Oude Testament – Gods beloften – Micha 4-5

9 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Micha

Oude Testament

‘Gods beloften’

Micha 4-5

‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’ (1Kor. 1:20).

Inleiding

De profetie van Micha beperkt zich niet tot zijn eigen tijd, maar strekt zich uit tot ‘in het laatste der dagen’ (Mi.4:1). Het ‘laatst der dagen’ begint toen de Heer Jezus op aarde kwam en duurt voort tot aan Zijn komst in heerlijkheid. ‘Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatste van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon’, aldus Hebreeën 1:1.

Het boek Micha kun je vrij gemakkelijk indelen. Het begint met hoofdstuk 1 tot 2:13 met de aankondiging van het komende oordeel vanwege ‘Om Jakobs overtreding is dit alles en om de zonden van het huis Israëls’ (Mi.1:5). Daarmee is het niet gedaan, want vanaf hoofdstuk 3:1 tot 5:15 wordt een Verlosser aangekondigd ‘wiens oorsprong is vanouds’ (Mi.5:1). Ten slotte doet Micha, vanaf hoofdstuk 6, een beroep op het volk om op God te vertrouwen.

De profeet Micha

Micha zelf helpt ons een eind op weg om te weten wie hij was, in welke tijd hij leefde en wat zijn boodschap was. ‘Het woord des HEREN, dat tot Micha, de Morastiet, kwam in de dagen van Jotam, Achaz, Jechizkia, koningen van Juda, hetwelk hij geschouwd heeft over Samaria en Jeruzalem’ (Mi.1:1). Zijn naam betekent ‘Wie is als de Here’. Hij profeteerde in de laatste helft van de achtste eeuw voor Christus. Micha voorzag de val van Israël door de Assyriërs in 722 en van Jeruzalem en Juda door de Babyloniërs van 606-596. Hij probeerde het volk terug te brengen tot de Here, maar helaas weigerden ze te gehoorzamen.

Bekend is het boek Micha vanwege zijn profetie over de komende Verlosser: ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:1-4).

De vervulling van deze profetie van een toekomstige Messias ligt nog in de toekomst, want  bij zijn eerste komst hebben ze Hem verworpen maar bij zijn tweede komst zullen ze hem aanvaarden (Mat.17:12; Hand.13:27). Dit patroon van verwerping en daarna  de aanvaarding vinden we typologisch terug bij Jozef en Mozes.

Micha spreekt in hoofdstuk 4 en 5 van meerdere beloften:

  1. Een beloofd Koninkrijk (4:1-8)

Het boek Micha begint met de aankondiging van Gods oordeel over Samaria en Juda (Mi.1:1-16) en in het daaropvolgende hoofdstuk 2 worden we ingelicht wat de reden van dit oordeel is, namelijk de hebzucht, de valse profeten en de zonden van de leiders van het volk.

Vanaf hoofdstuk 4 worden we ingelicht over de toekomst van het volk, een voortzetting en uitweiding van de ‘heilsverkondiging’ in hoofdstuk 2:12-13. Nee, God heeft zijn volk niet verstoten (Rom.11:1), er wacht hen nog een geweldige toekomst ‘in het laatst der dagen’, en hoofdstuk 4 begint met een beschrijving van die tijd. Deze profetie moet een geweldige bemoediging zijn geweest voor de profeet op het moment dat de vijand voor de deur stond en het volk in ballingschap zou sturen. Het tegenovergestelde zal in de toekomst gebeuren, namelijk niet dat de volken als vijanden tegen Jeruzalem ten strijde zullen trekken, maar ‘in die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is’ (Zach.8:23).

Nu wij de vijgenboom en al de bomen zien uitlopen, weten wij dat de zomer reeds nabij is. Het Koninkrijk Gods is op komst en Gods beloften met betrekking tot Israël staan op het punt in vervulling te gaan (Luk.21:29-33).

  1. Een beloofde verlossing (4:9-10)

Maar voordat het overblijfsel zal kunnen genieten van het zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom (4:4), zullen ze moeten verlost en teruggekeerd zijn in het land. Na tweeduizend jaar is er in 1948 weer een staat Israël uitgeroepen en wat wij vandaag zien is een voorbode van de heerlijkheid die nog moet komen. Ze zullen bevrijd worden en terugkeren naar het land, niet alleen uit de macht van de koning van Babel maar uit alle volken waarheen ze verstrooid zijn. ‘Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des HEREN, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord des HEREN, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des HEREN, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren’ (Jer.29:11-14). Dit was de verlossing die Anna en alle anderen, o.a. Jozef van Arimathéa, verwachtten (Luk.1:68; Mark.15:43), en waarover de profetie van Zacharia sprak (Luk.2:38).

  1. Een beloofde overwinning (4:11-18)

We mogen nog eens een kijkje nemen in ‘het laatste der dagen’ en zien dat de rollen zijn omgekeerd ten gunste van het volk Israël. De volkeren ‘kennen de gedachten des HEREN niet en verstaan zijn raadslag niet, dat Hij hen verzamelt als schoven op de dorsvloer’ (Mi.4:12). De wereldleiders van vandaag weten niets van de plannen van God met betrekking tot het volk Israël. De profeet Zacharia spreekt over de positie van Israël en de volkeren in de eindtijd duidelijke taal: ‘Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond; ja ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem. Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen’ (Zach.12:1, 9). ‘Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden. Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. De helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het volk zal in de stad niet uitgeroeid worden. Dan zal de HERE uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de HERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem. En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving; ja, het zal één dag zijn – die is bij de HERE bekend – geen dag en geen nacht; maar ten tijde van de avond zal er licht wezen. Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige. Het gehele land zal worden als de Vlakte van Geba tot Rimmon, zuidelijk van Jeruzalem; maar dit zal verhoogd worden en op zijn plaats blijven bestaan, van de Benjaminpoort tot de plaats van de vroegere poort, tot de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot de koninklijke perskuipen; men zal het bewonen, en er zal geen ban meer zijn, maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn’ (Zach.14:1-11).

  1. Een beloofde Koning (5:1-5)

Voordat de hierboven vermelde beloften hun volle vervulling kunnen krijgen, zal eerst de Messias moeten komen en daarvan spreken de eerste verzen van hoofdstuk 5. In hoofdstuk 4 wordt de vraag gesteld: ‘Is er geen koning bij u?’ (4:9), in de eerste verzen van hoofdstuk 5 vinden we het antwoord. We vinden hier de aankondiging van de plaats van herkomst van de Messias, wat bevestigd wordt in het Nieuwe Testament door de aanhaling van deze passage  door de overpriesters en de schriftgeleerden in antwoord op de vraag van Herodes waar de Christus geboren zou worden (Mat.2:6). De joden wisten waar de Christus vandaan zou moeten komen: ‘Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was?’(Joh.7:42). Wij zouden hebben verwacht dat de koning van de joden in de stad Jeruzalem geboren zou worden maar hij kwam ter wereld in alle nederigheid, geboren in een stal en in het dorpje Bethlehem. De kerkvader Tertullianus (ca. 160 – ca. 230) argumenteerde in zijn gesprekken met de joden, dat als Jezus niet de beloofde Messias was, deze profetie nooit meer vervuld kon worden omdat er geen nakomelingen van David meer in Bethlehem waren en de afstamming niet meer achterhaald kon worden.

‘Wie is toch deze, dat Hij ook aan de winden en aan het water bevelen geeft en zij Hem gehoorzaam zijn?’ (Luk.8:25).  Het antwoord op deze vraag vinden we hier al voor een stuk geopenbaard want: ‘uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’. Hier wordt duidelijk gesproken over Hem die kon zeggen: ‘vóór Abraham werd ben Ik’ (Joh.8:58). Hier wordt Christus’ mensheid en Godheid geopenbaard, Hij is God en Mens in één Persoon. ‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen’ (Jes.6:5-6).

De verzen 2 en 3 wachten nog op hun vervulling. Eerst zal hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft, hetgeen duidt op Christus’ eerste maar ook op zijn tweede komst. Het volk zal terugkeren, waarvan we al een begin zien toen in 1948 Israël weer een staat werd. ‘Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des HEREN, in de majesteit van de naam des HEREN, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde, en Hij zal vrede zijn’ (Mi.5:3). ‘Zo zegt de Here HERE: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat’ (Ez.37:21-28).

Besluit

Wat zou Micha van zijn ‘eigen’ profetie begrepen hebben? Ook wij verkeren in een situatie dat alles nog niet ten volle geopenbaard is van de dingen die gebeuren moeten, sommige zaken zullen pas ten volle duidelijk worden bij hun vervulling. Ik zou daarom dit artikel willen besluiten met een gedeelte uit de eerste brief van Petrus: ‘Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan’ (1Petr.1:10-12).

______________________________________________________________________________________________________________________________