Laatste woorden van stervenden kunnen veelzeggend, sarcastisch of oprecht gemeend zijn. Om maar enkele voorbeelden te noemen: Een groot zakenman vroeg op zijn sterfbed hoe hoog de opbrengsten die dag waren geweest. Op zijn sterfbed werd Alexander de Grote omringd door zijn meest prominente generaals, de diadochen, die hem vroegen wie zijn rijk zou erven. De koning antwoordde ontwijkend: ‘De sterkste.’ “Love one another” (“Heb elkaar lief.”) waren George Harrison laatste woorden. “Dieu me pardonnera, c’est son métier.” (“God zal me vergeven, ‘t is z’n vak.”) zei Heinrich Heine, Duits dichter. “Ga weg! Laatste woorden zijn voor dwazen die nog niet genoeg hebben gezegd!” – Karl Marx, Duits filosoof. Spurgeon, de prins der predikers, zijn laatste woorden waren, “Jezus stierf voor mij!” John Wesley, de grondlegger van de Methodisme, zei: “Het best van alles is, dat God met ons is!”
Inleiding
De Heer Jezus had tijdens zijn korte bediening van ongeveer drie jaar op aarde zeker veel gezegd, maar hij vond het belangrijk om nog meer te zeggen, en hij deed het vanuit de plaats van lijden, het kruis. De Koning der Koningen veranderde het kruis in een troon en sprak koninklijke woorden van geestelijke waarheid, woorden die we koesteren en waar we zelfs vandaag de dag nog van kunnen leren. Omdat hij de waarheid is en de waarheid spreekt, is alles wat Jezus zegt het overwegen en overdenken waard. De zeven laatste woorden van onze Heer aan het kruis zijn belangrijk, niet alleen vanwege de persoon die ze sprak, maar ook vanwege de plaats waar ze werden uitgesproken. Terwijl onze Heer zijn grootste werk op aarde verrichtte, stervend voor de zonden van de wereld, sprak hij enkele van zijn belangrijkste woorden. Deze zeven laatste woorden vanaf het kruis zijn vensters die ons in staat stellen de eeuwigheid in te kijken en het hart van de Verlosser en het hart van God en het Evangelie te zien.
De vierde van deze zeven uitspraken is te vinden in Johannes 19:28-30
“Hierna zei Jezus, die wist dat nu alles was volbracht, opdat de Schrift werd vervuld: Ik heb dorst! Er stond een vat vol zure wijn, en zij vulden een spons met zure wijn, omlegden die met hysop en brachten die aan Zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog Zijn hoofd en gaf Zijn geest over.”
De eerste drie uitspraken gingen over anderen: zijn vijanden, de twee boosdoeners, en Johannes en Maria. De centrale uitspraken richtten zich op de Vader. Maar in de laatste drie uitspraken richtte onze Heer zich op Zichzelf: Zijn lichaam: “Ik heb dorst”. Zijn ziel: “Het is volbracht” (zie Jes.53:10), en zijn geest: “Vader, in Uw handen geef Ik Mijn Geest over” (Luk.23:46). Lichaam, ziel en geest werden alle drie door de Heer Jezus Christus volledig aan de wil van zijn Vader overgegeven. “Ik dorst” of ‘Ik heb dorst” is de enige uitspraak van de Heer aan het kruis waarin Hij verwees naar zijn eigen lichamelijke behoeften. Dit eenvoudige woord openbaarde ons het hart van de Heer Jezus en stelt ons in staat zijn diepere levenswijze te zien. De simpele uitspraak “Ik heb dorst” helpt ons drie aspecten van Christus te onderscheiden: de zelfopofferende Mensenzoon, de gehoorzame Dienaar van God en de liefdevolle Redder van zondaren.
De lijdende Zoon des mensen
Dat de Heer Jezus op aarde zo’n 33 jaar geleefd heeft, wil zeggen dat Hij het aardse leven met zijn zorgen, tegenslagen en beperkingen aan den lijve heeft ervaren. Dat heeft het voordeel dat we mogen weten dat Hij ons kan begrijpen wanneer wij verzocht worden of beproefd in ons geloof. “Want waarin Hijzelf geleden heeft toen Hij verzocht werd, kan Hij hun die verzocht worden te hulp komen.” (Heb.2:18) Jezus Christus was werkelijk mens. Zijn menselijkheid ontkennen is jezelf beroven van een Verlosser die een echt lichaam had en echte menselijke ervaringen heeft meegemaakt – geboorte, groei, honger, dorst, vermoeidheid, pijn en dood. Vanaf het begin van het christendom waren er valse leraars die de goddelijkheid van de Heer Jezus Christus ontkenden. Dit is een van de redenen waarom de apostel Johannes zijn eerste brief schreef om te bevestigen dat Jezus werkelijk mens én werkelijk God was (1Joh.1:1-3; 4:1-3). Johannes begon zijn evangelie met dat statement: “In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God.” (Joh.1:1-2). Dat geeft ook gelijk de reden aan waarom er in het evangelie naar Johannes geen geslachtsregister is opgenomen; Hij is immers de eeuwige Zoon van God, waarvan Melchizédek een type is! (Heb.7:3) Wanneer iemand zich afvraagt wat de Heer Jezus, sinds de tijd dat Hij is opgevaren naar de hemel doet, dan is het antwoordt dat Hij voor ons bidt. “Christus Jezus is het die gestorven is, ja nog meer, die opgewekt is, die ook aan Gods rechterhand is, die ook voor ons bidt.” (Rom.8:34; Heb.7:25) “Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden. Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar Eén die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde. Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.” (Heb.4:14-16)
De gehoorzame Dienaar van God
“Verlos mij, o God, want het water is gekomen tot aan de lippen; ik ben verzonken in bodemloos slijk, waar ik niet kan staan; ik ben gekomen in diepe wateren, een vloed overstroomt mij. Ik ben moede door mijn roepen, mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken van het uitzien naar mijn God.” (Ps.69:2-4)
Wanneer we in Psalm 22 een beschrijving mogen vinden van het lijden van de Heer Jezus van de zijde van zijn God, dan wordt in Psalm 69 het lijden beschreven wat de Heer Jezus heeft ondergaan van de zijde van de mensen. We zien in deze Psalm een beeld van de gehoorzame dienaar van God. Waarom zei Jezus aan het kruis “Mij dorst?” Opdat de Schrift vervuld zou worden! (Joh.19:28) Welke Schift, wel Psalm 69:21 – “Ja, zij gaven mij gif tot spijze, en lieten mij in mijn dorst azijn drinken.” Meer dan twintig keer lezen we in de vier Evangeliën: “Opdat de Schrift vervuld werd” of “Toen werd vervuld”, of woorden van gelijke strekking. In alles wat de Heer Jezus zei en deed gehoorzaamde Hij het Woord van God. “Ik heb voedsel om te eten dat u niet kent. De discipelen dan zeiden tot elkaar: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht? Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem die Mij heeft gezonden en zijn werk volbreng.” (Joh.4:32-34) Waarom werd Jezus in Bethlehem geboren en niet in Jeruzalem of Nazareth? Omdat de profeet Micha had geprofeteerd dat de Messias in Bethlehem geboren zou worden (Mi.5:2). Waarom namen Jozef en Maria Jezus mee naar Egypte? Omdat de profeet Hosea had gezegd dat dit zou gebeuren (Hos.11:1; Mat.2:15). Waarom diende Jezus in Galilea? Omdat Jesaja dit had geprofeteerd (Jes.9:1-2; Mat.4:12-17). Gedurende zijn hele leven en bediening gehoorzaamde Jezus het Woord van God; Hij was zelfs gehoorzaam tot de dood toe, tot de dood aan het kruis (Fil.2:8). Wanneer we in de Bijbel lezen “Mij dorst” moet ons dat doen herinneren, dat niet alleen de Heer Jezus gehoorzaam was aan de Schrift, maar dat ook wij dat dienen te zijn. Het belangrijkste in het leven van Gods kinderen is Gods wil te kennen en die doen, wat de kosten ook mogen zijn. We moeten gehoorzame dienaren zijn die “Gods wil van harte doen” (Ef.6:6). Zoals Jezus zijn aanwijzingen van de Vader ontving via de Schrift, zo zijn die er ook voor ons. Dit betekent niet dat de Bijbel een soort “magisch boek” is dat je zomaar kunt openslaan om Gods wil te ontdekken. Dat is bijgeloof, geen geloof. Maar als we het Woord lezen, erover mediteren en ernaar streven te gehoorzamen wat God zegt, ontdekken we dat de Geest ons helpt om wijze beslissingen te nemen en naar Gods wil te leven. “Vertrouw op de Here met uw ganse hart en steun op uw eigen inzicht niet. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken.” Spreuken 3:5-6 is een belofte die nooit faalt. “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft.” (Joh.14:21)
De Heiland van de wereld
“Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Here Here, dat Ik een honger in het land zal zenden – geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des Heren te horen.” (Amos 8:11)
Op het moment dat de Heer Jezus van God werd verlaten en tot zonde werd gemaakt, riep Hij uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u Mij verlaten.” De beker die de Vader Hem gegeven had, moest Hij drinken hoe moeilijk dat ook was (Joh.18:11) “En Hij ging iets verder, viel op Zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.” (Mat.26:39) De Heer Jezus had al meerdere bekers aangeboden gekregen maar die weigerde Hij te drinken. “En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats. “Ook de soldaten nu bespotten Hem, terwijl zij naderbij kwamen en Hem zure wijn aanboden” (Luk.23:36) en zij gaven Hem met mirre gemengde wijn, maar Hij nam die niet.” (Mark.15:22-23) Ja, de Heer Jezus had dorst, zijn lichaam verlangde daarnaar, maar Jezus’ dorst had nog een andere diepere betekenis, zoals duidelijk naar voren komt door de volgende tekst. “Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.” (Mat.5:6) Jezus’ “dorstte” naar het heil van het verlorene. In overdrachtelijke zin staat “dorst” voor een intens verlangen, een sterke behoefte of een grote begeerte naar iets, in Jezus’ geval naar het doen van de wil van God en mede voor het heil van het verlorene. Op het kruis legde de Heer Jezus, immers door zijn offer, de basis van onze verlossing, opdat wij zouden kunnen drinken van het water van het leven en niet van “dorst” zouden omkomen! “Jezus sprak daarvan in zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw: “Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst hebben; maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven.” (Joh.4:13-14) In het dodenrijk, waar de zielen van de gelovigen en ongelovigen verblijven na het sterven, lijden ze dorst. “Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham. De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades (dodenrijk) zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.” (Luk.16:23-24) Deze voorkennis van de Heer Jezus over wat ná het sterven zal plaatsvinden bracht Hem ertoe de iedere zondaar uit te nodigen om het water van het leven te aanvaarden. “En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.” (Joh.7:37-38) Daarvan spreekt ook de volgende tekst, die gaat over gelovigen die uit de Grote Verdrukking komen: “Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte; want het Lam Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.” (Op.7:16-17) De Bijbel sluit af met een laatste uitnodiging, opdat niemand van “dorst” hoeft om te komen! “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft komen: laat hij die wil, het levenswater nemen om niet.” (Op.22:17)