De opstanding van de Heer Jezus had grote gevolgen; het bleef niet alleen bij het ‘open graf’, er gingen nog veel meer dingen ‘open’! De opstanding van Jezus was niet alleen noodzakelijk om de mogelijkheid te openen opdat de verloren mens tot God kon komen, het was ook het begin van een totaal nieuwe geestelijke werkelijkheid. Dat kwam in het bijzonder tot uitdrukking toen de Heilige Geest werd gezonden. Bange, verwarde discipelen werden krachtige getuigen van de opstanding van Christus, deuren en harten gingen open. In dit hoofdstuk willen we Heer Jezus volgen in zijn ontmoetingen met de Emmaüsgangers en de discipelen in de eerste dagen ná zijn opstanding.
Hoofdstuk 24 van het evangelie naar Lukas begint met een morgen en eindigt met de avond (24:1,36; Mark.16:2; Joh.20:19). Het hoofdstuk begint met verdriet maar eindigt met blijdschap. Het begint en eindigt in de tempel met lovende mensen (1:8; 24:53).
(1) Het open graf (24:1-12)
Het graf was niet open om de Heer naar buiten te laten, maar opdat de vrouwen, Maria Magdalena en de andere Maria, naar binnen konden kijken!’ En wat zagen ze? Een leeg graf; het lichaam van Jezus was er niet! De beide vrouwen waren in verlegenheid omdat ze de woorden van de Heer Jezus, dat Hij op de derde dag zou opstaan, vergeten waren of niet goed hadden begrepen. ‘Waarom zoekt u de Levende bij de doden? ‘Hij is hier niet, want Hij is opgewekt zoals Hij gezegd heeft’ zeiden de twee mannen, engelen (24:23) in lichtende kleren die bij hen stonden; ‘de Heer is waarlijk opgestaan!’ Maria zocht de juiste Persoon, echter op de verkeerde plaats! Hoeveel mensen doen dat vandaag nog. Overal zie je kruisen, in vooral Rooms-katholieke landen, met de Heer nog aan hangend aan een kruis, maar Hij is opgestaan! Er waren veel getuigen van de opstanding. Durft u het getuigenis van Maria Magdalena (Joh.20:11-18) en de andere Maria (Mat.28:1), de Emmaüsgangers (Luk.24:13-35; Mark.16:12); Petrus (Luk.24:34; 1Kor.15:5), de halfbroer van de Heer, Jakobus (1Kor.15:7), de apostelen (Luk.24:36), Thomas (Joh.20:24-29), de zeven apostelen aan het meer van Galilea (Joh.21), de verschijning aan de apostelen vóór zijn hemelvaart (Hand.1:3-4), de meer dan vijfhonderd broeders (1Kor.15:6) en Paulus (1Kor.15:8) in twijfel trekken? Van de filosoof Nietzsche schijnt het gezegde te komen: ‘God is dood’. Maar toen in 1900 Nietzsche stierf, zei God: ‘Nietzsche is dood!’ De opstanding van Christus is het fundament van het christelijk geloof. Laat je de opstanding weg dan stort het hele ‘gebouw’ in! De apostel Paulus heeft dat heel duidelijk ingezien en er over geschreven (1Kor.15).
(2) Zij openden hun hart (24:13:27)
Een grote teleurstelling had zich van de twee, zogenaamde Emmaüsgangers, genoemd naar het gelijknamig dorp in de buurt van Jeruzalem, meester gemaakt. Ze kwamen op diezelfde dag, de dag van Jezus’ opstanding, terug van een bezoek aan Jeruzalem. Ze hadden grote verwachting gekoesterd over Jezus de Nazaréner, maar omdat de dingen heel anders verlopen waren dan ze hadden gehoopt, was de teleurstelling des te groter. En zo vond de Heer Jezus hen, bedroefd op weg naar huis, al pratende met elkaar over de dingen die gebeurt waren. Hun teleurstelling was zó groot dat ze, toen de Heer Jezus hen vroeg waarover ze met elkaar spraken, met een droevig gezicht bleven staan en hun hart voor die ‘vreemdeling’ openden en verslag deden van de oorzaak van hun verdriet en teleurstelling. Hij, waarop ze hoopten dat Hij Israël zou verlossen was veroordeeld en gekruisigd! En daar kwam nog bij dat het graf waar Jozef van Arimathea en Nicodémus het lichaam gelegd hadden (Luk.23:51; Joh.19:39), leeg was!
Hoeveel mensen, ook gelovigen, lopen er niet rond die ook op de een of andere manier teleurgesteld zijn in hun verwachtingen? Ze voelen zich alleen gelaten en beseffen niet dat de Heer naast hen is, zoals bij de Emmaüsgangers. Soms gaan ze zover in hun verdriet dat ze medelijden met zichzelf krijgen en zich daarin koesteren, of hun teleurgestelde verwachtingen als een excuus gebruiken om de dienst aan God op te zeggen. Hoe dat komt? Ze lopen, gelijk de Emmaüsgangers, de verkeerde kant op: weg van Jeruzalem, weg van God! Ze betrekken God niet in hun verdriet en hun niet uitgekomen verwachtingen. Maar omdat de Emmaüsgangers hun hart voor de Heer openden kon Hij hun ook andere dingen openen, waardoor hun teleurstelling over ging in blijdschap.
(3) Hij opende de Schriften (24:32-35)
Als de Emmaüsgangers de Schriften, het Oude Testament, tot hun beschikking hadden gehad, dan hadden ze op de hoogte geweest kunnen zijn geweest over wat de profeten hadden voorzegt over de komende Messias. Nu opent de Heer Jezus hun de Schriften; het resultaat: “En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?” (24:32) We zien dat er een grote verandering ontstond door het openen van de Schriften bij de teleurgestelde Emmaüsgangers. Waren ze eerst teleurgesteld in hun verwachting, nu zagen door de Schriften de loop der dingen in hun juiste context. Ook wij allemaal hebben wel eens vertroosting nodig tijdens ons leven. Ook wij kunnen teleurgesteld worden in onze verwachtingen en de hoop verliezen. Het ‘medicijn’ is dan dat je de Schriften opent, want door dat te doen kun je vertroosting ontvangen. “Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.” (Rom.15:4) Dus mocht u het eens moeilijk hebben in uw wandel als kind van God in deze wereld, lees dan eens over de geloofshelden waarover u kunt lezen in Hebreeën 11. Hoofdstuk 12:1 vat het als volgt samen: “Daarom dan ook, daar wij zo’n grote wolk van getuigen rondom ons hebben, laten ook wij alle last en de zonde die ons licht omstrikt, afleggen en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt, terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. Want let op Hem Die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt.” (Heb.12:1-3)
(4) Zij openden hun huis (24:28-29)
“Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest.” (Heb.13:2) Deze tekst doelt op de ontmoeting van de drie ‘mannen’ die Abraham opzochten (Gen.18:1-8; 19:1-3) en waarvan, bij nauwkeuriger onderzoek van de teksten, één van hen de ‘Engel des Heren’ moet zijn geweest. Sommigen hebben engelen gehuisvest, maar de Emmaüsgangers stelden hun huis open zonder te weten voor wie, maar dat wel al gauw duidelijk! “En zij drongen bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al gedaald. En Hij ging naar binnen om bij hen te verblijven.” (24:29) Zonder het te weten dat het de Zoon van God was die bij hen in huis zou komen! Tijdens de wandeling naar huis hadden ze met Hem opgetrokken, met Hem gesproken en Hem niet herkend, maar toch hadden Jezus’ woorden hun doel niet gemist: “En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?” (Vs.32) Wat voor een wonderlijk moment moet het dan geweest zijn toen Hij door hen werd herkend bij het breken van het brood. “Hun ogen nu werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij werd onzichtbaar voor hen.” (24:31) Het is te hopen dat ieder mens de Heer uitnodigt om in zijn of haar leven te komen. “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.” (Op.3:20; Joh.14 :23)
(5) Hij opende hun de ogen (24:25:31)
Ons verstand is, door de zondeval verduisterd; de duisternis heeft onze ogen verblind (1Joh.2:11). De apostel Paulus was door de Heer gezonden opdat de ongelovigen “zich zouden bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij.” (Hand.26:18) De mens, zonder Christus is in de macht van de duisternis (Kol.1:13). De ogen van de Emmaüsgangers werden ervan weerhouden Hem te herkennen (24:16) en voor hen was Hij ‘een vreemdeling’ (vs.18). Een andere tekst die zegt: ‘Na deze dingen openbaarde Hij Zich in een andere gedaante aan twee van hen, terwijl zij wandelden en naar het veld gingen.’ (Mark.16:12) Maar: “De Here maakt de blinden ziende.“ (Ps.146:8) De Heer Jezus werd hun bekend in het breken van het brood. Hun ogen werden geopend (vs.31, 35). De discipelen hadden de Heer drie jaar gezien en wisten niet wie Hij was. “Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus?” (Joh.14:9) Nu ze weten wie Hij is zien ze Hem niet meer. Ook Maria Magdalena, die tegenover de heer Jezus stond, wist niet Wie Hij was, tot op het moment dat Jezus tot haar zei: Maria! (Joh.20:14 vv.) De tegenstander wil niet dat mensen Jezus gaan zien: “Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan; in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het beeld van God is, hen niet zou bestralen.” (2Kor.4:3-4)
(6) Hij opende hun verstand (24:36-46)
“U zult [de] Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand”, dat was het antwoord wat de Heer Jezus gaf aan een wetgeleerde waarmee Hij in gesprek was (Luk.10:27). Christenen worden wel eens belachelijk gemaakt doordat ervan wordt uitgegaan dat ze hun verstand hebben uitgeschakeld en alles maar geloven wat hun verteld wordt. Het tegendeel is echter waar! De Heer Jezus opende de discipelen hun verstand, opdat zij anders onmogelijk de Schriften, het Woord van God zouden kunnen verstaan! (1Kor.2:13-16). In geestelijke zaken is het ‘denken van Christus’ in ons bezit. De Heilige Geest zou de gelovigen in alle waarheid leiden (Joh.16:13) en zonder Gods Geest kunnen wij van zijn Woord niets verstaan. God wil niet dat u “evenals de volken wandelt in de vruchteloosheid van denken, verduisterd in het verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is.” (Ef.4:17-18) Wat wel moet gebeuren is: “wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.” (Rom.12:2) “Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen.” (1Kor.14:15) ‘Wie denkt gelooft!’.
(7) Zij openden hun mond (24:47-53)
Hoofdstuk 24 eindigt met een dankbare, prijzende groep mensen. “En zij aanbaden Hem en keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren voortdurend in de tempel en prezen en zegenden God.” (24:52-53) En enkele dagen later toe de Heilige Geest werd uitgestort zien we de apostelen met grote kracht getuigenis geven van de opstanding van de Heer Jezus (Hand.2). De Heer Jezus had hun opgedragen het evangelie van Gods genade voor alle volken, uit te dragen in de wereld. Met grote blijdschap zijn ze gegaan, ondanks tegenstand want: “want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben.” (Hand.4:19-20) Zij, de apostelen en velen ná hen, hebben niet gezwegen, en wij? Laten we doen zoals die melaatse mannen en onze monden openen: “Toen zeiden zij tot elkander: Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap, en wij houden ons stil. Indien wij wachten tot het morgenlicht, dan zal ons straf treffen. Welaan dan, laten wij heengaan en het in het koninklijk paleis melden.” (2Kon.9:7)