Bijbel – Oude Testament – Genesis 3 – Gevaren in het Paradijs

12 januari, 2024

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Genesis

Bijbel – Oude Testament

Genesis 3

‘Gevaren in het paradijs’

Voorwoord

Als Genesis 3 niet in de bijbel had gestaan, dan zouden we, bij wijze van spreken, een andere ‘bijbel’ hebben gehad dan dat we nu bezitten. De reden daarvoor is omdat de rest van de bijbelgegevens berust op de jammerlijke gevolgen van Adams zonde, en verklaren wat God in genade heeft gedaan om ons te redden. Als we een aantal basiswaarheden bij elkaar rapen, zoals: de zonde, opstanding, dood enzovoorts, kun je gemakkelijk inzien waarom dat zo is. De vermelding in Genesis 3 is geen mythe. Als de val van de mens niet werkelijk zou gebeurd zijn, dan is het christelijk geloof gebouwd op fabels, en niet op feiten, en stierf Jezus Christus voor niets op het kruis. En dat is niet alleen maar van toepassing op de zondeval, maar ook op de opstanding van Jezus Christus. Dat blijkt uit de conclusies die de apostel Paulus trekt en vermeld zijn in de eerste brief aan de Korintiërs (1Kor.15:1-19). Van Genesis 3 tot Openbaring 22, vermeld de bijbel het conflict tussen God en satan, zonde en gerechtigheid, en smeekt Hij de zondaars zich te bekeren en te geloven in de Heer Jezus omdat ze zonder Hem verloren blijven

Inleiding

Zoals gezegd is het Bijbelboek Genesis het boek van waaruit alles begint. Er worden tien ‘geschiedenissen’ of ‘geslachten’ vermeld in het boek: de hemel en aarde (2:4); Adam (5:1); Noach (6:9); Sem (11:10); Terach (11:27); Ismaël (25:12); Isaak (25:19); Esau (36:1) en Jakob (37:2). Als basis voor de rest van de Bijbel, vermeld Genesis het begin van het universum, geschiedenis van de mens, cultuur, zonde, redding, offer, huwelijk en het gezin. Zoals je verder kunt opmaken handelt het eerste gedeelte (hoofdstuk 1-11) over de algemene geschiedenis van de mensheid en de zonde, terwijl het tweede gedeelte in het bijzonder over het ontstaan van het volk Israël gaat. Dat geeft aan dat het de bedoeling van het boek is om het begin van de mensheid en de zonde te verklaren en, heel belangrijk, het ontstaan van het volk Israël en Gods heilplan met betrekking tot de gevallen mens.

De vijand

God is niet de auteur van de zonde, en ook verzoekt Hij niemand; zulke zaken zijn het werk van de duivel (Jak.1:13). Satan was een buitengewone engel, één van Gods werken, maar hij zondigde en werd geoordeeld door God (vgl. Jes.14:12-17; Ez.28:11-19). Satan kwam in de vermomming van een slang tot Eva. In zijn ontmoeting met mensen verschijnt hij in diverse gestalten. In Genesis 3 is dat een slang, en in hoofdstuk 4 is hij de vader van de leugen. In het Nieuwe Testament verschijnt satan o.a. als een engel van het licht (2Kor.11:15) en een brullende leeuw (1Petr.5:8). In de Openbaring wordt over de satan gesproken als de draak, de oude slang en de duivel (Op.20:2).

De strategie leidt tot tragedie

Een verzoeking is een gelegenheid om iets goeds in een slechte toestand te brengen. Het is goed je rekeningen te betalen, maar slecht om het benodigde geld ervoor te stelen. Het eerste wat Satan deed was het Woord van God in vraag stellen: ‘God heeft zeker wel gezegd…’ (Gen.3:3). Daarna probeerde hij Eva’s gedachten te beïnvloeden (2Kor.11:3) en vervolgens ontkent satan het gezag van Gods woord door te beweren: ‘Gij zult geenszins sterven’ Gen.3:4). ‘Geef de duivel geen voet’ schrijft Paulus aan de Efeziërs (Ef.4:27), dat is wat Eva echter wel deed. Eva voegde toe aan het Woord van God door te zeggen ‘noch die aanraken’. Ze veranderde het Woord ‘dan zult gij voorzeker sterven’ (3:17) in ‘anders zult gij sterven’ (4:3). ‘En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at’ (Gen.3:6). Met die gang van zaken sluit de apostel Johannes zich aan en schrijft: ‘Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld’ (1Joh.2:16). De gezegde: ‘Eén daad van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit’ werd bewaarheid in het leven van Adam en Eva en kwam zo tot alle mensen die na het zouden komen. We noemen dit de erfzonde; een woord dat wel niet in de Bijbel zo vermeld vinden, maar we weten allemaal wat ermee bedoeld wordt.

De gevolgen

De gevolgen waren dat Adam en Eva kennis kregen van goed en kwaad, maar niet in staat waren om het goede in de praktijk te brengen. We zien daarvan onmiddellijk een voorbeeld in hoofdstuk 4 waar Kaïn zijn broeder Abel doodsloeg. De vrouw werd verleid, Adam niet, maar hij zondigde willens en wetens (1Tim.2:14). Onmiddellijk was er geen sprake meer van onschuld, wel van een schuldbesef. Ze verloren hun gemeenschap met God, ze waren bevreesd voor Hem vanwege hun naaktheid en verborgen zich voor Hem (1Joh.4:18). Ze beschuldigde elkaar voor hun falen, Adam zei: ‘De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt’ en Eva: ‘De slang heeft mij verleid’ (3:13). ‘Wie heeft u te kennen gegeven dat, dat gij naakt zijt?’ (3:9). De bewustwording dat zij naakt voor God stonden kwam door hun geweten. ‘Zij tonen dat het werk van de wet in hun harten geschreven staat, terwijl hun geweten mee getuigd’ (Rom.2:15). (Zie het artikel ‘Het Geweten’ in de rubriek Dogmatiek). De tekst: ‘Er is niemand die zoekt’ (Rom.3:11) blijkt een eeuwenoude waarheid te zijn, God roept de mens, die daardoor gelegenheid krijgt te antwoorden.

De straf

God vervloekt de slang, niet Adam en Eva. Tot Eva en daarna tot Adam (de mens) zei God: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen (1Tim.2:15). En tot de (man) mens: En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’ (Gen.3:16-19). Ook de schepping maakte deel uit van de gevolgen van de zondeval, want: ‘De hele schepping zucht en is in barensnood en wacht in de hoop en verwachting van de vrijmaking van de slavernij van de vergankelijkheid’ (Rom.8:21).

Het goede nieuws is dat het zaad van de vrouw (Christus) uiteindelijk satan en zijn zaad zal verslagen (Gal.4:4-5). Vanaf dat moment is er verdeeldheid: Satan en zijn zaad staat tegenover God en zijn familie. God zelf schepte de vijandschap tussen hen beiden, en de strijd duurt zolang totdat God de satan in de hel werpt (Op.20:10). In de gelijkenis van de dolik en de tarwe (Mat.13:24-30; 36-43) zien we dat er sprake is van kinderen van de satan, zoals ook God kinderen heeft. In Genesis 4 doodt Kaïn Abel, en in 1 Johannes 3:12 lezen we dat Kaïn een boze was, een kind van de duivel. Het Oude Testament vermeld het conflict tussen deze twee ‘zaden’. Het Nieuwe Testament vermeld de komst van Christus en zijn overwinning over de satan door het kruis.

Een nieuw begin

Hoewel Adam een zeer beperkt idee had van Gods reddingsplan voor de mens (3:15) geloofde hij het, omdat hij zijn vrouw Eva noemde, ‘moeder van alle levenden’ (3:20). Adam en Eva stierven niet onmiddellijk nadat ze gezondigd hadden, tenslotte is Adam 930 jaar oud geworden (Gen.5:5) Het sterven was niet alleen gericht op het fysieke maar ook op het geestelijke aspect van de mens. De mens zonder God en wedergeboorte is dood in overtredingen en zonden (Ef.2:1; Kol.2:13). Vandaar dat een mens wedergeboren moet worden (Joh.1:12-13; 3:3, 5). God veranderde de fysieke consequenties van de zonde niet, maar voor het geestelijke had Hij een oplossing. God beloofde een Verlosser uit het zaad van de vrouw. ‘En de Here God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede’ (3:21). We mogen concluderen dat de kleren vellen van een dier zijn geweest, wat wil zeggen dat er een dier als offer is geslacht geworden. Adam en Eva hadden geprobeerd zich te bedekken met schorten van vijgenbladeren (3:7), maar dat werd niet door God geaccepteerd. Niet door werken, maar door genade worden we behouden. Kleren zijn in de Bijbel vaker een beeld van redding (Zie Jes.61:10, Zach.3). De verloren zoon kreeg nieuwe kleren toe hij weer thuiskwam (Luk.15:22). De profeet Jesaja zegt: ‘Wij zijn allen geworden als een onreine, al onze gerechtigheden als een bezoedeld kleed; wij vielen allen af als het loof en onze ongerechtigheden voerden ons weg als de wind’ (Jes.64:6).

De volgende verzen 22-24 laten ons zien dat God de man en vrouw uit de hof van Eden verdreef. Dat mogen we zien als een bewijs van zijn goedheid en genade. Als ze in de hof hadden mogen blijven, en zouden moeten eten van de boom van het leven, zouden ze voor altijd in een zondige staat zouden blijven leven. Daarom verdreef hij de mens ‘en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken’ (3:24). Romeinen 5 en 1 Korinthe 15:42-49 verklaren het contrast tussen de ‘eerste Adam en de ‘laatste Adam, Christus. Adam was uit de aarde, Christus kwam van de hemel. Adam werd op de proef gesteld in een perfecte tuin, Christus werd verzocht in een wildernis. Adam was ongehoorzaam en bracht daardoor het menselijke ras in zonde en dood; Christus was gehoorzaam tot de dood aan het kruis en bracht daardoor een eeuwige verlossing tot stand. In de brief aan de Romeinen vinden ‘veel meer’ statements (9, 15, 17,20) die duidelijken maken dat Christus ons niet slechts terug bracht naar het begin van de menselijke geschiedenis. Nee, door Christus zijn wij gemaakt tot priesters en koningen en zullen met Hem heersen. Wat een genade!

____________________________________________________________________________________________________