Oude Testament – Een profeet gezocht – Jesaja 6

9 augustus, 2023

Bijbelboeken: Jesaja

Oud Testament – Jesaja

‘Een profeet gezocht!’

Jesaja 6

Inleiding

‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan?’ is de centrale gedachte in dit zesde hoofdstuk van het boek Jesaja. Het antwoord daarop vinden we in Jesaja’s roeping en de aanvaarding van zijn dienst voor God. Hij zag een zondig volk en de Heilige Israëls, en kon zich niet stilhouden. Maar voordat hij het ‘wee u’ over anderen uitspreekt, belijdt hij eerst zijn eigen zonden en zegt ‘Wee mij!’ (Jes.6:5).

Jesaja de evangelist

Jesaja wordt wel ‘de evangelist onder de profeten’ genoemd, omdat hij zoveel zegt over Jezus Christus. Jesaja schrijft over zijn geboorte (7:14; Mat.1:23); de bediening van Johannes de Doper (40:1-6; Mat.3); de dienst van de Heer zelf in de Geest (61:1-2; Luk. 4:17-19); zijn verwerping door het volk (6:9-13; Mat.13:10-15; Joh.12:38); de Steen des Aanstoots (8:14; 28:16; Mat.21:42; Rom.9:32-33; 1Petr.2:6); zijn dienst aan de heidenen (49:6; Luk.2:32; Hand.13:47); zijn toekomstig koninkrijk (11:1-9; Op.12:10); en zijn verzoeningsdood aan het kruis (53:1vv; Mark.10:25).

  1. Jesaja zag een volk in vervalHij keek achterom (Jesaja 5)

Mocht het mogelijk zijn om Jesaja te transporteren (beamen) naar onze tijd zou hij niet vreemd opgekeken hebben, zijn wereld vertoonde dezelfde zondige symptomen als de onze. Jesaja zag het oordeel naderen en kende ook de reden, namelijk de zonden die het volk begaan had. Vandaar het zesvoudig ‘wee’ daarover in hoofdstuk 5. Ergens anders zegt Jesaja: ‘Maar uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort’ (Jes. 59:2). ‘Daarom is de toorn des Heren tegen zijn volk ontbrand en heeft Hij zijn hand daartegen uitgestrekt en slaat Hij het’ (Jes.5:25). Wanneer de heiligheid van God in het gedrang komt door zonden die door het volk of door ons gedaan zijn, moet God wel ingrijpen. Dit ingrijpen is een daad van Gods liefde: ‘Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg.3:33). ‘Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zíj hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Híj doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid’ (Heb.12:4-11).

Een gezicht: Jesaja zag GodHij keek naar boven (Jesaja 6:1-4)

Dit gezicht is dat van de heerlijkheid van Christus (Joh.12:41). Hij zag Christus in Zijn verhoging, zijn heiligheid en zijn heerlijkheid (Joh.17:5; 13:3; Heb.1:1-3; Heb.7:26; 1Petr.3:2; Luk.1:9-10; Op.5:5-14; 8:3). Men vermoedt dat Jesaja in de tempel was toen deze geweldige gebeurtenis plaatsvond, maar daar zijn we niet zeker van. De tempel waarnaar verwezen wordt in vers 1 is eerder de hemelse tempel dan Salomo’s tempel. Koning Uzzia stierf in 740 B.C. en was één van Juda’s grootste leiders geweest, zelfs toen hij in zijn latere jaren afweek en bestraft werd door God wegens ongehoorzaamheid (2Kron.26:16-21). Een groot koning had zijn troon op aarde verlaten, maar de Grootste Koning zat nog steeds op zijn troon in de hemel (Ps.2). In overeenstemming met Joh. 12:41, blijkt dat Jesaja de Here Jezus zag. Alleen in dit Bijbelgedeelte worden ‘seraphim’ vermeld. Het Hebreeuwse woord betekent ‘brandend’ en deze schepsels verwijzen daarmee naar de heiligheid van God, vandaar het drievoudige: ‘Heilig, heilig, heilig’. Sommigen denken dat deze wezens dezelfde zijn als de ‘levende wezens’ vermeld in Openbaring 4:6-9.

Omdat koning Uzzia gestorven was, was het uitzicht slecht voor Jesaja en het volk. Het volk was in gevaar, en Jesaja kon er weinig aan veranderen. Het uitzicht was slecht, maar de blik naar boven was grandioos (Ps.121:1)! God was nog steeds op de troon en regeerde soeverein. Vanuit hemels standpunt gezien, was ‘de ganse aarde vol van Zijn heerlijkheid’ (6:3; Num.14:21-22; Ps.72:18-19). Als de wereld rondom ons dreigt in te storten, kijk naar Boven!

Een inzicht: Jesaja zag zichzelfHij keek naar binnen (Jesaja 6:5-7)

‘Pas als ze het contrast gezien hebben tussen zichzelf en de majesteit van God, worden mensen echt aangeraakt en overtuigd van hun onbeduidendheid,’ schreef Johannes Calvijn. Dit gold niet alleen voor Jesaja, maar ook voor Job (Job 42:5-6), Daniël (Dan.10:16-17), Petrus (Luk.5:8) en Johannes (Op.1:17).

Het zicht op een heilige God en het geluid van een hemels lied brachten een grote overtuiging in het hart van Jesaja, en hij beleed dat hij een zondaar was. Onreine lippen worden veroorzaakt door een onrein hart (Mat.12:34-35). Jesaja smeekte om een innerlijke reiniging (Ps.51:10), en God voldeed aan die vraag. Als dit voorval op aarde had plaatsgevonden, dan zouden de kolen van het bronzen altaar gekomen zijn waar bloed van de offers geplengd was, of misschien wel van het reukwerk van de Hogepriester (Lev.16:12). Jesaja’s reiniging gebeurde door bloed en vuur, en het werd getoetst door het Woord van God (6:7).

Alvorens we een dienst verrichten aan anderen, moeten we God toestaan een dienst aan ons te verrichten. Voordat we het ‘wee u’ afroepen over anderen, behoren we eerst te zeggen ‘Wee mij!’. Jesaja’s overtuiging van zondigheid leidde tot belijdenis, en belijdenis leidde tot reiniging, en reiniging maakt bekwaam tot dienst voor God (1 Joh. 1:9). Evenals Jesaja, zagen ook andere grote geloofsmannen zichzelf als zondaars en vernederden ze zich voor God: Abraham (Gen.18:27), Jakob (Gen.32:10), Job (Job 40:1-5), David (2Sam.7:18), Paulus (1Tim.1:15) en Petrus (Luk.5:8-11).

Een visie: Jesaja zag het volkHij keek rondom zich (Jesaja 6:8-13)

Jesaja zag het volk in zijn zonden, verdrukking en heerlijkheid. Het volk had God nodig en God wilde een dienstknecht ten behoeve van het volk. Jesaja gaf zich vrijwillig op om die dienstknecht te zijn. Hij ging niet in discussie over zijn roeping zoals Mozes deed (Ex.3:11-4-15) en Jeremia (Jer.1:4vv.), maar aanvaardde de benoeming en stelde zich beschikbaar voor de Meester. Onderschat nooit wat God kan doen door een enkele gewillige dienstknecht. Vandaag de dag zijn er heel wat meer werkers nodig, en we hebben geweldige mogelijkheden om het evangelie mee te delen aan een verloren wereld. Bent u één van die vrijwilligers? God bemoedigde zijn knecht niet bijzonder! Jesaja’s dienst maakte de blinden nog meer blind, en de doven nog meer doof, en hun harten nog harder. Verzen 9-10 zijn zo belangrijk dat ze zes keer vermeld worden in het NT (Mat.13:13-15; Mark.4:12; Luk.8:10; Joh.12:40; Hand.28:25-28; Rom.11:8). God maakt niet vrijwillig mensen blind, doof en verhard; maar hoe meer de mensen Gods waarheid afwijzen, hoe minder ze in staat zijn om die waarheid te ontvangen. Maar de dienstknecht is geroepen om de waarheid uit te dragen, ongeacht hoe het volk erop reageert. Het succes van dienstbaarheid is niet het uiterlijke succes, maar het getrouw zijn aan God. God liet Jesaja weten dat zijn dienst zou eindigen in een ogenschijnlijke mislukking, met het land als een ruïne, en het volk gaande in ballingschap (6:11-12). Maar een overblijfsel zou behouden blijven! Het zou gelijken op een stomp van een gevallen boom waaruit de scheuten (‘het heilig zaad’) zouden komen, en zij zouden het werkelijke geloof uitdragen in het land. Jesaja had een lange termijn verwachting nodig voor zijn dienst, want anders zou hij de idee kunnen krijgen dat het allemaal voor niets diende.

Ga, en zeg’ is nog altijd Gods bevel voor Zijn volk (vs.9; Mat.28:7; Mark.5:19). Hij wacht op ons antwoord, ‘Hier ben ik, zend mij.’

______________________________________________________________________________________________________________________________