Christendom – Het gezin van Jozef en Maria – Jakobus, de halfbroer van Jezus

31 mei, 2024

Rubrieken: Christendom

Bijbelboeken: Jakobus

Christendom

Het gezin van Jozef en Maria

Jakobus, de halfbroer van Jezus

Voorwoord

Het is algemeen bekend en het wordt door de Bijbel ondersteund dat Jozef en Maria meerdere kinderen hebben gekregen dan alleen de Heer Jezus, die zoals bekend niet door Jozef is verwekt maar door de Heilige Geest. Hij had meerdere broers en zusters, of zoals u wilt halfbroers en halfzusters, nogmaals omdat de Heer Jezus geen aardse vader had! Rooms Katholieke theologen denken daar anders over, maar de meeste Bijbeluitleggers gaan ervan uit dat in die gedeelten van de Bijbel waar gesproken wordt over broers en zusters van de Heer Jezus het om lijfelijke broers en zussen gaat. In dit artikel willen we de aandacht vestigen op een halfbroer van de Heer Jezus, Jakobus, de auteur van het gelijknamige Bijbelboek.

Inleiding

Hoe zou het zijn geweest om Jezus in het gezin te hebben? Zouden Maria en Jozef zich hebben afgevraagd wat hun ouderlijke verantwoordelijkheden waren? Zouden zijn jongere broers en zussen jaloers, boos of vol ontzag zijn geweest? Zouden deze kinderen iets bijzonders hebben gezien aan hun oudste broer? Omdat er zo weinig informatie in de Bijbel staat over de vroege jaren van Jezus, kunnen we alleen maar speculeren over hoe het zou zijn geweest om Jezus als zoon of als oudere broer te hebben. We weten ook heel weinig over de relatie tussen Jakobus en Jezus. We weten echter wel dat de inwoners van Nazareth, die Jezus als jongen en jonge man hebben gezien, zijn volwassen claim om de Messias te zijn, verwierpen en verbaasd waren over zijn wijsheid en wonderbaarlijke krachten (Mat.13:53-58). Omdat de Heer Jezus zonder zonde geboren was, uit of door de Heilige Geest (Heb.4:15; Joh.14:30; 2Kor.5:21; 1Joh.3:5), zal Hij ook geen zonden gedaan hebben, ook niet als kind, hoewel dat door sommigen bestreden wordt. Ze wijzen dan naar de twaalfjarige Jezus, die toen Hij met zijn ouders opging naar de tempel in Jeruzalem ter gelegenheid van het Pascha, elkaar kwijtraakten (Luk.2:41-52). Men stelt dan dat Jezus ongehoorzaam geweest was aan zijn ouders door niet bij hen te blijven. Maar men kan even goed stellen dat Jozef en Maria niet goed hadden opgelet omdat ze dachten dat Hij met een reisgezelschap was meegegaan. Dus dat is geen bewijs dat de jonge Jezus gezondigd zou hebben.

Klaarblijkelijk had Jezus zich in Nazareth als kind op de achtergrond gehouden. De sceptische buren namen Jakobus op in hun beschrijving van Jezus’ familie: ‘Is Deze niet de Zoon van de timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus en Josef, Simon en Judas? En zijn zijn zusters, niet allemaal bij ons? Waar heeft Deze dan dit alles vandaan?’ (Mat.13:55-56; zie: Mat.1:25; 12:46-50; Joh.7:3 en Hand.1:14)

Jezus tijdens zijn bediening

Op een bepaald moment in Jezus’ bediening probeerde zijn ‘familie’ hem tegen te houden en ‘hem in bedwang te houden’ (Mark.3:21; Joh.10:20); vermoedelijk was Jakobus een van de familieleden die beweerden dat Jezus ‘buiten Zichzelf’ was. Zeker, Maria en Jozef wisten wie Jezus was. Zij hadden tenslotte de engelen zijn wonderbaarlijke ontvangenis horen voorspellen (Mat.1:18-25; Luk.1:38-56), en waren uiteraard bij de gebeurtenissen rondom die geboorte aanwezig geweest, zoals het bezoek van de wijzen uit het oosten (Luk.2:1-7: Mat.2:11). Sterker nog: ‘Maria echter bewaarde al deze dingen en overwoog ze in haar hart.’ (Luk.2:19) Zijn ouders hadden ook de jonge Jezus zien opgroeien en volwassen worden, met een diepgaande wijsheid die zijn jaren te boven ging (Luk.2:40; 49-52). Maria en Jozef zouden Jezus’ ware identiteit zeker aan de rest van de familie hebben uitgelegd. Maar Jakobus en de anderen (waaronder Judas, de auteur van het boek Judas) waren blijkbaar niet overtuigd. Johannes legt uit: ‘Want ook zijn broers geloofden niet in Hem’ (Joh.7:5). Toch werd Jakobus, slechts een paar jaar na dat incident, de leider van de kerk in Jeruzalem (Hand.12:17). We weten niet hoe Jakobus die belangrijke positie bereikte (Clemens van Alexandrië schreef dat hij door Petrus en Johannes voor het ambt werd gekozen), maar hij was duidelijk de leider. Toen de controverse over de niet-Joodse gelovigen de kerk dreigde te verdelen, ontmoetten Barnabas en Paulus de oudsten en apostelen in Jeruzalem en onderwierpen zich aan hun gezag met Jakobus als moderator, woordvoerder en verkondiger van de uiteindelijke beslissing (Hand.15:1-21).

Het verdere getuigenis over Jakobus

Later, vlak voor de arrestatie van Paulus, bracht Paulus de gelden mee, die hij op zijn derde zendingsreis voor de kerk in Jeruzalem had ingezameld en overhandigde ze aan Jakobus en de rest van de oudsten en ‘rapporteerde nauwkeurig wat God door zijn bediening onder de heidenen had gedaan.’ (Hand.21:19) Dat deze Jakobus de Jakobus is die eerder werd genoemd als de broer van Jezus, werd door Paulus bevestigd in Galaten 1:18-19: ‘Daarna, na drie jaren, ging ik op naar Jeruzalem om met Kefas  kennis te maken en ik bleef vijftien dagen bij hem; ik zag echter niemand anders van de apostelen dan Jakobus, de broer van de Heer.’ Later voegt Paulus eraan toe: ‘En toen zij de genade die mij gegeven is, erkenden, gaven Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wíj naar de volken en zíj naar de besnedenen gingen.’ (Gal.2:9) En hij zei dat ‘bepaalde mensen van Jakobus kwamen.’ (Gal.2:12)

Jakobus’ bekering

Wat veranderde Jakobus van een sceptische jongere broer in een toegewijde volgeling van Jezus en een uitgesproken leider van de kerk? Hij zag zijn broer levend – hij zag een verrezen Christus! Paulus schrijft aan de Korinthiërs en vermeld dat Jakobus, naast vele anderen, ooggetuige van de opstanding van Christus was geweest (1Kor.15:7). Jezus verscheen persoonlijk aan zijn broer Jakobus. Stel je die reünie eens voor! Dan, na de hemelvaart, vinden we Jakobus met de apostelen, Maria en anderen, voortdurend in gebed (Hand.1:12-14) en wachtend op de Heilige Geest, zoals Jezus hen had opgedragen te doen (Hand.1:4-5). Dit is de Jakobus die zichzelf omschrijft als ‘een dienaar van God en van de Heer Jezus Christus’ (Jak.1:1) en als een gelovige van ‘onze Heer Jezus Christus, de Heer der heerlijkheid.’ (Jak.2:1) Hij is een man wiens leven door Christus werd veranderd: een broer die een dienaar werd; een tegenstander werd een verdediger; een passieve waarnemer werd een gepassioneerde volger. De apostel Paulus betuigt, dat hij Jakobus, de broer van de Heer, gezien heeft (Gal.1:19). Deze toevoeging dient natuurlijk om deze Jakobus te onderscheiden van Jakobus de zoon van Alfeüs (Mat.10:3). En toen deze nog leefde ook van Jakobus de zoon van Zebedeüs en broer van Johannes. Deze was toen Paulus de brief aan de Galaten schreef echter al op last van Herodes ter dood gebracht (Hand.12:2).

Het getuigenis van Eusebius van Caesarea

De Bijbel laat ons in het ongewisse omtrent de latere lotgevallen van de broers en zussen van de Heer Jezus. Van Jozef, de echtgenote van Maria, wordt aangenomen dat hij al zou zijn gestorven toen de Heer Jezus nog leefde omdat Jezus door Markus ‘de timmerman’ wordt genoemd in plaats van Jozef. ‘Is deze niet de timmerman, de Zoon van Maria en de broer van Jakobus, Josef, Judas en Simon? En zijn zijn zusters niet hier bij ons?’ (Mark.6:3). Na Hand.1:14 horen we in de Bijbel niets meer over Maria. Er zijn overleveringen dat Maria ooit in Efeze gewoond heeft; de Bijbel zegt er niets over. Volgens de overlevering heeft Maria, na uit Jeruzalem vertrokken te zijn, haar laatste jaren in Efeze doorgebracht, samen met de apostel Johannes, die een tijdlang op het eiland Patmos is geweest waar het boek de Openbaring naar verwijst. Eusebius bevestigd dat in zijn Kerkgeschiedenis dat zij met de apostel Johannes in Efeze vertoefde en aldaar ook begraven ligt (Boek 3.19). Wie vandaag de dag Efeze bezoekt kan een huisje bezoeken dat aan Maria gewijd is.

De apostelen en de volgelingen van de Heer kwamen bij elkaar samen met de mensen die ‘naar het vlees’ aan onze Heer verwant waren. De meesten van hen leefden immers nog. Als opvolger van Jakobus werd Simeon, de zoon van Clopas, de opziener van de gemeente te Jeruzalem. Jakobus’ marteldood vond plaats in AD 62 en Flavius Josephus beschrijft die als volgt: ‘Ananus, een van hen, van welke wij nu spreken, was een stout en onversaagd mens en van de aanhang der Sadduceën, die, gelijk wij gezegd hebben, de strengsten onder de Joden zijn en in het gericht het hardnekkigst bij hun gevoelen blijven staan. Hij nam de tijd waar toen Festus gestorven en Albinus nog niet aangekomen was, deed de raad samenkomen en ontbood er Jakobus, broeder van die Jezus welke Christus genoemd werd, benevens enige anderen. En hen beschuldigd hebbende dat zij de wet overtreden hadden, deed hij hen veroordelen om gestenigd te worden. Dit bedrijf mishaagde al de inwoners van Jeruzalem, die enigszins godsdienstig waren en de onderhouding der wetten behartigden; daarom lieten zij Koning Agrippa heimelijk verzoeken, dat hij Ananus bevelen wilde zoiets niet meer te doen, dewijl hetgene hij had gedaan een onverschoonbare zaak was.’ In 2002 werd een ossuarium ontdekt met het opschrift Jakobus, zoon van Jozef, de broer van Jezus. Veel geleerden reageerden sceptisch of afwachtend. Na 8 jaar van onderzoeken en rechtszaken werd geconcludeerd dat het kistje en opschrift authentiek zijn.

Excurs: De leer van de Rooms-Katholieke kerk

De RK-kerk leert dat Maria na de geboorte van de Heer Jezus geen kinderen meer heeft gehad, en beweert dat de broers van de Heer Jezus eigenlijk zijn neven waren. Dat heeft natuurlijk te maken met het kerkelijke dogma van de blijvende maagdelijkheid van Maria; dus ook na de geboorte van de Heer Jezus is volgens de RK-kerk Maria maagd gebleven. Zij baseren dit enerzijds op de traditie (met name de zienswijze van kerkvaders uit de eerste eeuwen zoals Origenes) en anderzijds op enkele apocriefen. Men heeft gepoogd aan te tonen dat de vier broers van de Heer Jezus vier neven zijn geweest. Het Nieuwe Testament heeft echter een woord voor neef, en wel in Kol.4:10: ‘U groet Aristarchus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas, over wie u bevelen ontvangen hebt (als hij bij u komt, ontvang hem)’. Daarom zou je mogen verwachten dat in de Evangeliën dan ook het Grieks woord voor neven gestaan zou hebben. Wanneer we in Mat.12:46 lezen: ‘Zijn moeder en zijn broers stonden buiten en trachten Hem te spreken’ dan kunnen we ons moeilijk voorstellen dat ‘moeder’ wel in de directe zin bedoeld zou zijn en dus op Maria zou slaan, maar dat ‘broeders’ dan ineens op neven zou slaan. En zijn de ‘zusters dan zo maar nichten? In het Oude Testament lezen we in Psalm 69, die we profetisch op de Heer Jezus mogen toepassen, het volgende: ‘Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen (!) van mijn moeder’.

Zoals hierboven aangehaald wordt in Mattheüs 13:53-56 op de familieband met Jozef zijn vader en met Maria zijn moeder gewezen en vervolgens op die met zijn broers en zusters. Dat moeten dan wel in volle zin broers en zusters geweest zijn, anders zou het argument van de omstanders weinig betekenis hebben. Dat de Messias maar niet in de verte familieleden had, maar dat ze zijn vader en moeder en zijn broers en zusters kenden, dat maakte het voor velen zo moeilijk in Jezus te geloven.

Zie over de verdere lotgevalleen van verwanten van de Heer Jezus ook het artikel: De verwanten van Jezus’ in de rubriek: Christendom.

_______________________________________________________________________________