Serie: Ze gaven niet op – Daniël – Maar zelfs indien niet – Daniël 3

7 februari, 2024

Serie: Ze gaven nooit op!

‘Maar zelfs indien niet…’ – Daniël 3

‘Daniël zag op Gods almacht’

‘Veiligheid voor een christen is, niet de afwezigheid van gevaar, maar de tegenwoordigheid van God.’

Inleiding

Je hoort weleens zeggen: ‘de Bijbel is een oud boek en niet meer relevant voor onze tijd!’ Dat de Bijbel een oud ‘boek’ is, daar kan ik mee instemmen, maar dat het niet meer relevant is voor deze tijd zeker niet. Kijk maar eens naar het Midden-Oosten en merk op hoe christenen vandaag de dag worden vervolgd en gedood, zoals zo veel eeuwen geleden Daniël en zijn vrienden hetzelfde overkwam. De Bijbel niet meer relevant, niet meer voor deze tijd? Kom nou!

Het leven van gelovigen gaat niet altijd van een leien dakje, zoals sommigen denken of wensen. De brief aan de Hebreeën leert ons dat sommige gelovigen tot grootse dingen in staat waren, maar ook dat anderen door een tijd van grote moeiten gingen en soms het leven lieten (Hebr.11:32-38). Daardoor legden zij allen getuigenis van hun geloof af (Joh.21:29).

De duivel verzoekt ons om het slechtste in ons naar boven te halen en ons geloof te vernietigen, God stelt ons op de proef om het beste in ons naar boven te halen, ons te doen groeien zodat ons geloof zich kan ontwikkelen. Een geloof dat niet op de proef gesteld mag worden, is niet waard om geloof genoemd te worden. En dat is wat we heel nadrukkelijk in hoofdstuk 3 vinden: gelovigen die op de proef worden gesteld.

Het is goed te zien dat er in tijden van verval en vervolging gelovigen zijn die staande blijven. Zulke gelovigen zullen de kroon van het leven ontvangen (Jak.1:12). Tijden van verval en vervolging geven gelegenheid tot getuigen. De ervaringen van Sadrak, Mesak en Abednego helpen ons om ons eigen geloof onder de loep te nemen om te zien welk ‘soort’ geloof wij hebben (2Kor.13:5). De Heer Jezus zei tegen de apostel Petrus dat hij door zijn dood God zou verheerlijken (Joh.21:19).

We komen in dit hoofdstuk meerdere personen tegen die verschillend reageerden op de situatie.

Geen echt geloof

De eerste groep van mensen die we tegenkomen tijdens de gebeurtenissen zijn mensen die geen echt geloof hebben of eigenlijk helemaal geen geloof! Dat zijn de meelopers. Toen de koning gebood het gouden beeld dat hij had laten oprichten te aanbidden, deden ze dat zonder zich rekenschap te geven wat ze eigenlijk deden. Alle eeuwen door zijn er machthebbers geweest die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisten, bijvoorbeeld een Napoleon, Mao of Hitler. De mensen knielen, buigen en verklaren zich één met de machthebber, wellicht om hun vel te redden en er beter van te worden. Zulke mensen noemen we opportunisten, mensen die uit elke situatie hun voordeel proberen te halen. Een voorbeeld daarvan vinden we in het boek Handelingen, waar we Herodes op zijn rechterstoel zien zitten en het volk hem toeroept: ‘Een stem van God en niet van een mens’ (Hand. 12:22)

De festiviteiten die verbonden waren met het oprichten van het gouden beeld van Nebukadnezar moeten een geweldig spektakel zijn geweest! Je zou in hedendaags taalgebruik kunnen spreken van een ‘popconcert’. Allerlei instrumenten waren aanwezig: hoorn, fluit, citer, luit, harp, doedelzak en allerlei soort van muziekinstrumenten (Dan.3:5). Bij het horen daarvan moesten ze zich ter aarde werpen en het gouden beeld aanbidden dat was opgericht. Kan het zijn dat Nebukadnezar muziek gebruikte om op het gemoed van de mensen te werken om ze achter zich te krijgen? Muziek kan een helende werking hebben, dat is zeker, we hoeven maar te denken aan Davids citerspel voor Saul (1 Sam.16:23; 18:10; 19:9), maar muziek kan mensen ook emotioneel zo raken dat ze meegesleept worden en dingen doen die ze anders niet zouden hebben gedaan. Ze gaan dan letterlijk ‘uit hun dak’. Ik wil niet moraliseren, maar we dienen bewust om te gaan met het gebruik van muziek in christelijke samenkomsten! Muziek dient ervoor om harten tot Christus te brengen, niet om hoofden op hol te doen slaan. Muziek mag ook niet de plaats van het Woord innemen, maar heeft als functie het Woord te ondersteunen.

Een zwak geloof

Er moeten meer Joodse mensen daar zijn geweest tijdens deze gebeurtenis dan alleen Daniël en zijn drie vrienden; maar waar waren ze op dat ogenblik? Duizenden Joden, inwoners van Juda, waren als balling weggevoerd naar Babel. De eerste deportatie was in 597 v.Chr. (Jer.52:30; 2Kon.24; 25), een tweede geschiedde in 586 v.Chr. en een derde in 581 v.Chr., alles ten uitvoer gebracht in opdracht van Nebukadnezar. Er waren zelfs overlopers bij (2Kon.25:11)! Een aantal jaren daarvoor, in 732 v.Chr., hadden de Assyriërs het tienstammenrijk Israël in ballingschap doen gaan. De Chaldeeën deden hetzelfde met de inwoners van Juda. In 2 Koningen 15:29 lezen we dat Tiglatpileser en na hem Sargon II de bewoners van het tienstammenrijk in ballingschap hadden weggevoerd. In zijn annalen noemt Sargon II een getal van 27.290 inwoners van Samaria die hij gevangen maakte.

Dus dat waren er nogal wat! Maar waar waren ze op het moment van deze gebeurtenis? Of zouden ze tegen Sadrak, Mesak en Abednego gezegd hebben: ‘we kunnen niet komen maar we zullen voor jullie bidden, hoor!’ of: ‘Je moet het ook niet te ver drijven, levend kun je meer voor God betekenen dan dood!’ In 1 Koningen 18 lezen we over een soortgelijke situatie, toen Elia alleen tegenover vierhonderdvijftig profeten van Baäl stond. Waar waren al die anderen? Pas in Romeinen 11:4 lezen we dat zevenduizend man hun knie niet voor Baäl gebogen hadden, maar daar had Elia op dat moment niet veel aan. Ook de apostel Paulus kon ervan meespreken want, zegt hij: ’Bij mijn eerste verdediging is niemand bij mij geweest, maar allen hebben mij verlaten’ (2Tim.4:16). En wat te denken van de Heer Jezus; Hij moest het zelfs uitroepen: ’Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!’

Een voorwaardelijk geloof

‘Als God ons zal bevrijden…’ (vs.17).  Er zijn veel mensen die een geloof hebben dat voorwaarden eist. Een geloof dat zegt dat als God mij dit of dat geeft, dan geloof ik, en anders niet. ‘Heer, als U dit of dat wilt doen, dan zal ik…’ Een conditioneel geloof, en we hoeven maar aan Gideon te denken die tegen de Engel des Heren zei: ‘Och mijn heer, indien de Here met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen?’, een geloof dat twijfelt aan de macht van God. (Richt.6:13).

Een echt bijbels geloof is geen geloof in wat God kan doen of schenken, maar in Wie God Zelf is. Veel mensen hebben een verkeerd idee van wat het betekent om een volgeling van de Heer Jezus te zijn. Dit kan natuurlijk voortkomen uit een verkeerde voorlichting die verkeerde verwachtingen schept. We hoeven maar te denken aan de zgn. ‘prosperity preaching’, die leert dat het ons als gelovige op elk terrein van het leven goed zal gaan, en dat armoede en/of ziekte een gebrek aan geloof is en daarom zonde!

Mensen met een voorwaardelijk geloof bezien God uit het oogpunt van een handelaar: ‘als U mij dit geeft, dan zal ik dat doen’, of juist andersom, door allerlei beloften te doen om van God iets gedaan te krijgen! Hoeveel gelovigen hebben niet op die manier met God onderhandeld door allerlei beloften te doen die men vaak al gauw weer vergeten was!

Een onvoorwaardelijk geloof

De Heer Jezus had tegen de discipelen gezegd: ‘voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen’ (Mark.13:9). In het bijbelboek Handelingen vinden we daarvan rijkelijk verslag (Hd4:23-31, 5:17vv., 6:8vv.).

Sadrak, Mesak en Abednego hadden een onvoorwaardelijk geloof. Want, zeiden ze tegen koning Nebukadnezar, ‘indien onze God, die zij vereren, in staat is om ons te bevrijden, dan zal Hij ons uit de brandende vuuroven, en uit uw macht, o koning, bevrijden; maar zelfs indien niet – het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vereren, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden’ (vs.17). Een onvoorwaardelijk geloof betekent God te gehoorzamen ongeacht onze gevoelens in ons, omstandigheden rondom ons, of de consequenties voor ons! Daniël en zijn drie vrienden hadden samen God vereerd (hoofdstuk 1), nu vereert God hen! Zou de apostel Paulus aan hen gedacht hebben toen hij schreef: ‘Zij waren onbesproken kinderen van God, te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder ze schenen als lichten in de wereld, en ze het woord van het leven vertoonden’ (Fp.2:15)?

En zo gebeurde het dat zij gebonden in de brandende oven werden gegooid, die zevenmaal heter werd gestookt dan gewoonlijk! Maar toen de koning ging zien hoe het de drie vrienden verging, zag hij er geen drie maar vier die wandelden midden in het vuur! De rest van verhaal is bekend: ze werden alle drie uit de oven gehaald, maar waar de vierde man was gebleven, daarvan horen we niets!

In Daniël 3:28 geeft koning Nebukadnezar getuigenis van het geloof van Sadrak, Mesak en Abednego. Hij zegt: ‘Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego! Hij heeft zijn engel gezonden (Ps.34:8) en zijn dienaren bevrijd, die zich op Hem hebben verlaten (Hebr.13:5-6), het bevel des konings hebben overtreden (Hand.5:29) en hun lichamen prijsgegeven, omdat zij geen enkele god willen vereren of aanbidden dan alleen hun God’ (3:28-28). Hun geloof was niet oppervlakkig, zwak of voorwaardelijk, maar echt! Ze stonden voor wat ze geloofden en gaven daarvan getuigenis door hun daden. Iemand heeft eens gezegd: ‘Beter als gelovige in een brandende oven, dan als ongelovige in de poel van vuur!’ Daniël zijn drie vrienden waren wel in het vuur, maar het vuur was niet in hen. Ik denk dat de apostel Petrus de gebeurtenissen die in Daniël 3 worden beschreven voor ogen had toen hij zijn eerste brief schreef, want daarin sprak hij over ‘de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient’ (1 Petr.4:12).

In zijn afscheidsrede aan de gemeente van Efeze zegt de apostel Paulus: ‘ik reken mijn leven niet kostbaar voor mijzelf’; daarmee gaf hij aan dat hij de woorden van de Heer Jezus als norm voor zijn leven als gelovige aannam, die gezegd heeft: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest ter wille van Mij, zal het vinden’ (Matth.10:39). Daarom kon hij ook aan de gelovigen in Rome schrijven dat zij hun lichamen dienden te stellen tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk” (Rom.12:1; lees ook: Fp.2:17). ‘Want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt’ (1 Petr. 2:19).

Resultaten van een onvoorwaardelijk geloof

‘Wie Mij eren, zal Ik eren’ zegt de Heer (1Sam.2). ‘Wie nu zichzelf zal verhogen, zal worden vernederd; en wie zichzelf zal vernederen, zal worden verhoogd’ (Matth.23:12). Al gauw na hun vrijlating werden de drie vrienden verhoogd en werden hun bijzondere gunsten verleend in het gewest Babel. In het apocrief aanhangsel dat volgt op Daniel 3, lezen we in het gebed van ene Azarja: ‘Toen hieven de drie mannen tezamen een loflied aan en verheerlijkten en prezen God vanuit de oven.’

____________________________________________________________________________________________________