Nieuwe Testament – Cornelius de hoofdman – Handelingen 10

7 augustus, 2023

             Nieuw Testament – Handelingen

                        Cornelius, de hoofdman uit Ceasaréa

                                             Handelingen 10

Inleiding

Dit is één van de belangrijkste hoofdstukken van het boek Handelingen, of misschien wel hét belangrijkste! Aan Petrus waren de sleutels van het koninkrijk der hemelen gegeven om de deuren voor de Joden, Samaritanen en de heidenen te openen (Mat.16:19). Twee waren al geopend, voor de Joden in Handelingen 2 en voor de Samaritanen in Handelingen 8 en nu staat Petrus op het punt voor de laatste keer een ‘deur’ te openen, dat voor de heidenen. Het gebeurde ongeveer tien jaar na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag te Jeruzalem. Om de betekenis van deze gebeurtenis goed te begrijpen is het verhelderend om ook Petrus’ verslag, en zijn conclusie van die gebeurtenis te lezen in Handelingen 11:1-18.

In Handelingen 8 zien we dat, wanneer God iets tot stand wil brengen en daarvoor iemand roept, dan vervult Hij die persoon met zijn Geest, en stelt hem in staat om het Woord van God te verkondigen. Tot op dat moment was het evangelie nog niet aan de volkeren verkondigd. Petrus was waarschijnlijk nog steeds de gedachte toegedaan en had misschien de stille hoop gekoesterd, dat er eerst nog een koninkrijk voor Israël zou worden opgericht, voordat ze met Gods boodschap naar de volken mochten gaan (Hand.3:12-26). Het plan van God betreffende de gemeente was door Paulus nog niet geopenbaard. De steniging van Stéfanus (Hand.7) stond niet op zichzelf, de leiders van het volk verwierpen daardoor het getuigenis van Gods Geest. Door hun overtreding is het mogelijk geworden dat het heil tot de volken zou komen; de Gemeente stond op het punt de plaats van volk Israël in te nemen als getuigenis van God in deze wereld. Paulus, die aanwezig was bij de steniging van Stéfanus en voorbestemd was om het evangelie naar de volkeren brengen, was al geroepen en voorbereid (Hand.26:16-18).

We moeten wel duidelijk zijn over het verdere programma voor het volk Israël. De overgang van Israël naar de Gemeente is maar tijdelijk, ook al is dan nu al bijna 2000 jaar, want de vervallen hut van David zal ooit weer worden opgericht (Hand.15:13-18). De vervangingstheologie die in de dagen van keizer Constantijn (312 n.Chr.) en daarna is opgekomen en leert dat er voor Israël geen toekomst meer is, moeten we dan ook op grond van het Bijbels getuigenis afwijzen. Dat veel Joden de Heer Jezus als hun Messias hebben aangenomen, vooral ná 1967, toen Oost-Jeruzalem weer onder Israëlisch bestuur is gekomen (Luk.21:24), mogen we dan ook zien als een hoopvol teken en kunnen daaruit afleiden dat God bezig is het volk Israël weer thuis te halen en mogen we uitzien naar de spoedige komst van Christus. Het plan van God betreffende de Gemeente, zoals we dat in het verder onderwijs van Gods Woord vinden, was door Paulus nog niet geopenbaard. De ‘deur’ naar de heidenen stond op het punt om geopend te worden door Petrus zodat Paulus die kon binnengaan. We zien dan ook dat Petrus na hoofdstuk 15 van het podium verdwijnt en dat de apostel Paulus zijn plaats inneemt. Eens begonnen in Jeruzalem eindigt het boek Handelingen in Rome (Hfdst.28).

Cornelius en Petrus – de voorbereiding (10:1-22)

Cornelius had van God niet gehoord door eventuele activiteiten van de discipelen, zelfs niet van Filippus die ook in Ceasaréa woonde (Hand.8:40), maar van de Joden zelf. Hij behoorde tot die kleine groep mensen die de Joden en hun God goedgezind waren, zoals de hoofdman van Kapernaüm van wie getuigd werd: ‘Hij heeft ons volk lief en heeft zelfs de synagoge voor ons gebouwd’ (Luk.7:4). Het was iemand die God ernstig zocht en de Schrift zegt: ‘Wie Mij ernstig zoeken zullen Mij vinden’ (Spr.8:17). Cornelius diende en vreesde God maar het belangrijkste ontbrak hem, hij wist niet hoe hij behouden kon worden (Hand.11:14). En om dat te weten te komen moest Petrus bij hem komen. Hij ervoer dat religie niet voldoende was om Gods vrede te ervaren, er moest een relatie ontstaan. ‘Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet zien noch binnengaan’ (Joh.3:3-5).

Dat Petrus naar Cornelius moest gaan had een speciale betekenis, anders had Filippus hem ook wel het evangelie kunnen verkondigen want die woonde in dezelfde plaats. Nee, Petrus moest komen en de deur openen naar de volken met de ‘sleutels’ waarover hij, en niet aan ander, de beschikking had (Mat.16:19). God werkt altijd aan beide zijden, zoals we eerder hebben gezien bij Paulus en Ananias (Hand.9). Cornelius kreeg een engel op bezoek, en Petrus raakte in geestvervoering en zag een voorwerp als een groot laken dat op de aarde werd neergelaten. Voor Petrus was dat ook nodig want: ‘Het is een Jood niet geoorloofd zich bij een vreemdeling te voegen of naar hem toe te gaan’ (10:28). Maar door dit visioen werd Petrus duidelijk gemaakt dat wat God rein verklaarde, hij niet onrein mocht houden. Het was Petrus niet onmiddellijk duidelijk, hij dacht erover na (10:19), maar toen hij bij Cornelius was aangekomen was het hem duidelijk: ‘God heeft mij getoond geen enkel mens onheilig of onrein te noemen!’ (10:28; 11:9).

De ontmoeting – de verklaring (10:23-33)

Na de zeer hartelijke begroeting, Cornelius viel aan Petrus’ voeten en huldigde hem, ging Petrus met hem naar binnen waar een groot aantal mensen bijeen waren, bloedverwanten en vrienden.

Het eerste wat Petrus deed was aan hen allen duidelijk maken waarom hij, als Jood, wel naar Cornelius toe was gekomen omdat God hem dat duidelijk had gemaakt. Petrus vroeg dan ook onmiddellijk naar de reden van de uitnodiging om bij Cornelius te komen. De mannen die Cornelius had uitgezonden hadden Petrus al wel het een en ander verteld (10:22) maar de rest moest hij van Cornelius zelf vernemen. De diepere reden van Cornelius verzoek was dat hij Petrus had uitgenodigd omdat hem gezegd was dat deze ‘woorden tot u zal spreken waardoor u behouden zal worden’ (11:14). Hij was wel godsdienstig maar was niet wedergeboren. In Handelingen 19 lezen we ook over gelovigen die de Geest niet hadden ontvangen en niet in de naam van Jezus waren gedoopt, maar door handoplegging de Geest ontvingen (19:1-7), wat kwam door gebrek aan onderwijs. Cornelius en de andere aanwezigen stonden open voor wat Petrus hen zou zeggen: ‘Wij zijn nu allen aanwezig voor God om alles te horen wat u door de Heer is bevolen’ (10:33). Cornelius en de anderen zullen wel met grote aandacht geluisterd hebben wat Petrus nu ging vertellen. Hun harten waren (voor-) bereid om het Woord te ontvangen, net zoals Joden in de synagoge te Beréa, ook zij ontvingen het woord met alle bereidwilligheid (Hand.17:11).

De verkondiging van Gods Woord (10:34-43)

‘Als iemand spreekt, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid, Amen (1Petr.4:11). Ze waren aanwezig voor God, ze hoorden het Woord van God en Petrus sprak namens God en door de Geest van God. Het geloof is uit de prediking, en de prediking door het woord van Christus (Rom.10:17). Voor God zijn alle mensen gelijk, Hij heeft uit één bloed het hele mensengeslacht gemaakt’ (Hand.17:26), maar ook: er is geen rechtvaardige niet één allen hebben gezondigd (Rom.3:10vv.; 23).

Vanaf vers 36 legt Petrus uit dat het woord van vrede in de eerste plaats voor Israël was, aansluitend geeft hij een beknopt overzicht van de gebeurtenissen, beginnende met de doop van Johannes tot en met de opstanding van de Heer Jezus, waarvan de apostelen getuigen waren geweest (Hand.1:21). Na zijn kruisiging is de Heer Jezus op de derde dag opgewekt en aan velen verschenen, Kefas, de twaalf, aan vijfhonderd broeders, aan Jakobus en alle apostelen, maar niet aan het hele volk! (Vs.41). Aan ongelovigen is de Heer Jezus niet verschenen! En, gaat Petrus verder, ‘En Hij heeft ons bevolen aan het volk te prediken en te betuigen dat Deze het is die door God is aangesteld als Rechter van levenden en doden. Van Hem getuigen de profeten dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam’ (vs.42-43). De Geest werkte door het Woord en het gevolg was dat de Heilige Geest op hen viel, op allen die het woord hoorden, evenals ook op ons in het begin’ betuigde Petrus (Hand.11:15). De Geest kwam zoals in het begin (Hand.2) en niet zoals bij de Samaritanen die de Geest ontvingen door handoplegging. De deur naar de volken was hiermee geopend; dat was duidelijk voor de aanwezige gelovigen die met Petrus waren meegereisd en ook voor de aanwezigen die in Jeruzalem aanwezig waren toen Petrus verslag uitbracht. Onmiddellijk werden ze gedoopt. Ze werden niet behouden omdat ze gedoopt werden, maar ze werden gedoopt omdat ze blijk gaven gelovig te zijn geworden en gehoorzaam wilden zijn aan het bevel van Petrus om zich te laten dopen. Dat is de normale gang van zaken: Horen, geloven, ontvangen van Gods Geest en dan gedoopt worden. Je hoeft geen jaren te wachten om gedoopt te worden, of een cursus te volgen, het is een opdracht waaraan je dient te gehoorzamen! Van Cornelius wordt na deze gebeurtenis niets meer gehoord; zijn naam wordt in het Nieuwe Testament niet meer vermeld.

Petrus’ verslag in Jeruzalem

Petrus keerde niet terug naar Joppe maar ging op naar Jeruzalem om verslag uit brengen want twee zaken moesten opgehelderd worden want men had daar gehoord dat ook de volken het woord van God hadden aangenomen, en dat Petrus was binnengegaan bij onbesneden mannen en men had gegeten (11:1-3; zie: Gal.2:12). Petrus begon in goede orde het hoe en het waarom uit te leggen. Petrus beriep zich op drie getuigen: (1) het visioen dat hij had ontvangen (vs.5-11), (2) het getuigenis van de Geest (vs.12-15), en (3) het Woord van God (vs.16-17). Petrus beëindigd zijn verslag met een vraag: ‘Als dan God dezelfde gave aan hen heeft gegeven als ook aan ons, toen wij tot geloof in de Heer Jezus kwamen, wie was ik dat ik God kon weren? Toen zij nu dit hoorden, hielden zij zich stil, en zij verheerlijkten God en zeiden: Dus ook aan de volken heeft God de bekering tot het leven gegeven’ (11:17-18). Wij moeten bedenken dat het voor een Jood niet zo eenvoudig was om te begrijpen dat het heil van God de grenzen van Israël en het Jodendom doorbrak opdat ook de volkeren het evangelie hoorden. Had de Heer Jezus niet gezegd: ‘Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls?’ (Mat.15:24). Nu wordt God akker de wereld (Mat.13:38), een nieuw tijdperk breekt aan, die van de genade! Het gebod van de Heer Jezus aan de discipelen gegeven, om het evangelie te brengen aan alle volken had met de doop van Cornelius een aanvang genomen. Daarmee was het probleem, Jood versus heiden, niet overal en voor altijd opgelost, we vinden daarvan elders in de Schrift nog de bewijzen (Hand.4:26-15:2; Rom.14:1-6). Vanaf nu zou Petrus meer op de achtergrond geraken in het boek Handelingen en Paulus zou zijn plaats innemen om het evangelie van Gods genade aan de volken brengen.

Betekenis van de bekering van Cornelius

In het evangelie naar Johannes geeft de Heer Jezus al een heenwijzing naar de tijd dat Jood en heiden tot één kudde zullen behoren onder één Herder (10:16). Dat was al een verwijzing naar de Gemeente die Hij eerder als iets toekomstigs had aangekondigd: ‘Ik zal mijn gemeente bouwen’ (Mat.16:18). Het volk Israël had haar doel gemist: ‘Maar door hun overtreding is de behoudenis tot de volken gekomen’ (Rom.11:11). Met die gedachte stemt het verdere getuigenis van het boek Handelingen en de rest van het Nieuwe Testament in (Hand.15:13-18; 28:26-28). Na ongeveer tien jaar, met de doop van Cornelius, komt de overgangsperiode van het Jodendom naar de Gemeente tot een einde. Gelovigen uit de Joden, Samaritanen en de heidenen hebben allen de Geest van God ontvangen en zijn één gemaakt in het Lichaam van Christus de Gemeente. ‘We zijn allen door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken’ (1Kor.12:13). Het verder onderwijs hierover vinden we in de Schrift, in het onderwijs van de apostel Paulus. Vanaf nu vinden we drie groepen van mensen: Joden, Grieken en de gemeente van God (1Kor.10:32).

____________________________________________________________________________________________