Bijbelse woorden of begrippen zoals “pelgrim”, “vreemdeling” en “bijwoner” worden vandaag de dag nog nauwelijks gekend onder christen, en daar behoren ook woorden als “priester” en “priesterdom” bij. Gods woord laat er echter geen enkele twijfel over het bestaan van “het priesterschap van alle gelovigen.” De brief aan de Hebreeën geeft ons daarover voldoende informatie (Bv. Hebr.10). Het ligt dan ook voor de hand dat we daarvan weinig of niets van terug vinden in de praktijk van de gemeentelijk samenkomsten. Eén van de oorzaken van het niet functioneren van het priesterschap in de kerken, van vooral protestantse signatuur, ligt aan de structuur die daar te vinden is. Ik bedoel daarmee de éénpersoon functie van de voorganger of dominee, die de hele dienst leidt, waardoor er geen of weinig ruimte is voor de andere gelovigen om actief een bijdrage aan de dienst te kunnen doen. Andere samenkomsten, vooral evangelische, waar de muzikale bijdrage centraal staat, is in veel gevallen ook weinig of geen mogelijkheid voor een of andere gelovige om actief deel te nemen aan de dienst. Alles is al vooraf “geprogrammeerd.” Dat maakt dat “Eenieder van u heeft iets,” zoals we dat beschreven vinden in 1 Korintiërs 14:26-40, vaak niet of moeilijk in de praktijk kan worden gebracht. Ik laat de praktijken in de RK-kerk maar buiten beschouwing omdat dat een karikatuur is van de Bijbelse werkelijkheid. Wat de Bijbel, Gods woord, zegt over het priesterschap van alle gelovigen en het functioneren daarmee verbonden gaat dit artikel.
Inleiding
Het gedeelte van de eerste brief van Petrus die we voor ons hebben begint met de invloed die het woord van God op mensen kan hebben, d.w.z. op hen die zich daarvoor hebben opengesteld. Ze worden wedergeboren mensen, kinderen van God, levende stenen, een heilig en koninklijk priesterschap genoemd.
Pasgeboren kinderen
“Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis.” (1Petr.2:2)
De uitdrukking “pasgeboren baby’s” is dezelfde die in Lucas 2:16 wordt gebruikt voor het kindje Jezus. De enige manier waardoor een mens opnieuw geboren kan worden is door het geloof in Gods woord. Net zoals er twee ouders zijn bij de fysieke geboorte, zo zijn er ook twee “ouders” bij de geestelijke geboorte: de Geest van God (Joh.3:5-6) en het Woord van God (1Petr.1:23). Door die geboorte gaan we deel uitmaken van Gods geestelijke familie. Maar dat is het begin, er is echter ook een vervolg, het kind moet groeien tot volwassenheid. Daarvoor heeft de nieuwe gelovige melk nodig (1Kor.3:1-2; Heb.5:13-14). Een van de bewijzen van geestelijk leven is, een honger naar geestelijk voedsel, het woord van God. We moeten geen baby’s in Christus blijven. Maar net zoals een baby een grote eetlust heeft, zo zouden wij een soortgelijk verlangen naar Gods Woord moeten hebben. Naarmate we groeien in de Heer, nemen we vlees en brood op in ons geestelijke dieet (Mat.4:4). We worden “jonge mannen” en “vaders” in het gezin (1Joh.2:12-14). Ons voedsel moet het onvervalste Woord zijn, niet een vermengd met menselijke filosofieën of leerstellingen (2Kor.2:17). Zodra we de zegen van de Heer hebben geproefd (Ps.34:8), willen we de oude zonden van het vlees, kwaadaardigheid, bedrog, hypocrisie, afgunst, enz., afleggen en een honger naar Gods waarheid ontwikkelen. De nieuwe geboorte geeft ons een nieuwe natuur (2Petr.1:4) en kracht van de Heilige Geest om de “oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen.” (Kol.3:5-15)
Levende stenen
“En u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1Petr.2:5)
Petrus heeft nooit beweerd “de rots” te zijn waarop de kerk gebouwd is (Mat.16:18; 1Kor.3:11); hij stelde duidelijk dat Christus de ‘levende steen’ is (vs. 4). Christus werd door mensen verworpen, maar door God uitverkoren. (Lees aandachtig Mattheüs 21:33-146; Jesaja 28:16; Handelingen 4:11 en Psalm 118:22-23). Gelovigen zijn levende stenen, gebouwd op de Levende Steen (vs.2:3), die samen een geestelijke tempel vormen tot Gods eer (Ef.2:19-22). Wij zijn ook priesters in deze tempel, die door Christus geestelijke offers brengen (zie Heb.13:15-16). Christus, de steen, wordt door mensen verworpen; maar wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Ongelovigen struikelen over deze steen en zullen er op een dag door verpletterd worden; maar voor de gelovigen is Hij kostbaar.
Priesterschap – Inleiding
“Dat ik een dienaar van Christus Jezus zou zijn voor de volken, om het evangelie van God priesterlijk te bedienen, opdat de offerande van de volken welgevallig zou zijn, geheiligd door de Heilige Geest.” (Rom.15:16)
De kerk is ‘het volk van God’, zijn heilige natie, zijn “Israël” (zie Ex.19:6; Gal.6:16). Dit betekent niet dat de beloften uit het Oude Testament niet letterlijk vervuld zullen worden voor de Joden in het koninkrijk, maar eerder dat de kerk vandaag voor God is wat Israël voor Hem was onder het Oude Verbond, in geestelijke zin. Omdat Christus onze Koning-Priester is, zijn wij een koninklijk priesterschap. “Een volk tot een eigendom” (vs.9). Wat een voorrecht is het om een kind van God te zijn en burgerschap in de hemel te hebben (Fil.3:10).
“Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed, en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader.” (Op.1:5-6; 5:10) “Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deelheeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem de duizend jaren regeren.” (Op.20:6) Samenvattend kunnen we zeggen, ook wij hebben een Hogepriester (Heb.4:14-16), altaar (Heb.13:10), tempel (1Kor.3:16), priesters (o.a. Op1:6) en offers (o.a. Heb.13:15).
Heilig priesterschap, koninklijk priesterschap
Wij zijn een “heilig priesterdom” en een “koninklijk priesterdom”. Deze overeenkomst komt overeen met het hemelse priesterschap van onze Heer, want Hij is zowel Koning als Priester (zie: Heb.7). In het Oude Testament diende geen enkele koning in Israël als priester; en de ene koning (Uzzia) die het probeerde, werd door God geoordeeld (2Kron.26:16-21). De hemelse troon van onze Heer is een troon van genade van waaruit we geloof en kracht kunnen verkrijgen in alles wat we nodig hebben om voor Hem te leven en Hem te dienen (Heb.4:14-16). In de periode van het Oude Testament had Gods volk een priesterschap; maar vandaag de dag is Gods volk een priesterschap. Elke individuele gelovige heeft het voorrecht om in de tegenwoordigheid van God te komen (Heb.10:1-9-25). We komen niet tot God via iemand op aarde, maar alleen via de ene Middelaar, Jezus Christus (1Tim.2:1-8). Omdat Hij leeft in heerlijkheid en voor ons pleit, kunnen wij dienen als heilige priester.
“Een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.” (1Petr.2:5)
De eerste vorm van ons “priesterdom” is een dienst van aanbidding en die richt zich in de eerste plaats tot God en de Heer Jezus. Maar we zijn niet alleen, met andere broeders en zusters vormen wij het ‘huis’ waarin wij dienen, de Gemeente van de Levende God. Als kinderen van God hebben wij toegang tot de Vader. “Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees, en wij een grote Priester over het huis van God hebben, laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, de harten door besprenkeling gezuiverd van het kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water.” (Heb.10:19-22)
“Een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht.” (1Petr.2:9)
Vanuit de aanwezigheid van God richt zich de tweede vorm van ons priesterschap ons, als het ware tot hen die ‘buiten de tempel’ zijn. “U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht. “u die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid hebt verkregen.” (1Petr.2:10) Daarvan mogen wij getuigen tot iedereen die op ons levenspad komt.
Offers
“Weest dan navolgers van God, als geliefde kinderen, en wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk.” (Ef.5:1-2)
Wij hebben een altaar (Heb.13:10) en we zijn priesters en daarbij horen offers, geen offers van dieren, maar geestelijke offers. Dus zowel in woord als in daad is ons doel als priesters God te dienen. Let wel het zijn allemaal geestelijke offers (1Petr.2:5). Wat zijn dan de offers die mogen brengen aan God? Dat is ten eerste ons lichaam: “Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst.” (Rom.12:1) Het lichaam van de gelovige is de tempel van de Heilige Geest (1Kor.6:19-20). En verder ons hart: “De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” (Ps.51:19) Paulus wil door zijn dood God een extra aanleiding geven om Zich te verheugen bij de vreugde die Hij al geniet door het offer van de Filippenzen. “Maar ook al word ik als een drankoffer uitgegoten over de offerande en bediening van uw geloof, dan verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.” (Fil.2:17) Het offer van de gelovigen te Filippi was een financiële bijdrage voor de dienst van de apostel Paulus. “Ik heb volop, nu ik van Epafroditus het door u gezondene heb ontvangen: een welriekende reuk, een aangenaam, God welbehaaglijk offer.” (Fil.4:18) Bijdragen, in welke vorm dan ook worden ook als een offer gerekend: “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen.” (Heb.13:16) Zelf ons zingen is een offer voor God: “Laten wij dan door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is de vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.” (Heb.13:15)