Pre-Wrath Rapture of the Church
Deel 7
Mattheüs 24-25 – Editie 2026
Voorwoord
Deze “herziene editie 2026” van het artikel over Mattheüs 24-26 verschilt fundamenteel niet van de vorige. Om de lezer tegemoet te komen zijn enkele gedeelten die in het Engels opgenomen waren, vertaald in het Nederlands. Verder is de lay-out bijgewerkt en zijn er nog enkele opmerkingen bijgekomen. Ook de lengte van dit artikel is behouden; dus enige volharing in het lezen is nodig. Dit artikel is ooit geschreven als reactie op de uitleg van de Pre-Wrath Raputure visie die Mattheüs 24 op de Gemeente toepast. Mattheüs 24 is voor de Pre-Wrath Rapture min of meer de hoeksteen van hun eindtijdvisie en heeft voor veel verwarring gezorgd in kringen waar deze verspreid is geworden, vanwege de afwijkende eindtijdvisie ten opzichte van de algemeen aanvaarde bestaande visie. Voor meer informatie daarover verwijs ik u naar de rubriek: Pre-Wrath Rapture op mijn website.
Inleiding
Het is bedroevend te constateren hoe weinig gelovigen, de “rede over de laatste dingen” door de Heer Jezus vermeld in Mattheüs 24 en 25, goed begrijpen. Vooral de teksten die onmiskenbaar op Israël slaan, worden dikwijls geldig geacht voor de Gemeente. De beschreven eindtijdervaringen voor Israël in de verdrukking, worden dan toegekend aan de Gemeente in háár eindtijd, vlak vóór de opname. Hoofdoorzaak van dit misverstaan is het niet kennen van het onderscheid tussen Israël en de Gemeente. Het is echter belangrijk dat wij een goed inzicht hebben in het wezen en de aard van de verschillen tussen enerzijds die van Israël en anderzijds die van de Gemeente. Als we dan het profetische Woord ernstig onderzoeken, krijgen deze profetieën een geheel ander aanzien. De ‘laatste dagen’ voor de Gemeente zijn namelijk niet die van Israël, en anderzijds liggen de ‘laatste dagen’ van Israël in het tijdvak van de zevenjarige verdrukking en hebben op hun beurt helemaal niets met de Gemeente te maken!
Contextuele uitleg van Gods Woord
Contextuele bijbeluitleg is een manier van Bijbellezen waarbij een Bijbeltekst wordt uitgelegd in het licht van haar oorspronkelijke historische, culturele, literaire en theologische context, én waarbij ook de hedendaagse context van de lezer wordt meegenomen om de betekenis en toepassing zorgvuldig te begrijpen. Bijvoorbeeld: Om een juiste uitleg van hoofdstuk 24 te kunnen garanderen is het noodzakelijk ten opzichte van de andere Evangeliën na te gaan welke plaats het Evangelie naar Mattheüs inneemt in het Nieuwe Testament. Met andere woorden volgens de ‘regels van de kunst’ moeten we rekening houden in welke context (omstandigheden, ervaringshorizon, heersende opvattingen e.d.) het Evangelie van Mattheüs is geplaatst en dus ook de context van hoofdstuk 24. Dat geldt voor alle gedeelten van de Bijbel uiteraard. Vooral in de Pre-Wrath Rapture visie (zie de rubriek Pre-Wrath Rapture op mijn website) wordt daar te weinig of onvoldoende rekening mee gehouden en komt met ertoe Mattheüs 24 op de Gemeente toe te passen!
Chafer schrijft: “De toespraak is gericht aan de kinderen van Jeruzalem, wat in dit geval een representatie is van de natie Israël. De hele redevoering vanaf Mattheüs 24:4 die direct tot Zijn discipelen wordt gesproken, die nog steeds als Joden worden beschouwd en een volk vertegenwoordigen dat de ervaringen zal doormaken die in deze toespraak worden beschreven, is gericht tot de hele natie en in het bijzonder tot hen die de daarin beschreven beproevingen zullen doorstaan. De uitdrukking “Ik had uw kinderen willen vergaderen…”, onthult niet alleen dat Hij tot Israël spreekt, maar verwijst ook naar de vervulling van vele profetieën betreffende de uiteindelijke hereniging van Israël in hun eigen land. “Uw huis” is een verwijzing naar het huis van Israël dat centraal is komen te staan in de koninklijke lijn van David. De term “verlaten” is een van de vele woorden die gebruikt worden om Israëls situatie in de wereld gedurende dit tijdperk te beschrijven. “Jullie zullen Mij niet zien” is een bewering die Zijn totale afwezigheid aankondigt, met betrekking tot Zijn bijzondere relatie tot Israël “totdat” Hij terugkeert, waarna “ieder oog Hem zal zien.” (Op.1:7), “en zij zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid.” (Mat.24:30) (Zie: Things to Come pagina 275).
Wiersbe zegt hierover: “We moeten bedenken dat de “sfeer” van dit gesprek Joods is. Jezus sprak over Judea (Mat.24:16), de sabbat (Mat.24:20) en de profetieën van Daniël over het Joodse volk (Mat.24:15). De volledige waarheid over de Opname van de Gemeente (1Kor.15:51 e.v., 1Thes.4:13-18) was nog niet geopenbaard, want het was een mysterie (Ef.3:1-12).” (The Bible Exposition Commentary NT)
Niet alleen de opname was een geheimenis dat pas later door Paulus geopenbaard is maar ook de Gemeente was nog, hoewel aangekondigd, nog toekomstig (Mat.16::18; 18:15-20). Dit vond plaats in Handelingen 2 met de uitstorting van de Heilige Geest waardoor allen, gelovige Jood en Griek, tot één lichaam werden gedoopt (1Kor.12:13).
Geslachtsregister van Jezus
Door het vermelden van het geslachtregister van de Heer Jezus aan het begin van het Evangelie Mattheüs zien we dat het Mattheüs erom te doen geweest is om de Heer Jezus voor te stellen als de beloofde Messias, de Zoon van Abraham en Zoon van David, Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk aankondigt. De andere Evangeliën benadrukken een ander kenmerk van de Heer Jezus. Markus laat ons de Heer Jezus zien als de ‘Dienstknecht’, Lukas als ‘de Zoon des mensen’ en Johannes tenslotte als ‘Zoon van God’.
Een overzicht van het Evangelie naar Mattheüs maakt dat duidelijk:
-
De afkomst van de Messias van David (1:1)
-
De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)
-
De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)
-
Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)
-
Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5), en de stad van de grote Koning (5:35)
-
De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (hfdst.5-7.)
-
Uitzending van de discipelen en de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)
-
Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)
-
Verwerping van de Koning (11:2; 14:1). (In principe is dit al gebeurd door de arrestatie en moord op Johannes de Doper)
-
De definitieve verwerping van Koning Jezus (12:22-32, 46; 13:2)
-
Koninkrijk is verborgen vorm wordt aangekondigd (Mat.13)
-
Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (16:18)
-
Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)
-
Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijdestelling van Israël (21:43)
-
Weeklacht over Jeruzalem (23:37)
-
Rede over de laatste dingen. Oordeel over Israël, Christenheid en volkeren (Mat.24-25)
-
Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)
-
De opstanding, hemelvaart en de opdracht en uitzending van Jezus’ discipelen (Mat.28)
We kunnen het evangelie naar Mattheüs dan ook als volgt indelen:
Hoofdstuk 1-10 – De aankondiging en openbaring van de Koning.
Hoofdstuk 11-13 – De tegenstand van de Koning.
Hoofdstuk 14-20 – De terugtrekking van de Koning.
Hoofdstuk 21-27 – De verwerping van de Koning.
Hoofdstuk 28 – De opstanding van de Koning.
De sleutel tot begrip
Een eerste maar beperkte vervulling van de ‘profetie over de laatste dingen’ kwam tot stand in 70 n.Chr., toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden over de hele wereld werden verspreid (diaspora) (24:1-3). Maar daar bleef het bij, en wij die leven niet ver van het moment van de wederkomst van de Heer Jezus, moeten deze profetische schriftplaatsen nu bezien in de grotere dimensie die ze hebben, namelijk de uiteindelijke en totale vervulling. Ze hebben nu een relevante betekenis voor enerzijds de Gemeente, die door haar Heer vóór de zevenjarige verdrukking in de lucht zal opgenomen worden, en anderzijds de Joden die tijdens deze verdrukking tot bekering zullen komen en daarna hun Messias op aarde zullen zien verschijnen (Zach.14:3-7). Nu is het zo dat de periode van de Gemeente niets van doen heeft met het Joodse tijdperk, en omgekeerd. In de verdrukkingstijd neemt God de draad met Israël terug op en dan is daarmee het gemeente- of genadetijdperk op aarde afgesloten. Israël en de Gemeente staan op totaal verschillende verbondsgronden. Christenen verwachten hun Heer altijd: de Heer komt voor de belijdende kerk op een uur dat niemand kent. Christenen moeten beslist geen tekenen afwachten en zij zullen de komende antichrist en de verdrukking niet meemaken. Joden echter krijgen tekenen waarnaar zij in de verdrukkingstijd zullen uitkijken als bakens van waarschuwing, attentie en bemoediging.
Joden, Christenen en Volken
In deze bespreking volgen wij ‘de rede over de laatste dingen’ in de versie volgens Mattheüs. Mattheüs 24-25 laat zich opsplitsen in drie thematische delen die toepasselijk zijn voor Joden, Christenen en de Volken:
(1) Joden: in Mat.24:1-35 zijn alle kenmerken Joods en van toepassing op de Joden.
(2) Christenen: in Mat.24:36 tot 25:30 gaat het over waakzaamheid voor ‘de dag des Heren’ en de voorafgaande komst van de Heer tot zijn bruid, de Gemeente.
(3) Volken: in Mat.25:31-46 gaat het over het oordeel over de volken, aan het begin van het vrederijk.
De vraag over de laatste dingen
Als we naar Mattheüs 24 kijken, dan zien we in de eerste drie verzen de behandelde onderwerpen van de profetie, overeenkomstig de vragen van Jezus’ discipelen, en dat zijn:
(1) Het tijdstip waarop de tempel zal afgebroken worden.
(2) Het teken van Christus’ komst (Gr. parousia, tegenwoordigheid, aankomst)
(3) Het teken van de voleinding van de “eeuw” (Gr. aionos, tijdperk).
Nu zijn de tempel en de vraag naar tekenen eigen aan de Joden (1Kor.1:22; Mat.12:38; Joh.4:48). We hebben hier te doen met een vraag van de Joden voor de Joden. Dit heeft niets met de Gemeente te maken, maar alles met Israël. De Gemeente kan er wel lering uit te trekken, zoals uit de gehele Schrift trouwens (Rom.15:4), maar dat is wat anders dan de profetie rechtstreeks op haar toepassen! In 70 n.Chr. werd de profetie betreffende de tempel vervuld. Deel (2) en (3) van de profetie echter werden toen niet vervuld. Dit komt omdat het gemeentetijdperk nog tussen de Israëltijdperken “ingeschoven” moest worden, als een ent op de edele olijfboom, waarvan tijdelijk takken waren afgebroken. Maar dat was op het moment van de profetie nog een “verborgenheid” (Rom.11:16-25; Ef.3:3-6; Kol.1:24-27).
Het begin van de weeën: de eerste 3,5 jaren van de 70e. jaarweek (Mat.24:5-14)
Dit gedeelte is niet voor de Gemeente bedoeld want zij moet geen tekenen afwachten maar hun Heer altijd verwachten. Ook de uitdrukking “wie zal volharden tot het einde zal behouden worden” (Mat.24:13) kan niet op de Gemeente slaan, want voor hen is behoud geen zaak van eigen volharding. Nergens in het Nieuwe Testament wordt tot christen-gelovigen gezegd dat zij voor hun behoud moeten volharden. Gód is hun volharding (Rom.15:5; 1Kor.1:11)! De kerk, gezien als christelijk getuigenis op aarde (met daarin ware en naamchristenen), wordt gevraagd te waken. De Gemeente wordt ook niet misleid door het optreden van valse christussen. De Gemeente verwacht geen op aarde verschijnende Christus, maar een opname, “de Heer tegemoet in de lucht” (1Thes.4:17), en vervolgens, ná de opstanding van de gelovigen, naar het Vaderhuis (Joh.14:3). Het gaat hier over Israëlieten die zullen leven ná de opname van de Gemeente. Zij zullen dan pas tot bekering komen en gaan uitkijken naar de (weder)komst van hun Messias. Zij krijgen waarschuwingen te horen opdat zij – in de verdrukkingstijd die dan is losgebarsten – zouden “volharden tot het einde”. Zij krijgen o.a. te horen dat dit nog maar een “begin van de weeën is” die over de aarde komen. Deze periode is de eerste halve jaarweek, naar analogie met de tweede helft van deze profetische ‘week’ in Daniël 9:27. Daarna moet de verschrikkelijke “grote verdrukking” komen. Wat hier wordt beschreven komt overeen met Openbaring 6: de verbreking van de eerste zes zegels. In die tijd wordt niet meer het evangelie van de genade gepredikt, maar “het evangelie van het koninkrijk” (Mat.24:14), en door de Joden de 144.000 en de “twee getuigen” (Op.7 en 11). Let wel Openbaring 6:17 zegt ons dat het oordeel, ná de Opname, met de eerste zes zegels begint. “…en zij zeiden tegen de bergen en tegen de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van Hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” (Op.6:16-17)
De grote verdrukking: de laatste 3,5 jaren van de 70e. jaarweek – (Mat.24:16-28)
De Joodse kenmerken: “heilige plaats” (de herbouwde tempel!), “Jeruzalem”, “zij die in Judea zijn” en “de sabbat” laten overduidelijk zien dat deze passage in het geheel niets met de Gemeente van doen kan hebben, maar alles met de Joden, die in hun land zijn teruggekeerd (Ez.37). Zoals hierboven reeds werd opgemerkt: de Gemeente wordt niet misleid door valse christussen. Zij ziet niet uit naar een op aarde verschijnende Christus, maar zij verwacht een plotselinge, hemelse opname die zij altijd mogen verwachten, los van eventuele gebeurtenissen of tijden. Hier begint de “grote verdrukking”. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de “laatste jaarweek” in Daniël 9:27. Deze is 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), 42 maanden (Op.11:2; 13:5) of “een tijd, tijden en een halve tijd” (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op.12:7-9). Een driedeling, van de 70 jaarweken, zoals dat in de Pre-Wrath Rapture visie wordt gepresenteerd, kent de Schrift niet. In Daniël 12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een “gruwel” zal worden opgericht (Dan.9:27 en 12:11; Mat.24:15; Mark.13:14). Dit is voor de Joden het teken en het zichtbare begin van de “grote verdrukking” (Mat.24:21; Mark.13:19; Op.7:14). Dit is de “tijd van benauwdheid voor Jakob”, en niet voor de Gemeente! (Jer.30:7; zie ook Dan.12:1).
De wederkomst van Christus op aarde: terstond ná de grote verdrukking (Mat.24:29-31)
De Heer verschijnt nu zichtbaar voor iedereen die op aarde leeft. Dit is niet bedoeld voor de Gemeente, want hun opname is reeds achter de rug. Bij de opname verschijnt de Heer Jezus voor de Gemeente, alléén voor zijn bruid, en gaan zo “de Heer tegemoet in de lucht.” (1Thes.4:17) Hier in Mattheüs 24:30 komt de Heer fysisch terug op aarde, op dezelfde wijze als dat hij van zijn discipelen was vertrokken, bij de hemelvaart: “En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren, die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.” (Hand.1:9-11) “Degenen die Hem doorstoken hebben’ – zie in Op.1:7 – slaat op de Joden, zoals uit Zacharia 12:10-14 blijkt. Maar bij “al de geslachten der aarde”, zoals we hier lezen, kan men naast Israël ook denken aan alle volken van de aarde. Was het immers niet een Romeinse soldaat die Hem feitelijk doorstak? En heeft niet elke bewuste ongelovige Hem eigenlijk doorstoken?
De tijdslijn maakt nu een sprong en loopt verder in Mattheüs 25:31, waar het oordeel over de volken begint. Eerst echter zijn er nog enkele andere onderwerpen die betekenis hebben voor Israël én de Gemeente aan de orde.
De gelijkenis van de vijgenboom – Mat.24:32-35
“Wanneer gij al deze dingen zult zien” (vs.33) – zoals betoogd moet de Gemeente geen tekenen afwachten, maar in alle tijden en omstandigheden haar Heer verwachten (Tit.2:13; 1Thes.1:10; Fil.3:20). De Schriftplaatsen over de Opname spreken nooit over voorafgaande tekenen: Mat.24:36-44; Joh.14:1-3; 1Kor.15:51-55; 1Thes.1:9,10. Deze gelijkenis heeft daarom weer niets van doen met de Gemeente. De vijgenboom is Israël (vgl. Jer.8:13; Hos.9:10; Nah.3:12)). Uit de vijgenboom-gelijkenis mag Israël leren, dat wanneer zij “al deze dingen” zullen zien (!) gebeuren, de zomer nabij is, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk “nabij is, voor de deur” (vs.33). Het uitlopen van de vijgenboom is in de eerste plaats een beeld van “deze dingen”, namelijk de ontwikkelingen die gebeuren zoals de Heer ze in zijn rede heeft voorzegt. Zoals gezegd is de vijgenboom een beeld van Israël, en als de takken van de vijgenboom zacht worden en de bladeren uitlopen, dan betekent dit dat Israël aan een geestelijk ontwaken is begonnen. In het ontstaan van de Messias-belijdende Joden kunnen we al een begin zien van een geestelijk ontwaken, maar de voltooiing zal pas plaatsvinden ná de opname van de Gemeente. Het gaat hier over niets anders dan de ontwikkelingen vlak ná het Gemeentetijdperk, wanneer God de draad met Israël weer opneemt en zij ‘ontwaken’ zullen zoals een vijgenboom in de lente. Lees daarvoor Ezechiël 37:1-14. In Lukas 21:29-31 spreekt de Heer niet enkel over de vijgenboom maar ook over alle bomen: ook de naties van de eindtijd komen tot ontwaken. Wij zien in onze tijd dat Israël aan een nationale heropstanding bezig is, sinds 1948, maar dat is niet de eigenlijke vervulling van Jezus’ woorden. De woorden van de Heer betreffen het Israël van de eindtijd, ná het Gemeentetijdperk, in de zeventigste jaarweek. In Jezus’ rede van de laatste dingen is eerder een geestelijk ontwaken bedoeld. Wij kunnen in de huidige nationale ontwikkelingen wel een voorbode zien, namelijk dat ook de geestelijke heropstanding niet meer veraf kan zijn, maar de tempel is nog niet herbouwd, de eredienst is nog niet hersteld en de Joden zijn nog steeds ‘verhard’ (Rom.11:25). Als echter (een deel van) Israël geestelijk zal ontwaken dàn is de zomer nabij, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk “nabij is, voor de deur” (vs.33).
De volkeren
De verzen van Mattheüs 24:31, waar sprake is van het bijeen vergaderen van de uitverkorenen, de getrouwe Joden, sluit aan bij “Het oordeel over de volken” in Mattheüs 25:31vv. Hier worden de volken verzameld en gescheiden als schapen en bokken. De troon die we hier zien is deze van bij het begin van het duizendjarig vrederijk. Alle nog levende volken worden ervoor verzameld. Zij worden beoordeeld over de manier waarop zij de predikers van het Koninkrijk hebben behandeld (Mat.24:14). Dit mogen we niet verwarren met de ‘grote witte troon’ uit Openbaring 20:11, die helemaal aan het eind van het duizendjarig vrederijk komt, en dan zullen ook de doden geoordeeld worden.
Drie gelijkenissen over de periode van de Christenheid – Mat.24:45-25:46
De rede over de laatste dingen die begon in Mattheüs 21:1 eindigt aan het einde van hoofdstuk 25. Hoofdstuk 26:1-2 geeft het einde van Jezus’ toespraak aan. “En het gebeurde, toen Jezus al deze woorden had geëindigd, dat Hij tot Zijn discipelen zei: U weet dat na twee dagen het Pascha is en de Zoon des mensen wordt overgeleverd om gekruisigd te worden.” In de volgende gelijkenissen – Gelijkenis van de goede en boze slaaf; gelijkenis van de tien maagden en de gelijkenis van de talenten – staat enerzijds de afwezigheid van de Heer en anderzijds Zijn komst voor de Gemeente centraal. Ze handelen over verantwoordelijkheid, waakzaamheid, beloning en oordeel. Dit is de ingeschoven periode van de Gemeente, en de belijdende Christenheid in het algemeen. We lezen niets over de verdrukkingstijd, Judea, Jeruzalem of tempel. Het gaat hier niet over een dienst die met Israël en de heilige plaats in verbinding staat, maar over de dienst in het geestelijke huis van God (1Petr.2) waaraan alle christenen deelhebben. We zien in de beloning van de trouwe slaaf dat dit niet op Israël kan slaan, want Israël wordt niet gesteld over al Jezus’ bezittingen, maar christenen zijn mede-erfgenamen. De verklaring van de gelijkenissen laat ik voorlopig achterwege want dit valt buiten de huidige scope. Het oordeel over de volken
Enkele woordverklaringen uit de rede over de laatste dingen
Dit geslacht – (Mat.24:34)
“Dit geslacht” is het Joodse volk, zowel de tijdgenoten van Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer (vs.30). “Dit geslacht” is niet een periode van één generatie, zoals sommige christenen denken (en ook sekten, zoals de Jehovah-getuigen). De Heer Jezus bedoelt hiermee de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, doorheen de eeuwen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat “Al deze dingen zullen geschied zijn” (vs.34). Dit is de hele periode van de verwerping van Israël en gelijk ook de tussenvoeging van de Gemeente (Rom.11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren: “Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!” (Rom.11:32-33). Vergelijk voor de betekenis van “dit geslacht” ook Deuteronomium 32:5, 20 en Psalm 12:8. Zie ook de Appendix, om te zien dat er in de context van Jezus’ woorden geen periode wordt bedoeld maar een “verkeerd geslacht”, een ongelovig volk.
Geen berekeningen maken – (Mat.24:36)
Een belangrijk argument hierbij is wat in Mattheüs 24:36 staat: “Van die dag en dat uur weet niemand, ook de engelen van de hemelen niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader alleen.” Deze Schriftplaats mogen we niet uithollen door te gaan beweren dat één geslacht gelijk staat aan één generatie, of nog erger: één geslacht = 40 jaar. Nu is het wel zo dat de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. binnen zo’n tijdvak is te plaatsen, achteraf bekeken, maar dat betekent niet dat wij zo mogen berekenen. Trouwens, in 70 n.Chr. werd de profetie niet vervuld want “die dag”, of “de dag des Heren”, en “de wederkomst des Heren” is toen niet gebeurd. Trouwens, wáár zouden wij de berekening van “één geslacht” in de eindtijd moeten starten? 1948, 1967, 1973, 1980 …? En ten aanzien van wie? De Joden? Maar die worden pas geestelijk hersteld in de verdrukking en dan pas geldt de gelijkenis van de vijgenboom. De Gemeente? Die hoort niet naar tekenen te zien maar moet de Heer altijd verwachten. Er als we dan al ergens een startdatum (eigenmachtig) zouden gevonden hebben, dan laat het woord van de Heer in Mattheüs 24:36 zeker niet toe van 30 of 40 jaar af te tellen tot alles zou zijn geschied. Neen, berekeningen maken is voor ons uit den boze! Slechts in de verdrukkingstijd zullen de Joden twee keer 3,5 jaar of 1260 dagen kunnen aftellen, daarnaast geholpen door zichtbare tekenen. Tekenen en berekenen is voor de Joden, en de Joods bedelingen, maar de Gemeente heeft daar helemaal niets mee te maken.
De Zoon des mensen komt op een onbekend tijdstip – (Mat.24:43-44)
Dit gedeelte kan onmogelijk op Israël van toepassing zijn. Hier is geen sprake meer van uitkijken naar tekenen, maar van een onbekend tijdstip waarop de Heer komt. Dit is de komst voor de Gemeente. Daarachter ligt er nog een bekend tijdstip waarop de Heer komt, voor Israël en de overblijvende volken, aan het eind van de grote verdrukking. Daartussen liggen de zeven jaren van de 70e. jaarweek of de “Dag des Heren”. Van die onbekende dag waarop de Heer zijn Gemeente ophaalt en waarna de “Dag des Heren” begint, staat er: “Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.” (Mat.24:36) Dit is niet Jezus’ zichtbare komst op het einde van de grote verdrukking, want dat is een bekende dag. Men kan na de opname zeven jaren op de kalender uitzetten. En als men dat toch nog te riskant vindt: als de “gruwel der verwoesting (Mat.24:15) in de tempel komt te staan, dan kunnen zij die dan leven beslist 3,5 jaar (Dan.7:25; 12:7; Op.12:14), of 1260 dagen (Op.11:3; 12:6), of 42 maanden (Op.11:2; 13:5) op de kalender uitzetten om precies te weten wanneer de Heer komt. Het onbekende tijdstip van Jezus’ komst (Mat.24:36), is niet alleen onbekend voor ongelovigen maar ook voor gelovigen, ja zelfs voor de Zoon des mensen. Dit moeten we goed onderscheiden van Jezus’ komen ‘als een dief’ (1Thes.5:2; 2Petr.3:10; Op.3:3; 16:15), namelijk voor degenen die niet waakzaam zouden zijn of in ongeloof vertoeven. Voor dezen komt de Heer altijd als een dief, maar gelovigen zijn altijd waakzaam: zij houden er altijd rekening mee dat de Heer vandaag nog kan komen, en zij leven er helemaal naar toe, ook al weten zij “dag nog uur”. De wereld zal erg verrast worden door de plotselinge opname van de Gemeente. In die tijd zullen zij hun gewone gangetje gaan en eten, drinken, huwen… alsof er niets aan de hand is. Er is in de passage geen sprake van een grote verdrukking maar eerder van een relatieve vrede! Niemand had ermee gerekend dat er zo’n ingrijpende gebeurtenis zou plaatsvinden. Als gevolg daarvan worden zij nu verrast door de plotselinge wegname (opname) van vele mensen, waarbij zelfs familieleden. Daarop komt de hele wereld in beroering en de verdrukkingstijd begint.
Meegenomen / Achter gelaten – (Mat.24:37-41)
De tekst van Mattheüs 24:37-41 luidt volgens een aantal Bijbelvertaling “de één zal aangenomen worden en de ander zal verlaten worden”. NBG en HSV hebben: “aangenomen” en “achtergelaten.” De TELOS-vertaling (Voorhoeve) heeft hier terecht “meegenomen” en “achtergelaten”. Omdat het hier om een eindoordeel en het begin van het vrederijk gaat, betekent “meenemen” hier: wegrukken door het oordeel; en “achterlaten”: op aarde laten, opdat de betreffende gelovigen het vrederijk kunnen binnengaan. Ouweneel schrijft in zijn “Jeruzalem, de stad van de grote Koning” over dit gedeelte het volgende: “Zo zien we dus dat bij de wederkomst van de Heer het overblijfsel zal worden verlost, maar het goddeloze volk zal worden verdelgd.”
Typologie – (Mat.24:38-39)
Typologie mag een nieuwtestamentische waarheid wel ondersteunen, zoals hier het geval is. Henoch is een type van de Gemeente die vóór het oordeel (de zondvloed) wordt weggenomen, terwijl Noach een type is van Israël die door het oordeel heen behouden aan de andere kant komt. Deze vergelijking vinden we ook in de woorden van de Heer in Mattheüs 24:37-41. Daar wordt het volk vergeleken met mensen uit de tijd van Noach. Ook toen was de grote massa ongelovig; zij vierden feest zonder zich iets van God aan te trekken. Alleen Noach wandelde met God. Toen kwam het oordeel dat de goddelozen verdelgde, maar de rechtvaardigen werden behouden in de ark, dat is Christus (1Petr.3:20v.). Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. Het volk zal uiteenvallen in twee groepen: zij die worden weggenomen door het oordeel (de vertaling “aangenomen” is hier onjuist) en zij die zullen achterblijven om het koninkrijk te beërven. Overal worden de goddelozen door het oordeel weggejaagd, het ware volk van God dat het land zal bezitten in zijn volle uitgestrektheid van Genesis 15:18 (zie Ps.37:9-11, 20, 28v., 34). Pentecost zijn visie sluit daarbij aan want we lezen in Things to Come pag.162 het volgende: “Nogmaals, deze passage maakt deel uit van de rede waarin de Heer Zijn plan voor Israël uiteenzet, dat zich al in de verdrukkingstijd bevindt. De één wordt meegenomen naar het oordeel en de ander wordt achtergelaten voor de zegen van het duizendjarig bestaan. Dat is niet het vooruitzicht voor de kerk.’
Dag des Heren – Opname
De dag des Heren begint wanneer De Heer Jezus zijn gemeente onverwachts opneemt (1Kor.15:51-52), vóór alle oordelen die over de wereld komen. De opname op zich is reeds een oordeel, voor de naamchristenen en ongelovigen die achtergelaten worden. De Heer redt zijn Gemeente echter van de komende toorn (1Thes.1:10; 5:9), de grote verzoeking (Op.3:10,11). In Openbaring 4 en 5 zien we de opgenomen Gemeente vertegenwoordigd in de 24 oudsten. Wanneer in Openbaring 6 de verdrukkingstijd losbarst is er geen sprake meer van de Gemeente. In Openbaring 1 tot 3 komt de naam ‘Gemeente’ 19 maal voor; daarna niet meer, dan is alles terug kenmerkend Joods: het Gemeentetijdperk is voorbij. Deze komende “toorn” is niet de hel. Van de hel waren de Thessalonikers reeds gered; daartoe hadden zij zich bekeerd (Joh.5:24; Rom.8:1). De “toorn” is hetgeen beschreven staat in Jesaja 61:2; Romeinen 2:5; 1:18, 24-28; 5:9; Openbaring 6:17;11:18; 15:1. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (zie Op.5:1-5) vanaf Openbaring 6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn. Het verschijnen van de antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dan.9:27; 2Thes.2:9-12; Op.6:1, 2). Deze toorn duurt de volle zeven jaar; de zeventigste jaarweek. Dit alles is de “Dag des Heren” (2Thes.2) en dat wordt de Gemeente bespaard. De opname van de Gemeente (1Thes.4:15-18; 2Thes.2), de tempel van de Heilige Geest, geeft aanleiding tot het uitbreken van de verdrukkingstijd die overeenkomt met de laatste jaarweek in Daniël 9. God neemt dan de draad weer op met Israël (Rom.11). Israël zal geestelijk opstaan en alle gebeurtenissen voltrekken zich zoals de Heer die heeft voorzegd. Uit die vervullingen kan Israël opmaken dat de Messias en Zijn vrederijk nabij is, voor de deur. Met het boek Daniël of Openbaring kunnen zij dan zelfs precies berekenen wanneer hun Heer komt.
De Heilige Geest
Er zijn gelovigen die zich afvragen of er na de Opname nog wel mensen tot geloof kunnen komen omdat de Geest die in de Gemeente woont (1Kor.3:16) er dan niet meer is. Het niet meer aanwezig zijn in de wereld van de Gemeente en de Geest erin woonachtig, wil niet uitsluiten dat Gods Geest niet meer werkzaam kan zijn. In het Oude Testament was de Heilige Geest ook niet woonachtig op aarde, maar toch werkte Hij wel!
Uitverkorenen
In Mattheüs 24:22 vinden we de uitdrukking ‘de uitverkorenen’ in het Grieks ‘eklek’tos’ wat je zou kunnen vertalen als ‘uitverkoren door God’. Sommigen uitleggers passen dit toe op christen-gelovigen om zo hun uitleg dat het in Mattheüs 24 over christenen gaat te onderbouwen. Maar het woordje ‘uitverkorenen’ c.q. uitverkoren’ wordt in Gods Woord op vele plaatsen gebruikt bijvoorbeeld voor de Messias (Jes.42:1) en het volk Israël (Jes.43:20). Om op grond van dit woordje te beweren dat het in Mattheüs 24 om christenen c.q. de Gemeente gaat is ongegrond en onvoldoende aangetoond.
(1) De uitdrukking “dit geslacht”
Volledige opzoeking in het Nieuwe Testament van de Statenvertaling 1977. Uit de opzoeking volgt dat de uitdrukking “dit geslacht”, in Mattheüs 24:34, Markus 13:30 en Lukas 21:32, enkel refereert naar het Joodse volk als zodanig, niet een periode van één generatie. Zelfs Heb.3:10 heeft het niet over één generatie, maar over de weerspannige Joden. Zie hierna de context van de uitdrukking ‘dit geslacht:
Mattheüs 11:16 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 12:41,42,45 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 17:21 (demonen); 23:36 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 24:34 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)
Markus 8:12 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 9:29 (demonen); 13:30 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)
Lukas 7:31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 11:29 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 30 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 31 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 32 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd), 50-51 (ongelovige Joodse volk); 17:25 (ongelovige Joden in Jezus’ tijd); 21:32 (het Joodse volk, tot aan Jezus’ komst)
Handelingen 2:40 (ongelovige Joden in de tijd van Pinksteren)
Hebreeën 3:10 (ongelovige Joden in de woestijn)
Maar ook de uitdrukking ‘geslacht’, zonder aanwijzend voornaamwoord (die/dat) wordt gebruikt. Merk dan op dat enkel Mattheüs 1:17 van ‘generaties’ spreekt, als voortplantingsreeks binnen een familie, met name binnen het geslachtsregister van Jezus Christus. Dit staat echter geheel buiten elke betekenis van ‘geslacht’ in de rest van het Nieuwe Testament, en kan dan ook niet gelieerd worden aan de betekenis van ‘dit geslacht’.
Zie hierna de betekenis van de uitdrukking ‘geslacht’:
-
De uitdrukking ‘geslacht…’