In het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes wordt de Heer Jezus aangekondigd door Johannes de Doper en lezen we over de roeping van de eerste discipelen. Hoofdstuk twee begint met het eerste wonder, ‘teken’ zoals ze in het evangelie naar Johannes worden genoemd, en de reiniging van de tempel. Uiterlijk gezien was het allemaal in orde, een prachtige tempel waaraan Herodes zesenveertig jaar had gebouwd. Er werden diensten gehouden en de priesters en hogepriester verschenen in prachtige klederen. De feesten, voorgeschreven in de Wet van Mozes, werden gehouden. Dus wat wil God nog meer? Waarom noemt de Heer Jezus dan, herhaaldelijk, de Schriftgeleerden en de Farizeeën huichelaars? Daar waren twee redenen voor: (1) ze maakten door hun eigen toegevoegde overleveringen het Woord van God krachteloos, en (2) ze eerden God met de lippen, maar hun hart was er niet bij betrokken (Mat.15:1-9). Ze wisten zich betere mensen dan de anderen (Luk.18:11), ze vervloekten de menigte die de Wet niet kende (Joh.7:49), en verder laat ons Mattheüs 23 zien waar het bij hen nog meer aan ontbrak.
Inleiding
In dit artikel willen we de focus richten op het onderwerp “wedergeboorte”, en dat doen we naar aanleiding van het gesprek dat de Heer Jezus met de farizeeër Nicodémus heeft gehad. Onder christenen is er veel verwarring over dit onderwerp; in veel gevallen is het onderwerp zelfs niet gekend. De oorzaak daarvan is dat veel gelovigen denken dat het lidmaatschap van een kerk, of de (kinder-) doop, of de belijdenis van het geloof voldoende is om behouden te worden. Dan, op een nacht kwam één lid van de farizeeën, genaamd Nicodémus, bij de Heer Jezus, en beleed: “Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als Leraar; want niemand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is.” (3:2) Nicodémus was één van de geestelijke leiders van het volk, maar niet bekend met de waarheid van de wedergeboorte. Zijn onwetendheid blijkt wel uit het antwoord wanneer de Heer Jezus iets later in het gesprek tot hem zegt: “Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?” (3:10) Zijn onwetendheid was voor de Heer Jezus aanleiding om daarover een en ander uit de doeken te doen.
De noodzaak van de Wedergeboorte
“Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien.” (Joh.3:3)
Door het aanwezige onbegrip over de wedergeboorte mogen we concluderen dat Nicodémus een religieus mens was; een mens zonder Gods Geest. En hoe kan het ook anders, want “de natuurlijke mens neemt niet aan wat van de Geest van God is, want het is hem dwaasheid, en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoordeeld wordt.” (1Kor.2:13-16) In het gesprek met de Heer Jezus verwarde Nicodémus het geestelijke met het fysieke (3:4) toen gezegd werd: “tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien”, dacht hij in termen van een fysieke, lichamelijke geboorte, terwijl de Heer Jezus sprak over een geestelijke geboorte. Ieder mens wordt geboren in zonde. Onze eerste, fysieke geboorte maakt ons tot kinderen van Adam, en dat wil zeggen dat we kinderen van de ongehoorzaamheid en van de toorn zijn (Ef.2:1-3). Opvoeding, religie of eigen werken kunnen onze oude natuur niet veranderen, laat staan vernieuwen; we moeten een nieuwe natuur van God ontvangen. Door te zeggen “het koninkrijk van God” bedoelde de Heer Jezus niet een werelds politiek koninkrijk. De apostel Paulus beschrijft bedoeld koninkrijk met de volgende woorden: “Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest.” (Rom.14:17) Wanneer een mens zich tot God bekeert en tot geloof komt in de Heer Jezus wordt hij wedergeboren en kan hij het koninkrijk binnen komen en wordt een huisgenoot van God (Hand.20:21; Ef.2:19). Zoals zoveel joden ging Nicodémus ervan uit, dat hij als geboren Jood, en levend naar de geboden van de Wet, welbehaaglijk voor God was (Mat.3:7-12; Joh.8:33-39). Maar In de brief aan de Romeinen zegt de apostel Paulus het volgende: “Want niet hij is een Jood die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis die iets uiterlijks is, in het vlees, maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en dat is besnijdenis: die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.” (Rom.2:28-29) Sinds de tijd van Adams zonde in de Hof van Eden (Gen.3) staat elk mens buiten het paradijs. Daarom is het alleen door een nieuwe geboorte mogelijk het koninkrijk van God binnen te komen.
Het karakter van de Wedergeboorte
“Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.” (Joh.3:5)
De wedergeboorte kan alleen door geestelijke middelen tot stand komen. Welke middelen dat zijn? De Geest van God (Joh.3:6; 6:63) en het Woord van God (1Petr.1:23; Jak.1:18). Het ‘water’ in vers 5 wijst naar de fysieke geboorte (elke baby wordt ‘uit water geboren’), iets wat Nicodémus in vers 4 noemde. Iemand wordt wedergeboren, wanneer de Geest van God het Woord van God gebruikt om geloof te bewerken en de nieuwe natuur te schenken aan de persoon die tot geloof komt. De Geest gebruikt gewoonlijk een gelovige om het Woord aan een ander door te geven (1Kor.4:15), maar alleen de Geest kan leven schenken. Je kunt geen geestelijke geboorte teweegbrengen met fysieke middelen. Daarom kan ‘geboren uit water’ in vers 5 niet letterlijk water betekenen, want dopen zou betekenen dat een fysieke substantie (water) op het fysieke wezen wordt aangebracht. Deze handeling zou nooit een geestelijke geboorte teweeg kunnen brengen (Joh.1:11-13; 6:3). ‘Geboren uit water’ verwijst niet naar de waterdoop, want in de Bijbel spreekt de doop over de dood, niet over de geboorte (Rom.6:1v.). Als de doop essentieel is voor redding, dan is er in het Oude Testament nooit iemand gered, want er was geen doop onder de Wet. De grote heiligen die in Hebreeën 11 worden genoemd, werden allemaal gered door geloof. Redding is niet door werken (Ef.2:8-10), en de doop is een menselijk werk. Christus kwam om te redden, maar Hij doopte niet (Joh.4:2). Als de doop noodzakelijk is voor het eeuwige leven, waarom Paulus dan: “Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen? (1Kor.1:17) Nee, “allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden, hun die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.” (Joh.1:12-13)
De grondslag van de Wedergeboorte
“En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (Joh.3:14-15)
De grondslag van de nieuwe geboorte wordt geïllustreerd door het beeld van de koperen slang vermeld in Numeri 21. Een gebeurtenis in de geschiedenis van Israël, die Nicodémus zeker gekend moet hebben; was hij niet leraar van Israël? Terloops zij opgemerkt dat wij, doordat de Heer Jezus die gebeurtenis op Zichzelf toepast, die gebeurtenis maar ook andere gebeurtenissen op Hem mogen toepassen? (Luk.24:27) De slangen beten de Joden en doodden hen, en de bijzondere oplossing voor het probleem werd gevonden toen Mozes een koperen slang maakte! In geloof naar de slang kijken bracht genezing. Op dezelfde manier werd Christus voor ons tot zonde gemaakt, want het was de zonde die ons doodde. Als we in geloof naar Christus kijken, worden we gered. Koper symboliseerde het oordeel, en Christus onderging dat oordeel toen Hij gekruisigd werd. Christus moest sterven voordat mensen wedergeboren konden worden. Zijn dood brengt leven.
Alleen door het geloof in het volbrachte werk van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha, is een wedergeboorte mogelijk. “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping.” (2Kor.5:17) Gods bevel aan Mozes in Numeri 21 was niet dat hij de slangen moest doden, een zalf voor de wonden moest maken of moest proberen de Joden te beschermen tegen beten. Het was dat hij de koperen slang omhoog moest houden en de mensen moest vertellen ernaar te kijken in geloof. Niet kijken betekende veroordeling; geloof betekende redding. Johannes gaat hier terug naar 1:4-13, over de symboliek van licht en leven, duisternis en dood. Zondaars leven niet alleen in de duisternis, maar ze houden ook van de duisternis en weigeren naar het licht te komen, waar hun zonden aan het licht komen en vergeven kunnen worden. (Op mijn website kunt u in de rubriek: Diverse Onderwerpen van Numeri 20 en 21, onder de titel “Een rots en een slang” een uitvoerige uitleg vinden.)
De gevolgen van de Wedergeboorte
“Daar u uw zielen hebt gereinigd door de gehoorzaamheid aan de waarheid, tot ongeveinsde broederliefde, hebt elkaar vurig lief uit een rein hart, u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.” (1Petr.1:22-23)
“Hij moet wassen, ik moet minder worden.” In de verzen 22-36 krijgen we een blik in het leven en werken van Johannes de Doper. De bediening van Johannes de Doper werd hem gegeven vanuit de hemel. Zijn taak was om te getuigen van de Heer Jezus (1:6-8). De Heer Jezus is het Woord, Johannes slechts een stem die het Woord aankondigde (1:23). De Heer is de Bruidegom, maar Johannes slechts een getuige bij het huwelijk. Johannes deed geen wonderen, maar zijn getuigenis werd gebruikt om mensen te winnen voor Christus, zelfs nadat hij was gestorven (10:40-42). En wat Johannes zei: “Hij moet meer, maar ik minder worden”, moest werkelijkheid worden ook in zijn leven! Dit moet geen gemakkelijke les geweest zijn voor Nicodémus, want als Farizeeër wist hij zich hoger en beter dan de andere mensen! Maar de les is duidelijk, wil Christus in Johannes de doper, Nicodémus en ons gestalte krijgen, zal Hij meer en ik minder moeten worden! Mogen we zeggen dat dit werkelijkheid is geworden in het leven van Nicodémus? Hij wordt nog twee keer vermeld in het evangelie naar Johannes. Hij neemt het op voor de Heer Jezus als de overpriesters en de farizeeën hem willen grijpen en veroordelen; Nicodémus maant tot voorzichtigheid, en zegt: “Veroordeelt onze wet soms de mens, tenzij zij eerst van hem hoort en weet wat hij doet?” (Joh.7:51) Nog later in het evangelie, vinden we Nicodémus aanwezig bij de begrafenis van de Heer Jezus, met een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.” (Joh.19:39)
Tenslotte
Niemand kan de wind verklaren, en niemand kan de werking van de Geest verklaren. Zowel de Geest als de gelovige zijn als de wind. Nicodémus, onderwezen in de Wet, heeft de waarheid van het vernieuwende werk van de Heilige Geest leren kennen (Zie Ez.37); zijn religie was overgegaan in een relatie!