De Toekomst – Deel 7 – Jezus rede op de Olijfberg

22 juli, 2023

Rubrieken: De Toekomst

Eschatologie

Serie: De Toekomst – Deel 7

Jezus’ rede op de Olijfberg

Inleiding

De openingswoorden van het Mattheüs evangelie laten ons zien dat het de bedoeling van de auteur (Mattheüs) was, om de Heer Jezus voor te stellen als de Messias, de Zoon van Abraham en de Zoon van David. Hij in Wie de beloften en profetieën vervuld werden. De Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen, te midden van zijn volk, waar Hij de tekenen verricht die duidelijk moesten maken dat de Messias is gekomen en dat daarmee het koninkrijk der hemelen nabij is gekomen. Maar het anders gelopen dan gedacht! In de gelijkenis van de onrechtvaardige landlieden (Mat.21:33-46), maakte de Heer Jezus duidelijk, dat ‘de zoon van de wijngaardenier’ (Jezus) zou worden gedood. Over zijn dood had de Heer Jezus al eerder gesproken (Mat.16:21; 20:18-19). De verwachtingen van de discipelen waren anders want ze zouden toch met Jezus op twaalf tronen zitten (Mat.19:28). Ze zien dan ook door deze woorden van Jezus lijden en sterven, hun ‘dromen’ in rook opgaan. Daar komt bij dat de Heer Jezus zich uiterst kritisch had uitgelaten over de joodse leiders (Mat.23:1-36). Aan het einde van zijn aanklacht aan de leiders van het volk, spreekt Jezus de weeklacht over Israël en Jeruzalem uit, met de woorden: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt dit tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik u kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten. Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’ (Mat.23:37-39).

Na deze woorden zien we dan de Heer Jezus met zijn discipelen vertrekken naar de Olijfberg waar Hij zijn bekende rede over de toekomst van de wereld en Israël uitsprak op vraag van zijn discipelen. De vragen ze stelden waren de volgende: (1) Wanneer de vernietiging van de tempel zou plaatsvinden, (2) wat het teken van Jezus’ komst zou zijn, ze bedoelden, wanneer het koninkrijk zou komen, en (3) het einde van de eeuw, daarmee bedoelden ze: hoe het zou gaan in de tijdsperiode dat zou eindigen met Jezus’ komst. In de drie evangeliën die deze rede vermelden vinden we verdere informatie met betrekking tot de gestelde vragen. De eerste vraag vinden we beantwoord in Lukas 21:5-36. Mattheüs en Markus beantwoorden de tweede en derde vraag.

In Mattheüs 16 en 18 is er al sprake geweest van de Gemeente, maar dan als iets toekomstigs; ‘Ik zal mijn gemeente bouwen.’ De openbaring van deze verborgenheid is ons door de apostel Paulus overgeleverd (Ef.3:9; 5:32; Kol.1:26, 2:2). Het is dan ook verwonderlijk, mede gelet op het bovenstaande, dat er toch nog uitleggers zijn die in Mattheüs 24 de Gemeente zien en/of de Opname. Dat is des te verwonderlijker omdat we in deze rede lezen over typisch joodse zaken zoals: ‘het evangelie van het koninkrijk’, ‘de gruwel van de verwoesting’, ‘de heilige plaats’, ‘zij die in Judea zijn’, ‘dat uw vlucht niet op de sabbat gebeurt’, ‘alle stammen van het land’, ‘leert van de vijgenboom deze les’, die aangeven dat het hier niet over de Gemeente kan gaan. Verwijzingen naar de Gemeente vinden we dan in deze rede ook niet. Vandaar dat het eigenaardig is dat sommigen dat dan toch nog willen zien, bijvoorbeeld in vers 22 en 31, waar gesproken wordt van ‘de uitverkorenen.’ Hier speelt waarschijnlijk het standpunt dat met inneemt een rol, het midtribulationisme en/of  posttribulationisme. (zie: Rubriek: Eschatologie)

Deze ‘uitverkorenen’ dienen we eerder te zien als joden (de 144.000) die tot geloof gekomen zijn in de Grote Verdrukking en hen die door hun getuigenis tot geloof gekomen zijn. Maar we dienen dezen wel te onderscheiden van de Gemeente.

De ‘uitverkorenen’ van Mattheüs 24:30 te vereenzelvigen met de Gemeente, zoals zo dikwijls gebeurt, brengt verwarring en berust op een onjuiste uitleg. Dit gedeelte van de rede op de Olijfberg heeft niets met de Gemeente te maken. Met de ‘uitverkorenen’ in dit hoofdstuk wordt steeds bedoeld Zijn uitverkoren aardse volk’ (Gaebelein). Het mag de lezer dan ook duidelijk zijn dat wij in ‘de rede over de laatste dingen’ dan ook niet geloven dat we in de verzen 36-38 de Opname van de Gemeente vinden. Het vermelden van Noach en de zondvloed in deze rede, is geheel in overeenstemming met de inhoud van het hoofdstuk. Noach leefde aan het eind van een bedeling, werd met zijn gezin behouden door de grote vloed heen, waarna een nieuwe bedeling aanbrak. Dat we hierin een typische overeenkomst vinden met het overblijfsel van Israël, dat aan het eind van de joodse eeuw zal leven, is wel bekend. Zoals de tijd van Noach eindigde met de zondvloed, zo zal de joodse eeuw eindigen met oordelen. In de dagen van Noach kwam het oordeel plotseling over de mensen en zo zal het ook zijn bij de komst van de Zoon des mensen. Twee klassen van mensen waren er in Noach’s dagen, namelijk de ongelovige menigte, die door het oordeel werd weggevaagd, en Noach en zijn huis, (hij met de zijnen), die werden behouden en niet door het oordeel getroffen. Zo zal het opnieuw zijn bij de komst van de Zoon des mensen. De ongelovigen zullen in die dag van oordeel en wraak worden weggenomen in het oordeel, de anderen worden op de aarde achtergelaten om de zegeningen te ontvangen van de komende bedeling en het Koninkrijk in te gaan, dat dan zal worden opgericht met kracht. Bij de komst van de Heer Jezus als Bruidegom voor Zijn Gemeente, heeft ‘weggenomen’ en ‘achtergelaten’ precies een tegenovergestelde betekenis. De ware gelovigen zullen in heerlijkheid worden opgenomen, in wolken de Heer tegemoet in de lucht, de ongelovigen, de naamchristenen worden achtergelaten, overgeleverd aan het oordeel. Sommigen ontkennen dat het woord ‘weggenomen’ in onze tekst betekenen zou ‘weggenomen door het gericht’. De samenhang, de verwijzing naar Noach en de zondvloed, maakt echter duidelijk dat dit de betekenis moet zijn. Het is buiten twijfel, dat zij die door de zondvloed werden weggenomen, niet in de heerlijkheid werden opgenomen. ‘Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en niet hebben toegelaten, dat zijn huis doorgraven werd. Daarom weest ook gij gereed! Want in welke ure gij het niet meent, komt de Zoon des mensen’ (vs. 43 en 44). Met deze woorden van waarschuwing en vermaning om te waken, besluit de Heer Jezus deze rede. Het volk Israël moet wachten op de Zoon des mensen; de Gemeente heeft te wachten op haar Heer.

______________________________________________________________________________________________________________________________