Bijbel – Nieuwe Testament – Mat.21:33-46 – De Verworpen Koning

8 november, 2025

Bijbelboeken: Matteüs

Bijbel – Nieuwe Testament

De verworpen Koning

Mattheüs 21:33-46

Inleiding

“Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel; Hij spitte hem om, zuiverde hem van stenen, beplantte hem met edele wijnstokken, bouwde daarin een toren en hieuw ook een perskuip daarin uit. En hij verwachtte, dat de wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij bracht wilde druiven voort. Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, spreekt toch recht tussen Mij en mijn wijngaard. Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom verwachtte Ik, dat hij goede druiven zou voortbrengen, en bracht hij wilde druiven voort? (Jes.5:1-4)

Inleiding

God had grote verwachtingen van het volk Israël, maar zoals we nu weten is Hij daarin teleurgesteld geworden, als je al op die manier over Gods gevoelens kan spreken. Even verder in de hierboven vermelde tekst zegt Hij: “Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom verwachtte Ik, dat hij goede druiven zou voortbrengen, en bracht hij wilde druiven voort?” (Jes.5:1vv.) God had alles voor het volk gedaan wat Hij kon, maar zijn verwachtingen werden niet beantwoord. Maar het is niet alleen Israël waarin God teleurgesteld is geweest, maar ook in de mens in zijn totaliteit! Heeft de mens, in Adam en Eva, ook Hem niet teleurgesteld? Hij had toch een prachtige schepping aan de mens toevertrouwd, “en zie het was zeer goed.”(Gen.1:31) Maar als gauw liep het verkeerd, de mens werd aan God ongehoorzaam en viel in de zonde. Ondanks Gods teleurstelling in de mens en het volk Israël, belette het Hem niet om te handelen en het goede voor de mensheid en het volk te zoeken! Nadat alle pogingen op niets waren uitgelopen deed Hij een laatste poging: Hij zond zijn Zoon!

De laatste kans

“Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon.” (Heb.1:1)

Na de gelijkenis van de twee zonen in de verzen 28-32, vertelde de Heer Jezus nog een gelijkenis en het blijkt dat zij begrepen hebben wat Hij met deze gelijkenis probeerde duidelijk te maken. Toen de Heer sprak over de wijngaard, de omheining, de persbak, de toren, de landlieden en van de vrucht die van de wijngaard verwacht werd, moeten zij begrepen hebben dat het over Israël ging, aan wie het Koninkrijk was aangeboden. Wanneer de gelijkenis spreekt van ‘een heer des huizes’ mogen we denken aan God. De wijngaard is een oudtestamentisch beeld voor Israël. De Koning, de Heer Jezus, had ongetwijfeld de profetie van Jesaja voor de aandacht, toen Hij deze gelijkenis uitsprak (Jes.5:1-7, Jer.2:21, Ps.80:9). De ‘omheining’ doet ons denken aan de Wet waardoor het volk afgezonderd was van de andere volken. Een ‘persbak’ doet denken aan de vruchten (druiven) die geperst moesten worden. De ‘toren’ spreekt van een getuigenis naar de andere volken. Ondanks alle zorg die God eraan had besteed, had de wijngaard helaas geen vrucht voortgebracht. “Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen.” (Mat.23:13) De naar de wijngaard gezonden dienstknechten zijn Gods profeten, die door hen verworpen en kwalijk behandeld werden (Mat.23:34v.).

De Zoon verworpen

“Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.” (Mat.21:37)

Dan haalt de Heer een uitspraak aan uit Psalm 118. Jezus zei tot hen: “Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van de Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen?” (Vs.42). De verworpen steen is de Messias en door Zijn verwerping werd Hij de hoeksteen van iets totaal nieuws; de Gemeente (Hand.4:11; Ef.2:20; 1Petr.2:7). Let wel, de geestelijke leiders van het volk zijn die bouwlieden! De boodschap is duidelijk: “Daarom zeg Ik u, dat het koninkrijk van God van u zal worden weggenomen en aan een volk zal gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.” (Vs. 43). Zij hadden niet alleen het Koninkrijk maar ook de Koning verworpen; de Zoon zou spoedig uitgeworpen worden en daarom werd het Koninkrijk van hen weggenomen. De mensen, die daar stonden, het geslacht dat zich verenigde in en deel uitmaakte van de verwerping van het Koninkrijk en de Koning, zou het Koninkrijk niet zien. “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeen verzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeen verzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten. Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heer”. (Mat.23:37-39)

Excurs: De transitie

“Daarom zeg Ik u, dat het koninkrijk van God van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt.” (Mat.21:43)

De vraag die zich stelt is: Wie is het volk aan wie het koninkrijk van God gegeven zal worden, en dat de vruchten ervan opbrengt? De meningen daarover zijn tweeërlei. De een denkt aan de Gemeente, de ander aan het gelovige overblijfsel van Israël dat er in de toekomst weer zal zijn. Maar de Gemeente wordt het lichaam van Christus, de bruid van Christus, de woonplaats van God in de Geest, de vrouw van het Lam, genoemd, maar niet volk. Het volk is nog altijd Israël, maar hier wordt het gelovig overblijfsel bedoeld, dat op aarde zal leven als de Heer komt.

De voorstanders die geloven dat het toekomstig volk duidt op de Gemeente zeggen dan weer dat het bedoelde volk dat de vruchten zou opbrengen, de Gemeente is. Men geeft de voorkeur aan de Gemeente, mede gelet op de volgende tekst van Paulus: “Zijn zij gestruikeld, opdat zij zouden vallen? Volstrekt niet! Maar door hun overtreding is de behoudenis tot de volken gekomen.” (Rom.11:11) De Gemeente is gevormd uit gelovigen uit de volken en Joden.

Terugkeer en Herstel

“U zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heer”. (Mat.23:39)

Hoe het ook zij, de Gemeente of het volk Israël in de toekomst, de belofte van herstel voor het volk Israël is duidelijk. Zo zegt Paulus: “Dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan; en zó zal heel Israël behouden worden.” (Rom.11:25) En op de apostelvergadering in Jeruzalem spreekt Jacobus de broeders toe, met de woorden: “Mannenbroeders, hoort naar mij. Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit de volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam. En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat: ‘Daarna zal Ik terugkeren en de tent van David weer opbouwen die vervallen is; en wat daarvan is omvergehaald, zal Ik weer opbouwen en Ik zal haar weer oprichten, opdat de overigen van de mensen de Heer zoeken, en alle volken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zegt de Heer Die deze dingen doet’, die van eeuwigheid af bekend zijn.” (Hand.15:13-18)

Tenslotte

‘En toen de overpriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat Hij van hen sprak. En terwijl zij Hem trachten te grijpen, waren zij bang voor de menigten, daar die Hem voor een profeet hielden’ (vs.45-46). Hiermee eindigt dit merkwaardig hoofdstuk. De geestelijke leiders kenden Hem en wisten wat Hij bedoelde. Zij trachten Hem gevangen te nemen, zó groot was hun haat, maar ze vreesden de mensen, niet God. Het volk hield de Heer Jezus voor een profeet, maar de geestelijke leiders verwierpen Hem. Als zij geweten zouden hebben Wie Hij was, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben (1Kor.2:8), maar zij getuigden later: “Wij hebben geen koning dan de keizer.” (Joh.19:16)
______________________________________________________________________________