Bijbel – Nieuwe Testament – Christus in de brief aan de Kolossers

25 mei, 2026

Bijbelboeken: Kolossenzen

Bijbel – Nieuwe Testament

Christus in de brief aan de Kolossers

Inleiding

Paulus was een gevangene in Rome. Epafras had hem bezocht en vertelde hem dat er een nieuwe leer de Gemeente was binnengekomen die veel verwarring had veroorzaakt. Deze ketterij wordt algemeen ‘gnosticisme’ genoemd, van het Griekse woord ‘gnosis’ dat ‘weten’ betekend. Het weten bestond daarin dat men beweerde dat men een superieure kennis bezat met betrekking tot geestelijke zaken. Deze leer was een mix van christelijke waarheden, joodse wetten, Griekse filosofie en oosterse mysticisme. Een van de dingen die geleerd werden was dat alle materie zondig was, inclusief het lichaam; en om die reden kon God niet in contact komen met materie. Hoe, dan, was de wereld ontstaan? Bij een aantal van ‘uitstralingen’ zei men. En omdat Christus een menselijk lichaam had, was Hij slechts één van de uitstralingen en niet echt de Zoon van God. Deze gnostici kenden een reeks van ‘uitstralingen’, (ook de engelen) tussen de mensen en God en daarom loochenden ze de voorrang van Christus. Hun systeem bestond daarin dat ingewijden een speciale diepere kennen hadden van geestelijke zaken, waarover anderen niet beschikten. De gnostici hielden ervan om het woord ‘volheid’ te gebruiken en daarom vind je dat Paulus het een aantal keren in deze brief gebruikt. Het was een leer dat vereiste dat men bepaalde regels volgde (2:16) en strikte onderwerping van het lichaam (ascetisme, 2:18-23). ‘Raak niet, smaak niet, en roer niet aan’ (2:21). Ze leerden dat sommige dagen heilig waren en bepaald voedsel zondig. Het gnostische systeem had een schijn van geestelijkheid maar had geen echte geestelijke waarde (2:21-23). De brief aan Kolosse benadrukt de voorrang van Christus. Als je het leest zal je regelmatig de woorden ‘alle’, ‘volheid’ en ‘in Hem, Christus’ tegenkomen (1:9-11, 16-20, 28; 2:2-3, 9-10, 13,19; 3:8, 11, 14, 16-17, 20,22; 4:9,12). Pauls’ thema is ‘Christus is alles en in allen’ (3:11) en dat ‘wij in Hem voleindigd zijn’ (2:10). Omdat gelovigen in de volheid van Christus volmaakt zijn, is Christus alles wat ze nodig hebben!

Christus: de redder (1:13-14)

 “In Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.” (Kol.1:13)

Het is het kruis dat Jezus Christus met kop en schouders boven ieder ander persoon in de geschiedenis verheft. Religieuze leiders zijn gestorven, maar alleen Christus, Gods Zoon, stierf aan het kruis voor de zonden van de wereld. Welke engel is ooit gestorven om zondaars te verlossen, hen te bevrijden? Welke religieuze regels hebben ooit vergeving voortgebracht? Het is het kruis dat Jezus Christus hoog boven alles verheft. Het kruis staat centraal in de dienst van de Heer Jezus, niet alleen voor onze zonden, ook om de satan te overwinnen. “En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het kruis over hen getriomfeerd.” (Kol.2:15) Alleen de Heer Jezus heeft ons gered, want “In niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden.” (Hand.4:12) Reeds voor Zijn komen in de wereld werd Hij als Redder aangekondigd. “U zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk behouden van hun zonden.” (Mat.1:21)

Christus: Beeld van God (1:12-14)

“Hij is het beeld van de onzichtbare God.” (Kol.1:15)

De gnostische leraren beweerden dat God de werelden heeft geschapen door een reeks ‘emanaties’ (uitstralingen of uitvloeing) van Zichzelf en dat Christus een van deze emanaties was. Paulus stelt echter dat Christus geen emanatie van God is, maar God Zelf! ‘Beeld’ betekent ‘de exacte reproductie’. Christus is niet een van Gods schepselen, maar de hoogste (eerstgeborene) van de hele schepping. De term ‘eerstgeborene’ verwijst niet naar tijd, maar naar positie. Zo wijst de Heer Jezus zijn discipel Filippus erop dat “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” (Joh.14:9) En al eerder in het evangelie naar Johannes: “En wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem die Mij heeft gezonden.” (Joh.12:45) En de apostel Paulus spreekt van “het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is.” (2Kor.4:4)

 Christus: de Schepper. (1:15-17)

 “Want door Hem zijn alle dingen geschapen.” (Kol1:16)

De Grieken hielden er verschillende theorieën over de schepping op na en hielden zelfs vast aan een zekere vorm van evolutie. Ook in onze dagen zijn er, die zich christenen noemen, en theorieën aanhangen die ingaan tegen het klare getuigenis van Gods Woord, namelijk dat God de Schepper is van hemel en aarde. “Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag.” (Ex.20:11) “Hij sprak en het was er en gebood en het stond er.” (Ps.33:9) De Heer Jezus bevestigd God, zijn Vader als de schepper van de mens (Mat.19:4). Ook de apostel Paulus stelde duidelijk, in zijn toespraak tot de Grieken te Athene, dat God alles geschapen heeft en niet in door mensen gemaakte tempels woonde. God geeft leven aan alles; de mens kan Hem in feite niets geven (Hand.17:24vv.). Doorheen de hele Bijbel is het getuigenis unaniem (Zie: Op.4:11; Heb.1:2; Ps.146:6). “Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.” (Joh.1:3) Ja, de wereld is door Hem geworden! (Joh.1:10) “Door het geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.” (Heb.11:3)

Christus: Hoofd van de Gemeente (1:18)

“En Hij is het hoofd van het lichaam, namelijk van de gemeente.” (Kol.1:18)

De gemeente is Zijn lichaam en Hij is het Hoofd. De gemeente is de nieuwe schepping en Hij is het “Begin”, dat wil zeggen, de Schepper van de nieuwe schepping. Zijn opstanding geeft Hem recht en voorrang op de troon, want Hij is de “eerste” uit de doden, dat wil zeggen, de eerste die uit de doden is opgestaan ​​en nooit meer zal sterven. Let op de herhaling van het woord “alles” in dit hoofdstuk, wat de universele heerschappij van Jezus Christus over alles wat bestaat aantoont. “God… heeft Hem als hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente.” (Ef.1:22) De details van de betekenis van “het lichaam” worden gegeven in Efeziërs 2:11 e.v.; deze passage beschrijft hoe Christus vrede stichtte tussen Joden en heidenen en hen beiden verzoent in één lichaam, de Gemeente. “Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden het zij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen.” (1Kor.12:13) Maar Zijn kruis verzoende niet alleen Joden en heidenen; het maakte de verzoening van “alle dingen” mogelijk – het hele universum! Paulus past dit persoonlijk toe op de gelovigen (Kol.1:21-23) en herinnert hen eraan dat Christus hun leven volledig heeft veranderd en hen met God heeft verzoend. De valse leraars mogen dan wel ingewikkelde theorieën over engelen en ‘emanaties’ bedenken, maar Christus heeft de hoogste positie als Hoofd van de Gemeente! Hij is de ‘Eerstgeborene’ van de schepping en van de doden! (Kol.1:15,18), wat Zijn prioriteit en soevereiniteit aantoont.

Christus: Volheid van God (1:19-20)

 “Want het heeft de Vader behaagd dat in Hem heel de volheid wonen zou’.” (Kol.1:19)

De Heer Jezus is God en niet een geschapen wezen, een soort van demiurg, zoals de volgelingen van Arius leerden. De auteur van de brief aan de Hebreeën geeft dat als volgt weer, wanneer hij spreekt van de Heer Jezus: “Deze, Die de uitstraling is van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen.” (Heb.1:3) De Heer Jezus is niet alleen het beeld van God, maar hij is God. “En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons het verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.” (1Joh.5:20) Om een vuist te maken tegen het arianisme – een stroming die stelde dat Jezus een schepsel was en niet gelijk aan God – stelde het concilie van Nicea in 325 de Geloofsbelijdenis op. Hierin werd Jezus omschreven als “één in wezen met de Vader”. “In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God.” (Joh.1:1-2) Zo begint Johannes ‘zijn’ evangelie.

Christus: Wijsheid van God. (2:2-3)

 “Christus, in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.” (Kol.2:3)

De valse leraars hadden hun fascinerende filosofieën, maar in Christus hebben wij “alle schatten van wijsheid en kennis.” (vers 3) Elke door mensen bedachte filosofie die geen plaats voor Christus heeft, is het niet waard om overwogen te worden. Wij zijn rijk in Hem; waarom zouden we ons verlagen om door mensen bedachte doctrines te volgen? Laat religieuze leraren maar komen met hun “verborgen doctrines”; wij hebben alle wijsheid, verborgen in Christus, en wij zijn “verborgen met Christus in God” (3:3). De filosofieën van de mens zijn aantrekkelijk. Ze doen alsof ze wijs en intelligent zijn, en maar al te vaak worden christenen ‘verleid’ door deze ‘aanlokkelijke woorden’ (vers 4). Wat tragisch is het wanneer christenen ten prooi vallen aan door mensen bedachte filosofieën die Jezus Christus en de Bijbel verloochenen. ‘Pas op dat niemand u gevangen neemt’ (u bederft – vers 8), waarschuwt de apostel. Wanneer je Jezus Christus kent, ken je ware wijsheid (1 Kor.1:24, 30), en door zijn woord ontvang je wijsheid voor het dagelijks leven. In hoofdstuk 2 tot en met 5 van het boek Spreuken spoort Salomo de jongeman (het woord “Mijn zoon” wordt vijf keer herhaald) aan om de goddelijke wijsheid te grijpen vanwege de zegeningen die het in zijn leven zal brengen. Deze instructies gelden natuurlijk voor iedereen die wil luisteren en gehoorzamen. “Het begin van de wijsheid is: verwerf wijsheid.” (Spr.4:7)

______________________________________________________________________________