingen is dat ze ons beter zouden moeten maken, niet bitter. Bitterheid komt van gebeurtenissen die in ons leven voorgekomen zijn, maar nog niet verwerkt. Moeilijkheden in je leven kunnen je dichter bij God brengen denk maar aan die andere weduwe Anna uit Lukas 2 die God diende dag en nacht, en ook Hanna uit 1 Samuël 1. Maar het kan ook zijn dat tegenslagen je verder van God af brengen zoals bij Noömi. Bij haar terugkeer in Bethlehem zit ze vol verwijten en is erg verbitterd. Ze wil dat ze haar Mara noemen, dat is ‘bitter’! Wanneer we de uitspraak van Job (Job.1:21) met die van Ruth (1:20) vergelijken zien we wel een heel opmerkelijk verschil. Bij Job, die toch ook veel en grote tegenslagen heeft gekend, is het ‘de Naam des Heren zij geloofd’, wat bij Noomi ontbreekt. Job kon zeggen toen hij het bericht kreeg van de dood van zijn zonen: ‘De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ en ‘Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet? (Job.2:21, 10). Het hoofdstuk eindigt dan ook met het veelzeggend woordje ‘Zó’. Zo, keerde Noömi terug als een verbitterde vrouw. Ze was teleurgesteld in God, want ze verweet al haar moeiten en tegenslagen aan God. Vier van haar uitspraken bevestigen dat ze in God teleurgesteld was: ‘De hand des Heren is tegen mij uitgestrekt’, ‘De Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan’, de Almachtige heeft tegen mij getuigd’ en ‘De Almachtige heeft mij kwaad aangedaan’ (1:13, 20, 21). Ze had een verkeerd beeld van God, zoals Maarten van ’t Hart, en besefte niet dat de tuchtigende hand van God een bewijs van zijn liefde was, want de kinderen die God liefheeft tuchtigt Hij’ (Heb.12:4-11). Ook wij moeten oppassen niet in de omstandigheid te komen waardoor we in grote problemen geraken waardoor we verbitterd kunnen worden, doordat we een eigen weg inslaan zoals Noömi.

Verandering: God grijpt in

 ‘We kunnen de geschiedenis niet veranderen, maar de geschiedenis kan ons wel veranderen’

 Na regen komt zonneschijn is het gezegde en zo is het ook met beproevingen, ze komen onverwacht en zijn vaak niet verklaarbaar maar duren niet voor altijd (Jak.5:10-12). Vanaf hoofdstuk 1 verdwijnt Noömi min of meer van het ‘podium’ en staat Ruth op de voorgrond. Het einde van het boek Ruth laat wel een heel andere Noömi zien, een Noömi met haar kleinkind op schoot. ‘En de vrouwen zeiden tot Noömi: Geprezen zij de HERE die het u heden niet laat ontbreken aan een losser, en zijn naam worde vermaard in Israël. En hij zal uw ziel verkwikken en u in uw ouderdom verzorgen; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, zij, die u meer waard is dan zeven zonen. En Noömi nam het kind en legde het op haar schoot en zij werd zijn verzorgster’ (Ruth 4:14-16). Mogen we uit de woorden ‘Hij zal uw ziel verkwikken’ concluderen dat het uiteindelijk met Noömi goed is gekomen en dat haar verbittering is veranderd in een stille aanvaarding? Van Jacobus horen we: ‘U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt uit het einde van de Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontferming is’ (Jak.5:11). ‘Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg.3:32).

______________________________________________________________________________________________________________________________