Bijbel – Nieuwe Testament – Een blijmoedige gever! – 2Kor.8-9 en 1Kron.29:1-9

3 juni, 2026

Bijbelboeken: 2 Korintiërs

Bijbel – Nieuwe Testament

2Kor.9-10 en 1Kron.29:1-9

Een blijmoedige gever!

Voorwoord

“Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” (Hand.20:35)

Het is u wellicht ook wel opgevallen, of mogelijk heeft u het uit eigen ervaring geconstateerd, dat geven moeilijker is dan te ontvangen en vooral als het om financiën gaat! “Het laatste dat bekeerd is, is de portemonnee,” is een bekend gezegde. Niet dat alle gelovigen daar moeite mee hebben, er zijn echt wel uitzonderingen, maar in het algemeen gesproken is dat waar. En dat het van alle tijden is blijkt wel uit de oproep van de apostel Paulus in zijn afscheidsboodschap tot de oudsten van de gemeente van Efeze: “Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” (Hand.20:35) Wanneer de apostel Petrus schrijft dat “Christus ons een voorbeeld heeft nagelaten heeft,” (1Petr.2:21) dan wil dat ook zeggen in het geven. Dus, laten we eens zien hoe we een “blijmoedig gever” kunnen worden, mochten we dat nog niet zijn! We doen dit aan de hand van een gedeelte uit het Oude- en Nieuwe Testament! En laat u niet afschrikken door het onderwerp, want het is zaliger te geven dan te ontvangen, u wordt er alleen maar blijer van!

Geven ondanks de omstandigheden

“Want allen hebben er van hun overvloed ingeworpen, maar zij heeft van haar gebrek er alles wat zij had in geworpen, haar hele levensonderhoud.” (Mar.12:44)

De persoon waar het hier over gaat was een weduwe, en dat wilde zeggen dat ze verre van bemiddeld was. Nee, ze gaf van haar gebrek of armoede. In het Schriftgedeelte daaraan voorafgaat, lezen we over Schriftgeleerden die “de huizen van de weduwen opeten,” misschien was deze weduwe wel een van hun slachtoffers! (Mark.12:40) Ondanks haar moeilijke omstandigheden, weduwe en hulpbehoevend geeft ze alles wat ze heeft. De Heer Jezus, die toekeek, zegt van haar dat zij meer heeft gegeven dan alle anderen die ook iets in de schatkist gedeponeerd hadden. Jezus zag “hoe” de mensen gaven. De apostel Paulus getuigd van de gemeenten in Macedonië: “Maar wij maken u bekend, broeders, de genade van God die in de gemeenten van Macedonië gegeven is, dat onder veel beproeving van verdrukking de overvloed van hun blijdschap en hun diepe armoede overvloedig zijn geweest in de rijkdom van hun liefdadigheid. Want ik getuig dat zij naar vermogen en boven vermogen, uit eigen beweging, ons met veel aandrang smeekten om deze gunst en de gemeenschap in de dienst aan de heiligen.” (2Kor.8:1-4)

Enthousiast geven

‘…en zij vroegen, met alle aandrang, uit eigen beweging van ons de gunst, deel te mogen nemen.’ (2Kor.8:3-4)

Dat zal je niet veel meemaken, dat er zijn die spontaan uit eigen beweging, mee willen doen aan een inzamelingsactie. Er zal dan toch duidelijkheid moeten zijn over het doel en de ontvangers, tenslotte dienen we ook goede rentmeester zijn van wat God ons heeft toevertrouwd, ook wat de financiën betreft. In dit geval ging het om de behoeftige gelovigen in Jeruzalem (1Kor.16:1-3; Rom.15:25-28) en de gemeenten van Macedonië waren enthousiast om mee te doen. Eenzelfde soort enthousiasme zien we bij de bouw van het heiligdom onder leiding van Besaleël en Oholiab. De Israëlieten brachten de gelden, ten behoeve van het werk voor het heiligdom dat gebouwd moest worden, tot Mozes. Maar de vaklieden lieten Mozes weten dat de mensen veel meer bijeenbrachten dan nodig was (Ex.36:5). “Toen gaf Mozes een bevel en men liet het overal in de legerplaats afroepen: Laat man noch vrouw verder enig werk maken ten behoeve van de heffing voor het heiligdom. Zo werd het volk weerhouden meer te brengen. Want het materiaal was voldoende om al het werk te maken, ja, er was te veel.” (Ex.36:6-7) Over enthousiasme gesproken!

Geven zoals Jezus (God) gaf

“Gij kent immers de genade van onze Here Jezus Christus, dat Hij om uwentwil arm is geworden.” (2Kor.8:5-9)

“Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave,” (2Kor.9:15) met die woorden besluit Paulus zijn vermaning over het geven. God is het grote en unieke voorbeeld als het op geven aankomt! Het voorbeeld dat Paulus daarvoor geeft is Gods gave van zijn Zoon, die Hij zelfs niet heeft gespaard, maar Hem voor ons allen heeft overgeven (Rom.8:32). “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven.” (Joh.3:16) In deze verzen komt de Heer Jezus in beeld! “Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij, terwijl Hij rijk was, ter wille van u arm is geworden, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden.” (2Kor.8:9-10) De Heer Jezus heeft het huis van de Vader verlaten om in deze duistere wereld te verblijven. Wat een contrast, Hij die rijk was, is om ons arm geworden! Hij is zover gegaan in zijn overgave aan God, dat Hij zelfs zijn leven heeft gegeven voor u, voor mij, op het kruis van Golgotha! Geven is Christus navolgen, want Zijn hele leven heeft Hij aan geven gewijd.

Vrijwillig geven

“Want als de bereidheid aanwezig is, is men aangenaam naar wat men heeft, niet naar wat men niet heeft.” (2Kor.8:10-12)

David had de bouw van de tempel voorbereid door, “zoveel hij vermocht, klaar te leggen.” Maar hij deed er nog een schepje bovenop! Zo zegt hij: “Maar nu schenk ik nog bovendien, uit liefde voor het huis van mijn God, van wat ik zelf aan goud en zilver bezit, aan het huis van mijn God, behalve wat ik voor het heiligdom heb gereedgelegd.” Goed voorbeeld doet goed volgen, want “Toen verklaarden zich daartoe bereid de oversten der families, de oversten van Israëls stammen, de oversten over duizend en honderd en de oversten over het werk des konings.” Dat had tot gevolg dat “het volk zich verheugde over hun gewilligheid, want zij gaven met een volkomen toegewijd hart vrijwillig aan de Here.” (1Kron.29:1-9) Geven behoort niet gedaan te worden “met tegenzin of uit dwang,” maar vrijwillig, toen, in de tijd van David maar ook nu in de gemeenten! (2Kor.7:7) Een geweldige rijkdom kwam vrij voor de bouw van de tempel, men gaf wat men had, weinig of veel, maar de bereidheid tot geven was aanwezig. “Laat ieder van u op de eerste dag van de week bij zichzelf iets terzijde leggen en opsparen naardat hij welvaart heeft.” (1Kor.16:2)

Geven bewerkt gelijkheid

“Want het is niet opdat anderen verlichting hebben en u verdrukking, maar naar gelijkheid; in de tegenwoordige tijd diene uw overvloed voor hun gebrek, opdat ook hun overvloed dient voor uw gebrek, zodat er gelijkheid is.” (2Kor.8:13-14)

Paulus verwijst naar een Schriftgedeelte uit het Oude Testament. “Dit is wat de Here geboden heeft: verzamelt ervan (het manna) naar ieders behoefte; ieder van u kan voor zijn tentgenoten een gomer per hoofd nemen, naar gelang van het zielental. De Israëlieten nu deden zo en verzamelden het, de een meer en de ander minder. Toen zij het in een gomer maten, had hij die meer verzameld had, niet te veel en hij die minder verzameld had, kwam niet te kort. Ieder had naar zijn behoefte verzameld.” (Ex.16:17-18) Paulus past het beginsel van gelijkheid toe op het geven in de tegenwoordige tijd. De nadruk ligt dan ook niet op het verplicht geven van tienden, zoals wel gedacht wordt, maar op de zorg voor elkaar als kinderen van God. Zo lezen we van de eerste gelovigen “allen nu die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk, en zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had.” (Hand.2:44-45)

Geven is aanstekelijk.

“En uw ijver heeft de meesten (tot navolging) aangespoord.” (2Kor.9:1-5)

We hebben al eerder 1 Kronieken 29 aangehaald, en doen dat nog maar eens. Je zou ook kunnen zeggen dat hoofdstuk 29:1-9 een illustratie is van 1 Korinthiërs 8 en 9. David heeft gezorgd voor de nodige financiën voor de bouw van de tempel, en deed ook privé een bijdrage. Dan richt David zich tot het volk met de vraag: “Wie verklaart zich nu bereid, om heden de HERE zijn gave te schenken?” (1Kron.29:5) Het gevolg? De oversten van de stammen van Israël en het volk volgden hem daarin (1Kron.29:6-9) “Uw ijver heeft de meesten tot navolging aangespoord,” schrijft Paulus van de gelovigen te Macedonië. Een jaar eerder hadden ze Paulus aangespoord om deze zendingsactie op zich te nemen en hun steun toegezegd. De apostel had hun ijver gebruikt als aanmoediging voor de andere gemeenten, en nu herinnert hij hen aan hun belofte. Hij lijkt te zeggen: “Als jullie je deel niet doen, zullen jullie andere christenen ontmoedigen en de hele inzameling schaden.” Wat een prachtig getuigenis! “Laten wij op elkaar acht geven tot aanvuring van liefde en goede werken.” (Heb.10:24)

Geven brengt op

“Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien, en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien.” (2Kor.9:6-11)

Door te geven word je niet armer maar rijker! Dat klinkt tegenstrijdig maar dat is wat Gods woord ons voorhoudt. Leest u maar een wat Salomo ons voorhoudt: “Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden.” (Spr.11:24) In de tijd van de profeet Maleachi beroofde het volk God van de tienden en de offers. Wanneer het volk niet trouw is in het geven, dan beroven ze niet alleen God, maar ook zichzelf! De tienden geven, zoals van het volk Israël verwacht mocht worden, is niet het met God op een akkoordje gooien, maar ze mogen rekenen op Gods beloften, zijn zegen en zorg voor hen die trouw zijn in hun dienst, ook wat het geven betreft (Fil.4:10-19). God ziet uit naar onze offers, ook de financiële, als een bewijs van onze liefde voor Hem en zijn volk. “Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.” (Mal.3:10)

Geven lenigt noden

 “Want de dienst van deze bediening voorziet niet alleen in de behoeften van de heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God.” (2Kor.9:12)

De gevolgen van het geven van financiële of materiële hulp, bestemd voor de behoeften van de gelovigen, blijven daartoe niet beperkt maar strekt zich uit tot dankzegging aan God. Er is niet alleen verlichting in de nood, maar deze dienst leidt ook tot een overvloed aan dankzegging aan God. “…want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen; naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en zijn bij U gekomen? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.” (Mat.25:35-40) “Al wat gedaan wordt uit liefde tot Jezus, dat heeft zijn waarde en zal blijven bestaan!”

Tenslotte

Hopelijk heeft dit artikel u voldoende informatie verstrekt om een “Blijde Gever” te worden of te blijven. De mogelijkheden om projecten, zendelingen of organisaties te ondersteunen zijn zoveel eenvoudiger dan in Paulus’ tijd. Het internet biedt daarvoor alle gelegenheid om vanuit uw stoel met gebruik van de computer giften over te maken. Daarvoor is het goed om selectief te zijn en je vooraf goed te informeren over het doel dat je wilt ondersteunen.

______________________________________________________________________________