Serie de Aartsvaders – Leven van Jakob – Jakob in Egypte – Deel 4 – Genesis 45-50

29 juli, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Genesis

Serie: De Aartsvaders

Jakob – Deel 4

Jakob in Egypte

Genesis 45-50

Inleiding

Eigenlijk waren het vaak door omstandigheden dat Jakob op reis te ging. Hij trok naar Haran naar Laban, de broer van zijn moeder, uit vrees voor zijn broer Esau die hem wilde doodden. Hij vluchtte voor zijn neef Laban, in verband met de verstoorde verhouding met hem, en ging terug naar Kanaän. Door een hongersnood ging hij noodgedwongen naar Egypte, waar hij bleef tot aan zijn dood. Hij had zijn ‘reis’ erop zitten en kon nu achteromkijken om te overdenken hoe God hem al die jaren geleid had. Hij kon om zich heen kijken en genieten van zijn kinderen en kleinkinderen. En hij kon vooruitzien naar de ontmoeting die hij binnenkort zou hebben met ‘de Herder Israëls’. Wanneer Jakob de zonen van Jozef zegent besluit hij met de woorden: God, de Almachtige, is mij verschenen te Luz in het land Kanaän en heeft mij gezegend’ (48:3). De geschiedenis van Jozef is eigenlijk onderdeel van de geschiedenis van Jakob.

Jakobs laatste reis (Gen. 45-46)

De oorzaak van Jakobs laatste reis lag al in Genesis 37 waar Jozef, door zijn vader naar zijn boers gezonden, door hen verkocht werd en in Egypte terechtkwam. Dit gebeurde met Gods toelating en onder Zijn voorzienigheid. ‘God zond een man voor hen uit’ (Ps.105:17). Dat Jakob ooit nog eens naar Egypte zou gaan daar zal hij zeker nooit aan gedacht hebben. Abraham die zich eerder al door een hongersnood gedrongen voelde om uit eigen beweging naar Egypte te gaan, had daar slechte ervaringen opgedaan en het was Isaak verboden geweest om er naartoe te gaan (26:2). Toen men Jakob de boodschap had gebracht dat Jozef nog leefde kon hij het niet geloven; zijn hart bleef er koud onder, maar de bewijzen daarvan waren zo overtuigend dat Jakob bereid was om naar Egypte te gaan (45:25-28). Maar Jakob ging met de toestemming van God, die tot hem sprak in nachtgezichten en zei: ‘Jakob, Jakob. En hij zeide: Hier ben ik. Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken’ (46:1:4). ‘Toen ging Jakob uit Berseba op weg, en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, benevens hun kinderen en hun vrouwen, op de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren. Zij namen ook mee hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn kroost met hem. Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters en zijn gehele kroost bracht hij met zich naar Egypte. Het gehele getal der zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, was zeventig’ (46:5-7,27). Maar Stefanus zegt in het boek Handeling dat het aantal personen dat op weg ging vijfenzeventig was. ‘En Jozef zond hen weg en riep zijn vader Jakob bij zich en al zijn verwanten, totaal vijfenzeventig zielen’ (Hand.7:14).

Jakobs ontmoeting met Jozef en de Farao (Gen.46-47)

Juda werd door Jakob vooruit gezonden om zijn komst aan te kondigen en ondertussen maakte Jozef zich op om zijn vader tegemoet te gaan. ‘En Jozef spande zijn wagen aan en trok naar Gosen, zijn vader Israël tegemoet. Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. Toen zeide Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft’ (46:29-30). Had Jakob gedacht dat hij binnenkort zou sterven (45:28), hij zou echter nog zeventien jaar leven (47:9;28). De eerste zeventien van Jozefs leven en de laatste zeventien jaar van zijn eigen leven heeft Jakob nog in de nabijheid van Jozef mogen meemaken.

Jozef ging ook hier met beleid te werk door zijn familie en hun beroep vooraf aan de Farao aan te kondigen; ‘want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel (46:34).

In tegenstelling met Abraham gaf Jakob ten opzichte van de farao een schitterend getuigenis. Abraham leidde Farao om de tuin door te zeggen dat Sara zijn zuster was, maar Jakob zegende Farao (47:10). ‘Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere’ (Heb.7:7). De enige zegen die deze wereld kan ontvangen komt door de God van het volk Israël: ‘want de behoudenis (of: heil) is uit de Joden (Joh.4:22). Er was een zegen toegezegd vóór Abraham, maar ook een zegen dóór Abraham: ‘En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden’ (Gen.22:18).

Verder beschrijft hoofdstuk 47 de wijze waarop Jozef het land Egypte bestuurde. We zouden dezelfde toewijding aan Christus moeten hebben zoals de Egyptenaren dat aan Jozef hadden: ze gaven hem hun geld, land, bezittingen en hun eigen lichaam (Rom.12:1-2).

Jakobs laatste zegen (Gen.48)

Jakob werd ziek en Jozef werd ervan op de hoogte gebracht en ging naar zijn vader met zijn twee zonen Manasse en Efraïm. Had Jozef een voorgevoel van wat er zou gebeuren? Het eerste wat Jakob doet is Manasse en Efraïm de plaats geven die voorbehouden was aan Ruben en Simeon: ‘Efraïm en Manasse zullen mij als Ruben en Simeon zijn’ (48:5). Ruben was de eerstgeborene maar door zijn zonde raakte hij het recht van de eerstgeborene kwijt. ‘De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, want hij was de eerstgeborene, maar omdat hij de legerstede van zijn vader had ontwijd, was zijn eerstgeboorterecht geschonken aan de zonen van Jozef, de zoon van Israël’ (1Kron.5:1-2; Gen.35:22). Simeon was een broer van Levi en hadden Lea als moeder en waren mannen van geweld en namen wraak op hun zuster Dina door de mannen van Sichem te doden (Gen.34). De nakomelingen van Simeon werden later opgenomen in de stam van Juda (Joz.19:1) en Levi werd later de priesterlijke stam die geen erfenis voor zich hadden.

Omdat Jakob blind was (48:11) moest hij Jozef vragen wie deze jongens waren. Dat doet ons denken aan Isaak die vanwege zijn blindheid door Jakob bedrogen werd (27:1). Wat we eerder hebben gezien bij Set en Kaïn, Isaak en Ismaël, Jakob en Esau zien we hier nog maar eens herhaald bij Manasse en Efraïm, Jakob plaatste Efraïm vóór Manasse. ‘Hij neemt de eerste weg om het tweede te stellen’ (Heb.10:9).

Jakob gaf ook een zegen aan Jozef in de naam van de God die voor hem als een Herder was geweest. ‘En Israël zeide tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt. (48:21-22).

Jakobs laatste boodschap (Gen. 49)

Jakob riep zijn zonen bij zich om hen te zegenen en afscheid te nemen om hun bekend te maken wat ze in de toekomende dagen zouden meemaken (49:1). Omdat deze toepspraak van Jakob zeer gedetailleerd is, heb ik dit hoofdstuk verder uitgewerkt in een apart artikel onder de titel: ‘De laatste woorden van Jakob’ in de rubriek: Het leven van Jakob op mijn website.

Jakobs laatste reis (Gen. 49-50)

‘Het is de mens gezet om eenmaal te sterven’ en dat gold ook voor Jakob (Heb.9:27). Hij had zijn voorbereidingen getroffen door de zonen van Jozef te zegenen (48) en daarna zijn eigen zonen (49). Zijn aardse reis zat er op. Veel mensen treffen wel voorbereidingen als ze op vakantie gaan of een reis maken, maar niet voor hun laatste reis. Jakob had zijn hele leven met God geworsteld, maar God had overwonnen. Jakob was klaar om voor zijn Schepper en God te verschijnen, maar er was nog een laatste opdracht voor zijn zonen over: hij wenste begraven te worden in het land Kanaän. ‘Daarna gaf hij hun bevel en zeide tot hen: Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd, begraaft mij bij mijn vaderen in de spelonk in het veld van de Hethiet Efron, in de spelonk in het veld van Makpela, dat tegenover Mamre in het land Kanaän ligt, welk veld Abraham gekocht heeft van de Hethiet Efron tot een eigen grafstede. Daar heeft men Abraham en zijn vrouw Sara begraven; daar heeft men Isaak en zijn vrouw Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven; het veld met de spelonk daarin, is gekocht van de Hethieten.  Nu alles gedaan en gezegd was trok hij zijn voeten terug op het bed en gaf de geest’ (49:29-32). Jakob stierf op de leeftijd van honderdzevenenveertig jaar.

Jozef beweende zijn vader maar niet als mensen die geen hoop hebben (1Thes.4:13). Hoe langer iemand leeft hoe moeilijker het is om afscheid te nemen. De gedachtenis aan iemand die je liefhebt of die veel voor je heeft betekend zal nooit verdwijnen, maar het verdriet zal met de jaren minder worden. Je hoort wel eens zeggen bij een begrafenis: ‘Sterkte met het verlies’. Dat is goed bedoeld maar als je weet waar iemand heen is gegaan ben je hem of haar niet kwijt! Het is een groot voorrecht als je weet dat iemand bij de Heer is en dat je als gelovigen elkaar weer zult zien.

Na een periode van veertig dagen waarin het lichaam van Jakob gebalsemd werd, en een periode van zeventig dagen van rouw, kreeg Jozef de toestemming van de Farao om zijn vader naar Kanaän te brengen. Jakobs zonen stonden samen aan het gaf van hun vader, samen verenigd. Begrafenissen brengen vaak familieleden weer bij elkaar, dat was het geval bij Isaak en Ismaël bij de dood van Abraham, en bij Esau en Jakob bij de dood van Isaak. Jakob was thuis! Thuis in zijn land en thuis bij zijn Schepper, de God van Israël.

Tenslotte

Hiermee is de geschiedenis van Jakob beëindigd en daarmee ook het boek Genesis. De geschiedenis van Jozef, die eigenlijk onderdeel uitmaakt van Jakobs geschiedenis, vormt als het ware een brug met het boek Exodus, om te kunnen begrijpen hoe het volk Israël in Egypte terecht was gekomen. De ‘strijders Israëls’ had de goede strijd gestreden, en kon nu gaan rusten.

_____________________________________________________________________________________________________________________________________