Vragen Eschatologie – Wie zijn de 24 Oudsten? Openbaring 3 en 4 – Nummer 26

11 augustus, 2023

Rubrieken: Vragen Eschatologie

Bijbelboeken: Openbaring van Johannes

Vragen Eschatologie

Wie zijn de vierentwintig oudsten van Openbaring?

Nummer 26

Inleiding

In de pretribulationistische visie, die visie die Gemeente opgenomen ziet vóór het uur van de verzoeking die over het hele aardrijk zal komen, ook wel met de term ‘Grote Verdrukking’ gelijkgesteld hoewel dat in principe niet juist is, is het belangrijk om aan te tonen dat de opname heeft plaatsgevonden ná hoofdstuk 2 en 3. In die visie zijn de hoofdstukken 2 en 3 een profetische beschrijving van de christelijke kerk in haar verantwoordelijkheid op aarde.

Men plaats ná die geschiedenis de Opname onder verwijzing naar 4:1 waar staat: ‘Hierna (dus ná hoofdstuk 2 en 3) zag ik, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren’. Aan het hoe, wanneer en waarom van de Opname wordt hier in Openbaring voorbijgegaan, omdat het al voldoende is vermeld in andere Schriftgedeelten (Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-53; Kol.3:4; 1Thes.4:13-18).

De 24 oudsten

De oudsten vermeld in het boek Openbaring zijn een opvallende groep van personen, die tot twaalf keer toe in de hoofdstukken 4–19 vermeld worden (4:4, 10; 5:5, 5, 8 ,11, 14; 7:11, 13; 11:16; 14:3: 19:4). De eerste keer zien wij ze zitten op tronen rondom de troon van God in de hemel. Ze aanbidden God en prijzen hem voor zijn scheppingswerk (4:4, 10-11). Ze loven de Heer Jezus voor zijn verlossingswerk (5:8-12). Ze prijzen God voor de behoudenis van hen die uit de grote verdrukking zijn gekomen en vóór de troon van God zijn en Hem dienen (7:13-17). Ze prijzen God dat het koningschap is gekomen en Hij het oordeel zal uitvoeren en zijn rijk op aarde zal oprichten (11:16-18). En zij prijzen God voor het oordeel over het grote Babylon, de hoer, de valse kerk (19:4). Over het bepalen van de identiteit van de oudsten is veel onenigheid. Zijn deze oudsten mensen of engelen? En als zij mensen representeren, zijn het dan de gelovigen van het Oude testament of van het Nieuwe Testament, of beide? De Bijbelse beschrijving geeft toch aanleiding om aan gelovigen uit het Gemeentetijdperk te denken. Ze zijn al in de hemel (Op.4-5) vóórdat de oordelen uitgevoerd worden, de eerste zes zegels, die hun aanvang hebben in hoofdstuk 6 en zij zitten op tronen vóór Gods troon (4:4). In de tegenwoordigheid van God horen we nooit dat engelen zitten op tronen. De Heer Jezus heeft zijn volgelingen echter wel beloofd dat ze met Hem zouden zitten op tronen (3:21). God heeft de wedergeboren gelovigen echter al in de positie gebracht met Christus te doen zitten in de hemelse gewesten (Ef.2:6). De oudsten zijn gekleed in witte kleren (4:4). De belofte aan de gelovigen van de Gemeente om bekleed te worden met witte kleren vinden we in Openbaring 3:5, 18; 19:7-8. De oudsten dragen gouden kronen op hun hoofden (4:4). De kronen zijn een teken van overwinning. Zulke kronen werden ook beloofd aan de gelovigen van de Gemeente (2:10; 3:11). Ook in de brieven van de apostelen worden de gelovigen van de Gemeente kronen in het vooruitzicht gesteld (1Kor.9:25; 1Thes.2:19; 2Tim.4:8; Jak.1:12; 1Petr.5:4). Engelen dragen geen kronen, maar gelovigen wel en zullen het doen zoals blijkt.

Opvallend is het getal van vierentwintig. Koning David verdeelde de levitisch priesters in vierentwintig afdelingen (1Kron.24). Elk van deze afdelingen representeerde de hele priesterlijke stam en het gehele volk Israël, wanneer ze voor God hun dienst uitoefenden. Op die wijze representeerde het getal vierentwintig in Openbaring ook een grotere groep. Het hoeven daarom niet exact vierentwintig individuele personen te zijn. De oudsten zien zichzelf als koningen en priesters (5:10). De gelovigen van de Gemeente zijn ook een koninklijk priesterdom (1Petr.2:9; Op.1:6). Omdat Christus priesterkoning is naar de orde van Melchizedek (Heb.5-7), zijn ook de gelovigen, in Christus, priesterkoningen.

De oudsten worden duidelijk van engelen onderscheiden (5:11). Het begrip (presbyteros) (oudste) wordt op geen enkele plaats in de Schrift aan engelen toegeschreven, vaker echter op leiders en vertegenwoordigers van de Gemeente (Hand.20:17; 1Tim.3:1-7; Tit.1:5-9). We zijn dat ook van mening dat de vierentwintig oudsten de verloste gelovigen van de Gemeente representeren. Ook omdat ze al opgenomen zijn in de hemel 4:1) vóórdat de oordelen over de aarde losbarsten (Op.6-16).

Aartsengelen?

De argumenten, die door anderen worden aangehaald als zouden de 24 oudsten een speciale klasse van aartsengelen moeten zijn, zijn m.i. niet overtuigend genoeg. Er is geen enkel aantoonbaar bewijs voor deze mening.

______________________________________________________________________________________________________________________________