Oude Testament – Herinnering en Verwachting – Psalm 126

21 juli, 2023

Bijbelboeken: Psalmen

Oude Testament

Herinnering en Verwachting

Psalm 126

Voorwoord

We kunnen de geschiedenis niet veranderen, maar de geschiedenis kan ons wel veranderen. Dat gold voor het volk Israël, na de opgedane ervaringen in Babel, maar dat geldt ook voor ons die zoveel eeuwen later leven. Wie God liefheeft tuchtigt Hij opdat wij aan zijn heiligheid deel zouden krijgen (Heb.12:6,11). Dat is een vaststaand principe in Gods handelen met zijn volk toen en nu. ‘Aan degenen die Mij het naaste staan, zal Ik Mij de Heilige betonen’ (Lev.10:3). Maar God tuchtigt zijn volk en ons, niet zonder reden en doel. Israël ging in ballingschap omdat het volk het land en het huis des Heren had verontreinigd door hun zonden (2Kron.36:11:21; Jer.24:8-10). Die tuchtiging had tot doel dat ze tot bezinning zouden komen en zich zouden hernemen in hun houding ten opzichte van God.

Inleiding:

In het jaar 606 v.Chr. is het volk Israël in ballingschap gevoerd en verbleef er totdat Cyrus in het jaar 537 v.Chr. toestemming gaf dat ze mochten terugkeren om de tempel en Jeruzalem te herbouwen (Ezr.2:1; Neh.7:6; Jes.10:22; Jer.22:10). Slecht een klein gedeelte gaf daaraan gevolg, zo’n vijftigduizend (Ezr.2:64v.). We weten niet over welke terugkeer of ballingschap de auteur op het oog had. Wanneer we over een zeventigjarige ballingschap spreken, moeten we bedenken dat deze periode gerekend wordt vanaf de eerste deportatie, die onder Jojakim plaatsvond. De ballingschap duurde dan van 606 tot 538 v.Chr. Toen het Medo-Perzische rijk begonnen was, gaf Cyrus de Joden toestemming naar hun land terug te keren met het tempelgerei om de tempel te herbouwen. De profeet Jesaja profeteerde reeds van de blijdschap van het volk naar aanleiding van hun bevrijding (Jes.48:20; 49:8-13; 51:11; 54:1; 55:10-12). Maar ook het getuigenis wat daarvan uitging naar de omliggende volkeren (Jes.43:10-21; 44:8, 23; 52:7-10). Deze Psalm is één van de bedevaartliederen (Psalmen 120-134); de schrijver van Psalm 126 is niet bekend. Die bevrijding had gevolgen in ons, rondom ons, voor ons en door ons!

In ons: de vreugde over de vrijheid (vs.1-2)

‘Aan Babels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij aan Sion dachten’, zo lezen wij in Psalm 137:1. ‘Maar… ‘Toen de Here de gevangenen van Sion deed wederkeren waren wij als degenen die dromen, toen werd onze mond vervuld met lachen, onze tong met gejuich!’ We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen denk ik, bij die uitbundige uitingen van blijdschap, wanneer we beelden zien van de bevrijding van de Europese landen van de vijfjarige Duitse overheersing tijdens de Tweede-Wereldoorlog! De mensen waren door het dolle heen, alle lang opgekropte emoties, vonden een uitweg in een uitbundig bevrijdingsfeest! En wat te denken van de eerste ballingschap van Israël in Egypte die maar liefst vierhonderddertig jaar duurde (Ex.12:41)! Toen zong Mozes met de Israëlieten ook een bevrijdingslied, en Mirjam, de zuster van Aäron, en alle vrouwen zongen: ‘Zingt de Here, want Hij is hoog verheven!’ (Ex.15:1-21). En misschien herinnert u zich uw eigen bevrijding nog wel, toen u gered werd uit de macht van de duisternis en overgebracht werd in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde? (Kol.1:13). Of zoals een Engels hymn het prachtig verwoord: ‘My chains fell off, my heart was free, I rose, went forth, and followed Thee!’ (Mijn boeien vielen af, mijn hart was vrij, ik stond op, ging uit, en volgde U). Ja, als de Zoon u vrijmaakt, bent u werkelijk vrij’ (Joh.8:36), vrij van de macht van de zonde zijn wij slaven van de gerechtigheid geworden (Rom.6:18).

Door ons: het getuigenis (vs.2-3)

De onverwachte terugkeer van het volk van de Joden naar hun thuisland Israël was wonderlijk in de ogen van de buitenstaanders. Ze waren onder de indruk. Om het met de woorden van Psalm 118 te zeggen: Dit is door de HEERE geschied, het is wonderlijk in onze ogen’. Wat wij als volk van God doen, toen maar ook vandaag, wordt opgemerkt door hen die daar geen deel van uitmaken. Zo lezen we van de eerste christenen het volgende: ‘En met volharding waren zij dagelijks eendrachtig in de tempel en braken brood aan huis en namen samen voedsel met vreugdegejuich en eenvoud van hart, terwijl zij God prezen en gunst hadden, bij het hele volk’ (Hand.2:46-47; 4:21). Wij behoren alles te doen ‘zonder te mopperen en tegenspreken, opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld, terwijl u het woord van het leven vertoont’ (Fil.2:15). Van de gelovigen te Thessalonika kon de apostel Paulus getuigen: ‘dat u een voorbeeld bent geworden voor alle gelovigen in Macedonië en Achaja’ (1Thes.1:7). Het spreekwoord ‘Goed voorbeeld, doet goed volgen’ gaat wel niet altijd op maar we mogen toch de naam van Christus niet te schande maken. Daarom: ‘Wees geen struikelblok, voor Joden en voor Grieken, en voor de gemeente van God’ (1Kor.10:32) en ‘Wandel in wijsheid tegenover hen die buiten zijn, terwijl u de geschikte gelegenheid ten volle uitbuit’ (Kol.4:5).

In ons: een roep om vernieuwing (vs.4)

De bevrijding was zo snel dat de mensen dachten dat ze droomden, en zelfs de andere volken moesten de grootheid van God erkennen. Maar bevrijding is nog maar het begin; God wil altijd meer doen. Het getuigenis van het volk naar God toe bracht een ander verlangen op gang: ze wilden meer! ‘Here, wend ons lot, als beken in het Zuiderland’. Het Zuiderland, de Negev woestijn zoals wij dat kennen, is, op enkele plaatsen na, een droog land, en om dat in beken te veranderen is veel water nodig. En dat is wat alleen God kan bewerken, want ‘Hij maakt rivieren tot een woestijn, waterbronnen tot dorstig land. Hij maakt de woestijn tot een waterpoel, het dorre land tot waterbronnen’ (Ps.107:33, 35). ‘Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest’ was de wens van David. God wil ons tot rivieren van zegen maken, zoals de droge beddingen in de woestijn onstuimige stromen worden in het regenseizoen. Als God u ‘stromen van zegen zendt’, wanneer u Gods Geest hebt ontvangen toen u tot geloof kwam, was het de bedoeling dat ‘stromen van levend water uit uw binnenste zouden vloeien’ waaraan anderen ook deel zouden kunnen krijgen. Is er bij ons ook de wens om een kanaal van zegen te zijn, dan heeft u niet alleen de aanwezigheid van Gods Geest nodig, maar ook het vervuld zijn met Gods Geest! Zoals de apostel Paulus het zegt: ‘Wordt vervuld met de Geest!’ (Ef.5:18).

Voor ons: de uitdaging te werken (vs.5-6)

Weet u dat eenieder van ons een zaaier is en dat iedere zaaier een oogst produceert? Sommigen gelovigen zaaien voor hun eigen vlees. Zo vertelt Paulus ons in Galaten 6:8 – ‘Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten. Anderen zaaien onenigheid onder de gelovigen. Weer anderen zaaien leugens (2Tim.2:17). Psalm 126 leert ons dat we voorzichtig dienen te zijn met wat we zaaien, want wat we zaaien zullen we oogsten. Gods volk zaait met tranen, maar oogsten met gejuich. Als gelovige zaai je het zaad van het Woord van God, niet allen door de verkondiging van het Evangelie, maar ook door een leven dat aan die bekering beantwoord (Hand.26:20). Je plant zaad dat de vrucht van de Geest voortbrengt – liefde, blijdschap, vrede enz. (Gal.5:22). Het leven is niet altijd gemakkelijk. Het kan maken dat we met tranen zaaien, maar het is zeker dat we zullen oogsten met gejuich. Elk van ons dient een beslissing te maken. Leven we voor onszelf en genieten we nu al in dit leven van wat de wereld ons biedt (Luk.16:25), of wachten we op de oogst van wat we hebben gezaaid in de kracht van de Heilige Geest en hebben dan vreugde? ‘Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ (Gal.6:7). O ja, dat ook nog even gezegd hebben: we oogsten meer dan we zaaien omdat het zaad zich vermenigvuldigt.

U die vandaag leeft voor de tijdelijke genieting van de zonden (Heb.11:25), zal maken dat uw oogst u zal doen wenen. Maar als u wilt leven naar de wil van God, zal de oogst u vreugde opleveren. Aan wat voor een oogst geeft u de voorkeur? Vraagt God of Hij u wil helpen het zaad te zaaien dat Gods vrucht zal voortbrengen in uw leven en in dat van anderen. En vergeet niet: ‘Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk zaait, zal ook zegenrijk oogsten’ (2Kor.9:6).

______________________________________________________________________________________________________________________________