Dagelijks Brood – Nummer 5 – Mattheüs 9:38 – ‘Schapen zonder herder’

14 januari, 2024

Rubrieken: Dagelijks Brood

Bijbelboeken: Mattheüs

Dagelijks Brood

Nummer 5 – Mattheüs 9:36

‘Schapen zonder Herder’

‘Dagelijks Brood’ bestaat uit een reeks korte artikelen uit het Oude en Nieuwe Testament die het karakter hebben

van een geestelijke boodschap voor het dagelijks geloofsleven ter bemoediging, vertroosting of lering.

‘Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben’

Inleiding

‘Het oog wordt niet verzadigd van zien’ concludeerde Salomo, de auteur van het boek Prediker (Pred.1:8). Er is altijd wel iets wat onze interesse opwekt. Maakt u een wandeling in de natuur dan kijkt u naar de vogels, planten, bloemen of mooie vergezichten. Een stadswandeling nodigt dan weer uit om de etalages van de winkels te bekijken en de producten die in de winkels liggen uitgestald. Zo is er altijd wel iets te zien. Maar wat ziet u als u mensen ziet? Misschien dat iemand met opvallende kleding, of een mooi uiterlijk uw aandacht trekt, maar de Heer Jezus zag de mensen om zich heen als ‘schapen die geen herder hebben’! En Hij zag ze niet alleen, maar Hij was ook over hen met ontferming bewogen.

Bewogen

Drie keer vermeld Mattheüs ons in ‘zijn’ Evangelie dat de Heer Jezus bewogen was met de menigte (Mat.9:36; 14:14: 15:32), maar zijn hart ging ook uit naar de enkeling, zoals een melaatse (Mark.1:41), een bezetene (Mark.5:19), een jongen die bezeten was (Mark.9:22), twee blinden (Mat.20:34) en een weduwe (Luk.7:13). Het woord compassie komt van twee Latijnse woorden die samen ‘lijden met een ander, pijn verdragen met een ander’ betekent. Het Griekse woord drukt zich nog sterker uit omdat het verwijst naar de innerlijke ingewanden van het menselijk lichaam die enorm worden bewogen. Iemand met mededogen wordt tot in het diepste van zijn ziel geroerd en voelt de pijn die anderen lijden. We vergelijken het met Jesaja 63:9 waar staat: ‘In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd’. De Heer Jezus zag de menigte als hulpeloze, rondzwervende schapen die door hun herders slecht werden behandeld. Hij zag de mensenmassa ook als graanvelden, klaar voor de oogst. De schapen zouden, vanwege het gebrek aan mensen met mededogen, gaan ronddolen en worden gedood door roofdieren, en ook de oogst zou verloren gaan. Ontroert dat feit ons?

Gebed

Het advies dat de Heer Jezus aan zijn discipelen gaf was ‘dat ze de Heer moesten smeken dat Hij arbeiders in zijn oogst zou uitsturen’ (Mat.9:38). In de daaropvolgende verzen zien we de roeping en uitzending van de twaalf discipelen, die ook apostelen werden genoemd. Bidden voor arbeiders mag ook een gebedsonderwerp voor ons zijn. Er is een grote nood aan gelovigen die zich beschikbaar willen stellen voor een dienst in Gods koninkrijk. Mocht u twijfelen aan de effectiviteit van uw gebed, laat dan de volgende teksten eens op uw inwerken: ’Hem nu, die in staat is zeer overvloedig te doen boven alles wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt’ (Ef.3:20). Het krachtig gebed van een rechtvaardige vermag veel’ (Jak.5:16). Zou God, een gebed naar zijn wil niet beantwoorden? De Heer Jezus bidt, als onze Hogepriester voor ons, en is met ons begaan. ‘Want wij hebben niet een hogepriester, die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar Een die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van de zonde’ (Heb.4:15).

Toewijding

Bewogenheid en gebed zouden tot toewijding moeten leiden. Wanneer we bidden tot God om arbeiders, dan moeten we wel bedenken dat de verhoring vaak begint bij de bidder! We kunnen er zeker van zijn dat Mozes gebeden heeft om de bevrijding van het volk Israël uit de slavernij in Egypte, en God riep Mozes als de bevrijder. Nehemia bad voor de terugkeer van het volk Israël uit de Babylonische ballingschap en het herstel van Jeruzalem. ‘Zodra ik deze woorden hoorde, zette ik mij neder, weende en bedreef rouw, dagenlang. Ook vastte en bad ik voor het aangezicht van de God des hemels’ (Neh.1:4). En God zond hemzelf als gouverneur om de muren van Jeruzalem te herstellen. En ik zeide tot de koning: Indien het de koning goeddunkt, laat men mij brieven geven voor de landvoogden van het gebied over de Rivier, dat zij mij laten doortrekken, totdat ik in Juda kom; En de koning gaf ze mij, daar de goede hand van mijn God over mij was’ (Neh.2:7-8). Het was in een gebedsdienst dat God Paulus en Silas riep om het evangelie naar de volken te brengen (Hand.13:1-3). Deze voorbeelden leren ons dat als we bidden voor een taak, we eerst onszelf beschikbaar moeten stellen. Wanneer we niet bereid zijn om zelf God te dienen, met welk recht vragen we dan dat een ander dat zou doen?

Tenslotte

‘Daarop hoorde ik, (Jesaja) de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij’. Toen Mozes door de Here geroepen werd tot de dienst, stribbelde hij nogal tegen. Hij had allerlei argumenten achter de hand om niet te gaan, en tot slot zei hij: ‘Och Here, zend toch iemand anders’ (Ex.4:13). Heel anders was het bij Jesaja, die stelde zich onmiddellijk beschikbaar, en zei: ‘Hier ben ik, zend mij!’. Jesaja was daarin een type van de Heer Jezus, die bij zijn komen in de wereld zei: ‘Zie, Ik kom om uw wil te doen’ (Heb.10:9). En hoe staat het met onze bereidheid wanneer de vraag tot ons komt: ‘wie zal Ik zenden?’

___________________________________________________________________________________________________