Als geen andere psalm heeft Psalm 19 tot doel om God als de Schepper van hemel en aarde aan de mens te openbaren. Openbaren wil zeggen “onthullen wat verborgen was.” (Rom.1:18-20) De volledige openbaring van God vinden we in het Nieuwe Testament, in de Persoon van de Heer Jezus. God is oneindig aan eigenschappen, of attributen. God is oneindig in tijd, dat is: eeuwig; oneindig in ruimte, dat is: alomtegenwoordig; oneindig in wijsheid en kennis, dat is: alwetend; oneindig in macht, dat is: almachtig.; enz. In Psalm 139 worden drie eigenschappen van God besproken; Gods ‘alwetendheid’, ‘alomtegenwoordigheid’ en ‘almacht.’ De bespreking van die Psalm kunt u elders op deze website vinden onder de Rubriek: Oude Testament – Dichterlijke boeken. Psalm 19 begint met de openbaring van God door de schepping en vervolgens Gods wet. In dit artikel en deze Psalm richten wij ons op deze twee zaken waarin God zich aan de mens openbaart en wat de reactie van de mens daarop moet zijn.
Inleiding
God spreekt tot de mens op verschillende manieren, in deze Psalm is het door de natuur en Schrift. Maar Hij sprak ook door de profeten en tenslotte in de Zoon. “Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon.” (Heb.1:1) De vraag is luistert de mens ook? “Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen…” (Vs.12) De auteur van de brief aan de Hebreeën roept zijn lezers op Hem die spreekt niet af te wijzen! “Kijkt u uit dat u Hem Die spreekt, niet afwijst. Want als zij niet ontkomen zijn, die Hem afwezen Die op aarde Goddelijke aanwijzingen gaf, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem Die van de hemelen spreekt.” (Heb.12:25) Dus laten we eens luisteren wat deze Psalm ons te zeggen heeft.
God spreekt door de schepping
“Voor de koorleider. Een psalm van David. De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; De dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: Toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. – Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon, Die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen. Van het ene einde des hemels is haar opgang en haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed.” (Ps.19:1-7)
Gods wijsheid, macht en glorie zijn zichtbaar in Zijn schepping. De moderne wetenschap wil ons de ‘natuurwetten’ laten bestuderen en God buiten beschouwing laten, maar de psalmist keek naar de wonderen van hemel en aarde en zag God. Zie ook Psalm 8 en 29, en Jesaja 40:12-31. Jezus zag het werk van Zijn Vader in de lelies en de vogels (Mat.6:24-34). Zowel overdag als ’s nachts spreekt Gods schepping (vers 2), maar deze spraak wordt niet door het menselijk oor gehoord. Vers 3 zou moeten luiden: “Er is geen spraak of taal waar hun stem niet gehoord wordt.” We horen de stem van God in de schepping door Zijn wijsheid en macht te zien. Een zo complexe entiteit als ons universum (en de universums buiten ons eigen universum) vereist een Schepper en Onderhouder. Geloven dat de wereld uit het niets is ontstaan en zich op deze ordelijke manier heeft geordend, is dwaasheid.
De schepping spreekt een universele taal tot alle volken (vs. 3-4). Dit feit gebruikte Paulus in Romeinen 1:18-32 om te bewijzen dat alle mensen overal onder de toorn van God staan. “Zijn de heidenen verloren?” is een veelgestelde vraag, en het antwoord is “Ja”. Op welke basis zijn ze verloren als ze het Evangelie nooit gehoord hebben? Op basis van Gods openbaring in de schepping. De heidenen zien Gods macht en wijsheid, Zijn “eeuwige Godheid”, in de schepping en weten dat ze verantwoording aan Hem verschuldigd zijn. Paulus gebruikt Psalm 19 in Romeinen 10:18. De natuur predikt duizend preken per dag tot het menselijk hart. De activiteiten van de natuur, onder Gods leiding, zijn levendige voorbeelden voor het hart van zondaren, maar helaas willen velen ze niet zien of horen. De verloren zondaar, waar hij of zij zich ook op deze aarde bevindt, staat schuldig voor de troon van God.
God spreekt door de wet
“De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige. De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader rechtvaardig. Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de raat.” (Ps.19:8-11)
Na de natuur verschuift de aandacht naar Gods wet. De natuur toont Gods macht. “Van de schepping van de wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien.” (Rom.1:20) Maar door zijn Woord openbaart God zijn wil. “En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.” (Rom.12:2) De psalm noemt verschillende termen voor Gods Woord: wet, getuigenis, bevelen, gebod en verordeningen dat laat ons de veelzijdigheid ervan zien. Een volledige toewijding aan God, vereist op de hoogte zijn van zijn wil! “Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.” (Joh.14:21) Samengevat mag je zeggen dat Gods Woord, bestaande uit Oud- en Nieuwe Testament, voldoende is om Gods wil te ontdekken. “Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.” (2Tim.3:16-17)
God spreekt tot de mens
“Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning. Afdwalingen, wie bemerkt ze? Spreek van de verborgene mij vrij. Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding. Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o Here, mijn rots en mijn verlosser.” (Ps.19:12-15)
We hebben Gods Woord nodig die als een spiegel onze zonden aan ons bekend maakt (Jak.1:22-25). Zo zegt de psalmist: “Ik berg uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige.” (Ps.119:11) Het beste boek, op de beste plaats met het beste doel! Dus “laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen.” (Kol.3:16) Ons hart is onbetrouwbaar, altijd geneigd tot het verkeerde. “Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.” (Mat.15:19; Jer.17:10) Om niet in zonde te vallen hebben Iemand nodig die ons daarvoor kan bewaren. “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.” (Ps.139:23-24) De zonde die nog altijd in ons woont, ook al zijn we tot geloof gekomen, ligt als een belager aan onze deur, wiens begeerte naar ons uitgaat, over wie wij moeten heersen (Gen.4:7; Rom.6:12; 7:20). Voor onopzettelijke zonden biedt de wet verzoening en vergeving (Lev.4:2,13; Num.15:22-31), maar voor opzettelijke gedane zonden moeten we een beroep doen op Gods genade! “Wees mij genadig, o God, naar uw goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit naar uw grote barmhartigheid.” (Ps.51:3) Met het verlangen van David om een God welgevallig leven te leiden, sluit deze Psalm af. “Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o Here, mijn rots en mijn verlosser.” (Ps.19:15) Iets om na te volgen!
Tenslotte
“Daarom danken ook wij God zonder ophouden dat u, toen u van ons het gepredikte Woord van God hebt ontvangen, het ook aangenomen hebt, niet als een mensenwoord, maar zoals het werkelijk is als Gods Woord, dat ook werkzaam is in u die gelooft.” (1Thes.2:13).
Sinds de Verlichting die opkwam in de late 17e en 18e eeuw, leven wij in een wereld waarin het woord van mensen tot norm is geworden voor ons denken en handelen. Iemand heeft daarom gezegd: “Door de verlichting is het licht uitgegaan!” Als gevolg van de Verlichting is de zgn. ‘Schriftkritiek’ voortgekomen die in veel kerken een negatieve invloed heeft uitgeoefend en het Woord van God heeft uitgehold waardoor dat geleidelijk aan invloed en gezag verloren heeft, zeker in onze westerse maatschappij. Daarom loopt de Gemeente van Jezus Christus gevaar het woord van mensen hoger te gaan achten dan Gods Woord. De primaire vraag in de theologie moet zijn wat de bron is van onze kennis van God; de rest van de theologie is dan de uitwerking van die kennis. Wat wij over God menen te kunnen zeggen, is vooral ontleend aan de Bijbel, maar dan vanuit de vooronderstelling dat de Schrift niet alleen over God spreekt, maar dit betrouwbaar kan doen doordat zij openbaring van God is, en wel primair openbaring aangaande Hemzelf. Daarom moeten wij eerst de vraag beantwoorden of de Schrift openbaring van (en aangaande) God is, en zo ja, wat dit concreet inhoudt voor ons persoonlijk, zodat wij aan de Schrift betrouwbare kennis van God kunnen ontlenen. Helaas leven wij nu in een seculiere samenleving en maatschappij waarin religie en geloof geen doorslaggevende invloed meer hebben op het publieke leven, de politiek en de wetgeving. We ervaren dat elke dag meer en meer!