“Brengt uw rechtsgeding voor, zegt de Here; voert uw bewijsgronden aan, zegt de Koning van Jakob.Laten zij aanvoeren en ons bekendmaken, wat er geschieden zal. Geeft te kennen, hoe het vroeger was, opdat wij het overdenken en kennisnemen van de afloop. Of doet ons het toekomstige horen;Geeft te kennen wat in de toekomst komen zal, opdat wij weten, dat gij goden zijt.” (Jes.41:21-23; 46:10)
Voorwoord
Seculiere landen met lege kerken en een liberale theologie, dat is wat we in Europa, het zogenaamde “Christelijk Europa”, tegenkomen; uitzonderingen daargelaten. Dat het niet goed zou gaan met de West-Europese cultuur was reeds jaren daarvoor aangekondigd door twee bekende filosofen, Nietzsche en Spengler. Van Nietzsche heb ik al eerder een artikel gepubliceerd, onder de titel “God is dood!” die kunt u vinden in de rubriek Christendom op mijn website. In dit artikel willen we nadenken hoe de geschiedenis geïnterpreteerd werd door Spengler en hoe geschiedenis tot ons komt vanuit Gods Woord, de Bijbel.
Het Avondland
In “De ondergang van het Avondland”, verschenen in 1918 en 1922, schetst Oswald Spengler een meeslepend panorama van de menselijke geschiedenis. Hij laat zien hoe culturen opkomen en vergaan, in een proces dat vergelijkbaar is met het komen en gaan van de seizoenen. Op basis van een analyse van acht grote culturen ontwikkelt Spengler een methode die hem in staat stelt het heden te duiden als een tijd van cultureel verval en voorspellingen te doen over de toekomst van onze westerse beschaving. (Deel 2 hoofdstuk 2) Het Avondland is een poëtische en historische benaming voor Europa, letterlijk het land van de ondergaande zon. Het Avondland staat tegenover het Morgenland of de Oriënt, dat Azië aanduidt, het land van de opkomende zon. Sinds de Middeleeuwen werd het Avondland gebruikt als dichterlijke aanduiding van West-Europa, in tegenstelling tot het Byzantijnse Oosten. In de twintigste eeuw werd de term vooral bekend in Spengler’s cultuurpessimistische werk “De Ondergang van het Avondland”, waarin hij stelde dat de Europese cultuur haar hoogtepunt had bereikt en naar haar einde liep. Spengler volgde, in die overtuiging dat de Europese cultuur ten einde liep, de filosoof Nietsche (1844-1900) na. Spengler vond, evenals Nietzsche, dat de westerse samenleving niet langer in staat was om in God te geloven door de opkomst van wetenschap en secularisatie.
Cyclisch of Lineair
De filosofie van tijd is een complex en veelzijdig onderwerp dat zich uitstrekt over verschillende culturen en tijdsperioden. Waar westerse filosofen tijd vaak als lineair en progressief beschouwden, zagen veel oosterse tradities het juist als cyclisch, een eeuwige herhaling van gebeurtenissen. Het lineaire tijdconcept, dat voornamelijk in de westerse filosofie voorkomt, ziet tijd als een rechte lijn die zich uitstrekt van het verleden naar de toekomst. Dit idee wordt sterk beïnvloed door de oud-Griekse denkers en het christendom. Aristoteles beschreef tijd als een meting van beweging en verandering, een opeenvolging van momenten die nooit terugkeren. Dit idee werd verder ontwikkeld door de middeleeuwse denkers, waaronder Thomas van Aquino, die de lineaire aard van tijd koppelden aan het scheppingsverhaal in de Bijbel, waarin tijd begon bij de schepping en eindigt met het laatste oordeel.
Augustinus
Augustinus van Hippo (354–430) bood een diepere filosofische analyse van tijd in zijn werk “Belijdenissen”. Hij stelde dat het verleden slechts in het geheugen bestaat, de toekomst in de verwachting, en alleen het heden werkelijk is. Deze introspectieve benadering benadrukte de subjectieve ervaring van tijd en legde de nadruk op de relatie tussen menselijk bewustzijn en tijdsperceptie. Augustinus’ ideeën worden beschouwd als een cruciale overgang naar de moderne filosofische opvattingen van tijd. Hij introduceerde het lineaire tijdschema, waarmee hij radicaal brak met de toen gangbare cyclische tijdsopvatting van de klassieke oudheid. Volgens hem verloopt de geschiedenis als een rechte lijn vanaf de schepping tot aan het einde der tijden. Het lineaire model van Augustinus is in zijn invloedrijke hoofdwerk “De Civitate Dei” (De stad van God) opgebouwd in zeven tijdperken, die analoog lopen aan de scheppingsdagen uit Genesis. De eerste zes tijdperken betreffen de aardse geschiedenis, het zevende staat voor de eeuwige rust in God.
De 7 Periodes van de Wereldgeschiedenis
Zo zag Augustinus de wereldgeschiedenis: Van Adam tot de Zondvloed (de begintijd van de mensheid). Van de Zondvloed tot Abraham (de verspreiding van de menselijke volkeren). Van Abraham tot koning David (de vorming van het volk Israël). Van David tot de Babylonische ballingschap (de bloei en val van het koninkrijk). Van de Babylonische ballingschap tot de geboorte van Christus (de overgang naar de messiaanse tijd). Het tijdperk van de Kerk en Christus (de huidige tijd, lopend vanaf de eerste komst van Jezus tot aan de wederkomst en het Laatste Oordeel). De Eeuwigheid (de sabbatrust, een tijdloos bestaan buiten de geschiedenis)
Tijd in Oosterse Filosofieën
In contrast met het lineaire westerse tijdsconcept, beschouwen veel oosterse filosofieën tijd als cyclisch. Dit idee wordt vooral duidelijk in het hindoeïsme en boeddhisme. In het hindoeïsme is tijd onderdeel van een eeuwige cyclus van creatie, vernietiging en wedergeboorte, een proces dat bekendstaat als de Kalpa. Deze cyclus symboliseert de oneindige aard van het universum en de herhaling van levensfasen.
Doelloosheid
Maar dat is niet alles, want volgens Spengler is er in de geschiedenis ook geen zin of doel, geen vooruitgang en geen eindpunt te ontwaren. Spengler leert niet letterlijk dat “de mens geen toekomst heeft”. Zijn visie is subtieler en betreft vooral de toekomst van beschavingen, niet het einde van de mensheid. Veeleer bestaat de geschiedenis in een eindeloze reeks van zelfstandige culturen, die alle dezelfde cirkelgang doorlopen als elk individueel leven wezen: geboren worden, volwassen worden, productieve rijpheid, verval, ineenstorting. Deze visie over de geschiedenis staat lijnrecht tegenover de Bijbelse visie die spreekt van een begin en een eind en niet van een cirkelgang. Zo spreekt de profeet Jesaja: “Ik (God) die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is.” (Jes.46:10) De Bijbel zelf getuigd van een lineaire ontwikkeling en een voortschrijdende openbaring van Gods raad en het doel dat God zich gesteld heeft. Alles heeft een doel, zelfs de zondaar! “De Here heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads.” (Spr.16:4) Het doel wat God zich geeft gesteld is dat “dat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader.” (Fil.2:10-11) Dit komt duidelijk naar voren in wat de apostel Paulus daarover in de brief aan de Romeinen schrijft: “Want u hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar u hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader! De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is vergeleken te worden met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden. Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die haar onderworpen heeft), in de hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe. En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Want wij zijn behouden geworden in de hoop.” (Rom.8:15-24)
Tenslotte
Zowel Nietzsche als Spengler vonden dat de westerse samenleving niet langer in staat was om in God te geloven door de opkomst van wetenschap en secularisatie, wat volgens Nietzsche leidde tot een groot gevaar: het nihilisme. De kern van zijn boodschap was: (1) Cultuurhistorische observatie: Het christendom en haar moraal hebben hun geloofwaardigheid en fundament verloren. (2) Grote verantwoordelijkheid: Omdat de mens de “schepper” van dit idee (God) niet meer nodig heeft, vallen absolute waarheden en objectieve zingeving weg. (3) De mens aan zet: De mens moet zelf de verantwoordelijkheid nemen om betekenis aan het leven te geven, in plaats van te wachten op een hiernamaals.
Wat betreft de neergang van het christendom in West-Europa hebben beide filosofen het bij het rechte eind gehad. Vooral in onze tijd zijn wij daar getuige van. Maar dat is geen nieuws voor de christen die zijn Bijbel kent en acht geeft op de tekenen der tijden, want het tijdperk van de Kerk is beperkt; “Totdat de tijden van de volken zijn vervuld.” (Luk.21:24) Door de terugkeer van veel Joden naar het land Israël en het ontstaan van de staat Israël in 1948, weten we dat het beloofde rijk van Christus aanstaande is. Noch wetenschap of secularisatie kunnen immers een eind maken aan het Bijbels geloof of aan het bestaan van God en zijn Gemeente. God regeert en heeft alles in de hand en volvoert zijn raad.
“Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.” (2Petr.3:13)