Jakobs Acht begrafenissen – Genesis 35-48 – De Aartsvaders

29 juli, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Genesis

Serie – De Aartsvaders

Jakob

Acht begrafenissen in het leven van Jakob

(Genesis 35 – 48)

‘Opdat ik niet droefheid op droefheid had’ (Fil.2:27)

Inleiding

Na zijn broer het eerstgeboorterecht te hebben ontfutseld en zijn vader Isaak te hebben bedrogen gaat Jakob, op aanraden van zijn moeder Rebekka, naar Laban een broer van zijn moeder in Haran ongeveer 800 KM van hem verwijderd. Daar is Jakob twintig jaar gebleven, en zijn vier vrouwen ontmoet, waarna hij teruggekeerde naar Kanaän waar hij korte tijd later door God wordt geroepen om zich reisvaardig te maken en naar Betel te gaan, een plaats waar hij eerder een belofte aan God had gedaan.

Maar Jakob gaat niet rechtstreeks naar Betel dat hebben we gezien in hoofdstuk 33 waar we hebben gelezen dat hij na zijn ontmoeting met Esau zich naar Sukkot begaf en Sichem. Daar gebeurde dan de verkrachting van Dina.

De Jakob die we in hoofdstuk 34 zien is een totaal andere dan in hoofdstuk 35!

We lezen in Genesis 35 dat Jakob met het oog op zijn ontmoeting met God voorbereidingen treft. De vraag die wij onszelf zouden moeten stellen is: ‘Hoe bereiden wij ons voor op een ontmoeting met God?’ Een ontmoeting met een God waarvan de profeet Habakuk zegt: “Gij, die te rein van ogen zijt om het kwaad te aanschouwen’ (1:13) Jesaja zegt: ‘Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk dat onrein van lippen is, en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien’ (Jes.6:5) Als Jesaja zo onder de indruk was van wat hij gezien had, hoeveel temeer past het dan ons om ons voor te bereiden op zo’n ontmoeting!

De eerste begrafenis (35:4)

De voorbereidingen voor die ontmoeting zijn:

(1) Reiniging. Dit duidt op een nieuw begin. Zoals vuil, verontreinigd de zonde ons en moet worden verwijderd. (Ps.51:2; Jes.1:16; 2Kor.7:1; 1Joh.1:9).

(2) Verwisseling van klederen. Onze oude kleren zijn een beeld van ons oude leven met zijn tekortkomingen (Jes.64:6), maar God geeft ons uit genade ‘nieuwe kleren’ opdat we opdat we met een schone lei kunnen beginnen (Gen.3:21; Jes.61:10; Zach.3:11-5; Luk.15:22; Op.3:18)

(3) Huis van God. Betel betekend ‘huis van God’ – in het Nieuwe Testament wordt de Gemeente ook voorgesteld als een huis van God. (1Tim.3:15; 1Petr.2:5). Petrus zegt dat wij levende stenen zijn om dat huis te vormen en we worden genoemd een ‘heilig en koninklijk priesterdom’ (1Petr.2:4-10). ‘De heiligheid is uw huis tot sieraad’ (Psalm 93:5). Jakob heeft zeker geen onbezorgde oude dag gehad dat blijkt uit de verdere gebeurtenissen in zijn leven het begon met de dood van Debora.

De tweede begrafenis – Debora (35:8) Als tweede werd Debora begraven voor velen een aanleiding om te denken dat Rebekka gestorven was en dat Rebekka nu deel ging uitmaken van Jakobs huis. Was zij de brengster van het nieuws?

De derde begrafenis – Rachel (35:19)

In hoofdstuk 30:1 had Rachel gezegd: ‘Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik’ Haar ‘wens’ werd hier vervuld!

De zonde van Ruben (25:22)

Vondel heeft eens gezegd: ‘Het leven is een pijp kaneel, elk zuigt eraan en krijgt zijn deel.’  Een waar woord zeker als we dit hoofdstuk op ons laten inwerken. Paulus spreekt ook over ‘droefheid op droefheid’ (Fil.2:27). Ruben lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader. In die tijd was het nemen van de vrouw van je vader een poging tot machtsovername. Later spreekt Jakob Ruben er nog over aan (Gen.49:3; 48:5; Pr.8:11).

De vierde begrafenis – Isaak (35:29)

Isaak is de oudste van de aartsvaders geworden, honderdtachtig jaar. Hij werd begraven in de spelonk van Makpela waar ook Abraham, Sara, Rebekka en Lea begraven lagen, en waar later Jakob ook zou begraven worden (Gen.49:30-32).

De zevende begrafenis – Jozef (37:34-35)

‘Dit alles is tegen mij’ en ‘kwaad zijn al mijn levensjaren geweest zijn woorden door Jakob uitgesproken. (Gen.42:36; 47:9). Nee, hij heeft geen gemakkelijk leven gehad, maar was dat ook niet doordat hij zo vaak zijn eigen weg ging? (Gen.35:3).

Zijn eigen begrafenis

Toch een omkeer want Jakob zegt ook: ‘God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood’ (Gen.48:15).

____________________________________________________________________________________________________