Oude Testament – Gods genade voor Israël – Hosea

9 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Hosea

Oude Testament

Gods genade voor Israël

Hosea – Overzicht

Inleiding

In het boek Hosea is het Gods liefde en genade voor zijn volk Israël dat het hoofdthema is. We zullen bij het bestuderen van dit boek dan tot de ontdekking komen dat de genadegaven en de roeping van God ten opzichte van Israël dan ook onberouwelijk zijn (Rom.11:29), dit ondanks Israëls ontrouw.

De naam Hosea betekent ‘redding’. Hij profeteerde in het noordelijk rijk Israël, (ook genoemd Efraïm) gedurende een periode van geestelijke achteruitgang. Toen Hosea met zijn dienst begon, was Jerobeam II koning (1:1), en het was een tijd van materiële voorspoed en was, om zich veilig te stellen betrokken in sluiten van buitenlandse allianties, in plaats van hun vertrouwen op God te stellen en bescherming bij Hem te zoeken. Hosea heeft Israël in ballingschap zien gaan door de Assyriërs in 721 v.Chr. Zie voor de historische achtergrond van die gebeurtenis 2Koningen 15-17. Hosea’s boodschap voor Israël was dat hij hun het naderend oordeel aankondigde vanwege hun zondige wandel. Gelukkig is er ook een boodschap van herstel en een hoopvolle toekomst. Tuchtiging moet leiden tot herstel en dat zien we dan ook in dit boek weergegeven. Het unieke van Hosea’s boodschap is wel dat hij die boodschap in zijn eigen leven moest voorleven voordat hij tot het volk kon spreken. De profeet moest een grote zielenstrijd in zijn eigen huwelijk ervaren en overwinnen vanwege de zonden van zijn echtgenote, maar dat diende ervoor dat hij het als een soort goddelijke objectles kon gebruiken om het volk Israël duidelijk te maken waar het bij hun aan haperde.

Israëls ontrouw uitgebeeld (1-3)

De Here gaf Hosea de opdracht Gomer te huwen, een ontuchtige vrouw. Nadat zij Hosea drie kinderen had gebaard, verliet zij hem voor anderen mannen (2:4). Hosea’s hart zal verscheurd van verdriet geweest zijn over haar handelswijze. Toen gaf God Hosea de opdracht om zijn vrouw te zoeken, en hij ontdekte haar op de slavenmarkt! (3:1-2). Hij moest haar terugkopen en bracht haar weer naar zijn huis en verzekerde haar van zijn vergeving en liefde. We mogen aannemen dat Gomer zich van haar verkeerde wandel bekeerd heeft en een trouwe echtgenote is geworden. Dit alles is een onbegrijpelijke gebeurtenis, totdat we inzien dat dit Israëls ontrouw ten opzichte van God weergaf, maar het is ook een teken van Gods genade.

Israël was als het ware ‘gehuwd’ met God, en ze zou trouw aan Hem moeten zijn geweest.

‘Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden’ (Jes.62:5). Zie ook de volgende teksten: Ex.34:14-16; Deut.32:16; Jer.3:14. Maar Israël bleef niet trouw, zoals Gomer dat niet deed, ze gingen achter andere goden aan en pleegden ‘geestelijke overspel’ door hun wandel met God ter verzaken en de goden van andere volken achterna te lopen. Zo geraakte het volk Israël in slavernij, gelijk Gomer dat overkwam. Maar dat is niet het einde van het verhaal, zoals Hosea zijn overspelige vrouw opzocht en vrijkocht, zo zoekt God zijn volk Israël weer op, vergeeft haar zonden, brengt herstelt ze in hun vroegere positie als volk van God. ‘Vader vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen! (Luk.23:34; Jes.53:12).

De geschiedenis van het volk Israël is terug te vinden in de namen van de kinderen aan Hosea geboren: (1) Jizreël betekent ‘verstrooiing’ en duidt op de tijd van de Joden verstrooid zijn onder de volken. (2) Lo-Ruchama: ‘geen ontferming’ en geeft de tijd weer dat Gods genade niet meer het deel van Israël is en dat het zal moeten lijden onder Gods tuchtende hand. Lo-Ammi ‘niet mijn volk’ duidt op de huidige tijd waarin God het volk Israël niet meer erkent als zijn volk; de Gemeente is nu Gods volk. Maar let op dat vanaf vers 10 tot 12 onmiddellijk aangeeft dat alles weer zal veranderen en ze weer Gods volk zullen zijn. ‘Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst’ (Hos.3:4-5).

 Israëls zonden vermeld (4-7)

‘Van David. Een leerdicht. Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is’ (Ps.32:1). Het zou mogelijk geweest kunnen zijn dat de bevolking Hosea gewezen zal hebben op de ontrouw van zijn vrouw, maar nu wijst Hosea naar hun zonden! (4:1-2). Hosea spreekt hier eerste de priesters, de geestelijke leiders van het volk aan: mijn aanklacht geldt u, o priester!’, want het is ‘zo priester, zo volk’ (4:9). De Heer Jezus moest tegen de sadduceeën zeggen: ‘U dwaalt, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God’ (Mat.22:29). Zondigen of een zondig gedrag kan voortkomen uit onwetendheid: ‘ik wist het niet!’ Er was geen trouw, geen liefde en geen kennis van God in het land’ (4:1) en ‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis’ (4:6). Gebrek aan kennis van Gods Woord was ook wat de Heer Jezus, Nicodémus, een overste van de Joden verweet (Joh.3:10). Daardoor komt het volk dat geen inzicht heeft ten val (4:14). Ze vervielen tot drankgelagen, ontucht en afgoderij (4:11vv.). De verzen 6:1-3 moeten we lezen als een ‘doekje voor het bloeden’, mooie woorden maar geen oprecht berouw, dat mag wel blijken uit de woorden die volgen, vanaf vers 4-6. ‘Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer; in kennis van God en niet in brandoffers!’

Wat duidelijk blijkt uit dit gedeelte is de nadruk die ligt op de belangrijkheid van het Woord van God, want: ‘Zie het Woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid zouden zij dan hebben? (Jer.8:9). Wij leven in een tijd waarin velen de gezonde leer niet meer verdragen, leraars verzamelt naar hun eigen begeerten verzamelt om zich het gehoor te laten strelen, zich van de waarheid afwendt en in fabels gaat geloven! Vandaar de oproep van Paulus aan Timotheüs om het Woord te prediken, gelegen en ongelegen! (2Tim.4:2-4).

Israëls oordeel aangekondigd (8-10)

‘Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ (Gal.6:7), dat is een niet te onderschatten waarschuwing voor een gelovige, of zoals hier het volk Israël. In een ander verband zegt Paulus in de tweede brief aan de gelovigen te Korinthe (9:6) in verband met de inzameling voor de arme gelovigen: ‘Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien, en wie rijkelijk zaait, zal ook rijkelijk maaien’. Oorzaak en gevolg zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Israël had zich niet laten gezeggen en was voortgegaan op de ingeslagen zondige weg. ‘Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood’ (Spr.14:12). ‘Wie zijn nek verhardt ondanks herhaalde vermaning, wordt opeens onherstelbaar gebroken’ (Spr.29:1). Het oordeel over hun zondige wandel was op komst en zou daarin bestaan dat de Assyriërs het volk in ballingschap zouden voeren. ‘Zij zullen in het land des Heren niet blijven, maar Efraïm zal naar Egypte terugkeren, en in Assur zullen zij het onreine eten’ (8:8; 9:3). Daaruit bestond de tuchtiging van God, hoe vreemd ons dit ook mag lijken, maar wie de Heer liefheeft die tuchtigt Hij’ (Hebr.12:6; Spr.3:11-12). Dit oordeel had als doel dat het volk tot inkeer zou komen, zodat God genade kon toepassen. Dit mogen we ook toepassen op een gelovige die in zonde is gevallen en zich daarvan niet wil reinigen en doorgaat op de ingeslagen zondige weg. Hij of zij zal buiten de gemeenschap van God, en in voorkomend geval ook buiten de gemeenschap van de gelovigen, komen te staan, en verliezen hun blijdschap, vrede en zijn niet meer bruikbaar voor de Meester (2Tim.2:19-21). Zulke gelovigen omschrijft de apostel Paulus als: ‘maar zelf zal hij (of zij) behouden worden, maar zó als door vuur’ (1Kor.3:15). Zeventig jaar is Israël in ballingschap gegaan totdat koning Kores, de grondlegger van het Medisch-Perzisch rijk, hen toestemming gaf om terug te keren naar hun land, om stad en tempel te herbouwen (Jes.44:28).

Israëls herstel aangekondigd (11-14)

‘Want niet voor eeuwig verstoot de Here. Want als Hij bedroefd heeft, ontfermt Hij Zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen. Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen’ (Klg.3:31-33). Wanneer Gods tuchtiging zijn doel bereikt en mensen of het volk tot inkeer komt, dan ontfermt Hij zich naar de grootheid van zijn gunstbewijzen; God past genade toe! Door te zondigen overtreed je niet allen wet, maar ook Gods hart!

Er is echter een goddelijk ‘totdat’! (Luk.21:24; Rom.11:25). ‘Zie uw huis wordt aan u woest overgelaten. Want Ik zeg u: u zult Mij van nu aan geenszins zien, totdat u zegt: ‘Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer’ (Mat.23:38-39). God zal genade toepassen, want Hij is geen mens en Hij zal niet komen in toorngloed! (11:9). Ja, Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot zijn heil – in de dagen der toekomst (Hos.3:4-5).

Het is een harde les geweest voor het Joodse volk, toen en al de tijd dat ze dolende waren onder de volken (9:17). Gelukkig is daar een voorlopige verandering in gekomen door de stichting van de staat Israël in 1948, waarin we hand van God mogen zien. De geestelijke verandering laat nog op zich wachten, maar er wacht het volk nog een geweldige toekomst. De verdere uitwerking van Hosea’s belofte voor wat betreft de toekomst voor Israël wordt in andere profetische boeken verder uiteengezet.

De persoonlijke boodschap voor ons is dat gelovigen die afdwalen altijd terug kunnen keren op hun schreden en met belijdenis van schuld weer in Gods nabijheid mogen komen, om zijn genade en vergeving te ervaren.

______________________________________________________________________________________________________________________________