Eschatologische Woordenlijst – Eschatologie

13 augustus, 2023

Rubrieken: Woordenlijst

Beknopte Eschatologische Woordenlijst

 

Dit is een naslagwerk van beperkt formaat, waarin informatie met betrekking tot de eschatologie in overzichtelijke en beknopte vorm wordt weergegeven.

 

Achiliasme of amilllennialisme: leer die een duizendjarig rijk afwijst.

Ahistorisch – niet rekening houdend met de geschiedenis, het in aanmerking nemend.

Ahistorisme – houding die de geschiedenis miskent.

Algemene openbaring – Gods openbaring in de natuur en de geschiedenis.

Allegorese – vergeestelijking van de bijbeltekst, met miskenning van de letterlijke betekenis.

Allegorie voorstelling van geestelijke zaken door personen en onstoffelijke zaken.

Allegorisch – vergeestelijkend.

Angelologie – theologische leer aangaande de engelen.

Antisupranaturalisme afwijzing van het (boven-natuurlijke) supranaturalisme vgl. naturalisme.

Apocalyptiek – eschatologische speculaties in de geest van het boek Apocalypsis = Openbaring.

Apocrief – betrekking hebbend op geschriften die tegen de Bijbel aan hangen, maar niet tot de canon behoren.

Apologeticisme – verabsolutering van de apologetiek

Apologetiek (leer van de) verdediging van het (christelijk) geloof.

Apostolische Vaders – kerkvaders uit de tijd direct na de apostelen (o.a. Ignatius, Polycarpus).

Augustiniaans – betrekking hebbend op Augustinus (354-430 n.Chr.).

Augustinianisme – de leer van Augustinus (354-430).

Bedeling – periode binnen de heilsgeschiedenis die zich van andere onderscheidt door een eigensoortige relatie tussen God en de mens.

Biblicisme – overdreven nadruk op de Bijbel tegenover andere kernbronnen, vaak verbonden met een letterlijke literalistische benadering van de tekst en veronachtzaming van de heilshistorische context, de literaire voorvragen en de geschiedenis van de theologie.

Caesaropapisme – dominantie van de keizerlijke (ruimer: statelijke) invloed binnen de kerk. De kerk c.q. de paus (papa) is ondergeschikt aan de staat c.q. de keizer.

Caesaropapisme – de overheersing van de kerk (paus) door de staat (keizer).

Chiastisch – adjectief van chiasme.

Chiliasme – leer van het duizendjarig rijk; vaak gelijk met prechiliasme.

Collectieve eschatologie – theologische leer aangaande de eeuwige bestemming van de wereld en de mensheid als geheel harmoniseerbaar met de menselijke verantwoordelijkheid.

Constantinisch – betrekking hebbend op de Romeinse keizer Constantijn de Grote (ca. 280-337).

Date-setting – berekenen van de datum van de paroesie.

Dialectiek, -icisme – redeneerkunde. Leer die zich bezighoudt met tegenstellingen en hun oplossing.

Diaspora – verstrooiing (van de Joden onder de volken).

Dispensatie – hier: ‘bedeling’, afgerond tijdperk binnen de heilsgeschiedenis.

Dispensationalisme – leer van de bedelingen. (zie bedelingen)

Dispensationeel – bedelingsmatig. Leer van de bedelingen.

Ecclesiologie – theologische leer aangaande de christelijke Kerk of Gemeente.

Eisegese – eigen gedachten inlezen in de Schrift; inlegkunde.

Eschatologie – theologische leer aangaande de ‘laatste dingen’ (de bijbelse toekomstverwachting).

Eschatologisch – de eschatologie betreffend; eindtijdelijk.

Eschotomanie – een extreem door het eschaton gefascineerd zijn; extreem gespeculeer over het eschaton.

Eschaton – ‘Het laatste’ (de toekomstige dingen rond Christus en zijn rijk).

Fernerwartung – verwachting dat iets (hier: de paroesie) nog ver weg is.

Filosemitisme – (overdreven) liefde jegens het Joodse volk.

Futuristisch – op de toekomst betrekkend hebbend; de dingen vanuit de toekomst verklarend.

Futurologie – (seculiere) toekomstkunde.

Hiernamaals – de plaats of toestand waar(in) de mens na zijn sterven verkeert.

Imminence passage – Bijbelgedeelte waaruit een Naherwartung spreekt.

Individuele eschatologie – theologische leer aangaande de eeuwige bestemming van individuele mensen.

Israëlocentrisch – Israël in het middelpunt plaatsend.

Jaarweek – periode van zeven jaar (zie de ‘weken’ in Dan.9:24-27).

Jenseits – de transcendente werkelijkheid; soms hiernamaals; tegendeel van Diesseits.

Messiaans – of: messiasbelijdend, d.i. Jezus / Jesjoea belijdend als Messias.

Messiologie – leer aangaand de Messias.

Metabegrip – grens- (= normale begripsvorming).

Metahistorie – geschiedenis ‘achter’ de gewone, zichtbare geschiedenis. Het geheel van transcendente factoren achter de gewone geschiedenis.

Metahistorisch – betrekking hebbend op het transcendente dat ‘achter’ de historische gebeurtenissen ligt en deze beïnvloedt.

Midtribulationisme – de leer dat de Gemeente wordt opgenomen halverwege de grote verdrukking (aan het begin van de ‘laatste halve jaarweek’).

Millenniaal – Op het Millennium betrekking hebbend.

Millennialisme – = chiliasme.

Milennium – duizendjarig messiaanse vrederijk.

Monarchie – uitsluitende wereldheerschappij van de ene God.

Monergisme – eenzijdige, uitsluitende werkzaamheid van God, zonder toedoen van de mens (bv. in de wedergeboorte of inspiratie).

Naherwartung – verwachting dat het Rijk Gods nabij is.

Postchiliasme, -millennialisme – de leer dat het millenium nog toekomstig is en dat de paroesie erna plaatsvindt.

Opname –

Posttribulationalisme – opvatting dat de Gemeente wordt opgenomen na de Grote Verdrukking.

Prechiliasme, – millennialisme – de leer dat de paroesie vóór het millennium plaatsvindt.

Preteristisch – Op het verleden betrekking hebbend; dingen vanuit het verleden verklarend.

Pretribulationalisme – de leer dat de Gemeente wordt opgenomen vóór de grote verdrukking.

Raad van God – Gods soeverein genomen besluiten, hetzij van eeuwigheid, hetzij in de tijd.

Rapture – ‘opname’ van de Gemeente.

Reportage-eschatologie – eschatologie die de vorm heeft van een ‘journalistiek’ verslag van toekomstige gebeurtenissen.

Revelatie – openbaring.

Revelationeel – betrekking hebbend op revelatie; openbarings- = modalisme.

Sacerdotalismede bevoegdheid van de priester om namen de kerk de sacramenten uit te reiken.

Substantie – op en uit zichzelf bestaand ‘iets’ (bijv. God of goddelijk persoon, geest, materie, wereldziel).

Substitutionalisme – vervangingstheologie; de leer dat de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is en daarmee in Gods heilswegen de plaats van Israël heeft ingenomen.

Tussentoestand – toestand van de mensen tussen sterven en opstanding.

Type – hier: voorafschaduwing van een latere geestelijke werkelijkheid

Typologie – leer van de typen (voorafschaduwingen van latere geestelijke werkelijkheden).

Wegen van God – de (niet van tevoren vastliggende) gang die God door de heilsgeschiedenis maakt, dus onderscheiden van zijn raad.

____________________________________________________________________________________________