Oude Testament – Jozua Gods herder – Jozua

14 augustus, 2023

Series: Oude Testament

Bijbelboeken: Jozua

Oude Testament

Jozua, Gods herder!

Jozua 23-24

Inleiding

Jozua was aan het einde van zijn leven gekomen, en zou de weg gaan van alle vlees (Joz.23:14). Zijn taak zat er bijna op en hij dacht erover na hoe het ná hem verder zou gaan met het volk Israël. Hij was fysiek oud en kon niet meer de dingen doen die hij vroeger deed. Hij was honderdtien jaar en, net zoals Mozes toen die honderdtwintig jaar was, mogen we aannemen dat zijn oog niet was verduisterd en zijn geestelijk kracht niet was geweken (Deut.31:2, 34:7). Jozua was een rechtvaardige die groeide als een palmboom, die opschoot als een ceder van de Libanon; geplant in het huis des Heren groeide hij in de voorhoven van zijn God; hij droeg in de ouderdom nog vrucht, fris en groen was hij; om te verkondigen, dat de Here waarachtig is, mijn rots, in wie geen onrecht is (Ps.92:13-16, 91:10). Ja, Jozua wilde de leiders en het volk nog een laatste boodschap meegeven, want hij had ervaren en was ervan overtuigd dat, zoals de Here hem had bijgestaan in zijn leven, ook het volk Hem nodig zou hebben wilden ze Gods zegen blijven ontvangen, in de dagen die gingen komen. Vandaar Jozua’s afscheidsrede tot het volk en de verbondsvernieuwing te Sichem.

Jozua’s afscheidsrede en laatste oproep

We zien vaker in de Schrift, dat als een leider sterft, hij nog een laatste boodschap achterlaat aan hen die hij heeft gediend, zoals Petrus, Paulus, Jakob, en Mozes. Petrus richtte in zijn afscheid, in zijn tweede brief, de aandacht op de Heer Jezus: ‘Groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus’ (2Petr.3:18). Paulus, hoe kan het ook anders, wijst de gelovigen op het Gods Woord: ‘En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade’ (Hand.20:32). Jakob heeft het grote voorrecht gehad om persoonlijk van al zijn kinderen afscheid te kunnen nemen, om hen bekend te maken wat hen in de komende dagen overkomen zou (Gen.49:1vv.). Mozes tenslotte spreekt tot het volk in een lied en leerde het de Israëlieten, waarin Israëls afval aangekondigd wordt (31:22,30). Geen prettig afscheid. Toch? Jozua neemt op een geheel andere wijze afscheid namelijk door een toespraak te houden en door een verbondssluiting; eigenlijk een herbevestiging daarvan.

Jozua’s oproep tot de leiders (Joz.23)

Is het u ook opgevallen? Dertien keer noemt Jozua de Naam des Heren! Daaruit mogen we wel concluderen dat de Here de eerste en de enige plaats in zijn leven heeft gehad, en Jozua geeft Hem dan ook alle eer voor alles wat er tot dusver tot stand is gekomen. Maar Jozua had ook zorg over het verdere verloop van het volk, en daarin toont hij zijn herderlijke kant. Hij had niet slechts liefde voor zijn God maar ook voor Diens volk! Zo spreekt ook de apostel Paulus over alle verdrukking die hij heeft meegemaakt, maar bovenal overviel hem dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten (2Kor.11:28). En wat te denken van de profeet Eli, die achtennegentig jaar oud, op de stoel zat aan de kant van de weg op de uitkijk, want zijn hart sidderde vanwege de ark van God die in verkeerde handen was gevallen (1Sam.4:13). En hoe is het met onze liefde en zorg voor de gemeente, Gods volk, waarvoor de Heer Jezus zijn leven heeft gegeven; evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven (Ef.5:25).

Jozua benadrukt dat God aan zijn beloften heeft voldaan, ‘Zijnerzijds is niets onvervuld gebleven’ (23:14), en dat vraagt om een antwoord van het volk. Er zijn drie zaken waar Jozua de aandacht op vestigt, (1) het onderhouden van het wetboek van Mozes, (2) het niet inlaten met de volken die nog overgebleven zijn, en (3) de naam van hun goden niet belijden of dienen. Deze drie zaken kunnen zonder enige moeite op ons, gelovigen worden toegepast. Hoe is het met de omgang van Gods Woord, onderzoekt wij ook dagelijks de Schriften zoals de Bereeërs? (Hand.17:1). Hebben wij de wereld ook niet lief en bewaar we onszelf daarvan onbesmet? (Jak.1:27; 1Joh.2:15). En tenslotte, worden we ook niet gelijkvormig aan deze wereld en hebben de ‘goden’ van deze wereld geen invloed op ons leven? (Rom.12:2).

Het volk moest zich strikt gescheiden houden van de andere volken, zich niet met hen inlaten of verzwageren. Deden ze dat wel, dan ‘zullen zij u worden tot een strik en een val, tot een gesel op uw zijden en dorens in uw ogen, totdat gij vergaan zult uit dit goede land, dat de Here, uw God, u gegeven heeft’ (Joz.23:13). Waar je mee omgaat word je mee besmet, en wat je zaait zul je oogsten (Gal.6:7). Dit hoofdstuk eindigt met een ernstige waarschuwing: ‘Maar zoals al het goede over u gekomen is, dat de Here, uw God, u beloofd heeft, zo zal de Here alle kwaad over u brengen, totdat Hij u verdelgd zal hebben uit dit goede land dat de Here, uw God, u gegeven heeft. Wanneer gij het verbond schendt, dat de Here, uw God, u heeft opgelegd, en gij andere goden gaat dienen en u voor hen nederbuigt, dan zal de toorn des Heren tegen u ontbranden en gij zult welhaast vergaan uit het goede land dat Hij u gegeven heeft’ (Joz.23:15-16). Ja, God is liefde maar Hij is ook een na-ijverig God Die zijn heerlijkheid niet met een ander deelt! (Joz.24:19).

Jozua’s oproep tot het volk (Joz.24:1-28)

Na zijn toespraak tot de hoofden, rechters en opzieners was het de beurt aan alle stammen, het gehele volk van Israël, tot wie Jozua het woord richtte (Joz.24:1,2). Jozua begint zijn toespraak met de roeping van Abram in Ur der Chaldeeën, voordat hij in Haran woonde, waar de God der heerlijkheid aan hem verschenen was (Hand.7:2). Die roeping van Abram was uit genade en zonder voorwaarden vooraf. Het was niet omdat Abram uitblonk boven anderen, want zijn voorvaderen hadden andere goden gediend (Joz.24:2). ‘Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht’ (Jes.41:8-9). ‘Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; ú heeft de Here, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de Here Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Maar, omdat de Here u liefhad’ (Deut.76-7). Na Abram’s roeping overloopt Jozua in vogelvlucht de verdere geschiedenis van zijn nageslacht: zijn komen in het land Kanaän, het verblijf en bevrijding van het volk uit Egypte en de tocht door de woestijn, tot en met hun intocht in het beloofde land. Daaruit blijkt dat alle eer God toekomt, Hij heeft Abram uitverkoren, het volk groot gemaakt, bevrijd uit Egypte door zijn sterke arm (Deut.6:21; 26:8), de Amorieten gaf hij in hun macht en de voorgenomen vloek van Bileam veranderde hij in een zegen, en tenslotte ‘gaf Ik u een land waarvoor gij niet gezwoegd hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en waarin gij toch woont; en gij eet van wijngaarden en olijfbomen die gij niet geplant hebt’ (Joz.24-13). Ja, het volk kon met Jeremia zeggen: ‘Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgekomen zijn’ (Klaagl.3:22).

Deze gunstbewijzen in het verleden vragen om een antwoord in het heden, en dat vinden we vanaf vers 14. ‘Kiest dan heden, wie gij dienen zult’ is de oproep tot het volk, dat overeenkomt met de latere oproep van Elia tot het volk: ‘Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Here God is, volgt Hem na; maar indien het de Baäl is, volgt hem na’ (1Kon.18:21). ‘Welnu, vreest dan de Here en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient de Here. Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: òf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, òf de goden der Amorieten, in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen!’ (Joz.24:14-15). Het is óf de een óf de ander! Jozua geeft de aanzet door te zeggen: ‘Ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen’, waarop het volk antwoord: ‘Ook wij zullen de Here dienen, want Hij is onze God’. Prachtige woorden, maar woorden en beloften dienen gevolgd worden door daden! ‘Nu dan, doet de vreemde goden weg, die in uw midden zijn, en neigt uw harten tot de Here, de God van Israël’.

Jozua beseft, wellicht uit eigen ervaring, hoe moeilijk is om gedane beloften waar te maken, en vraagt om een bevestiging. Hij zei tegen hen: ‘Gij zult niet in staat zijn de Here te dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een na-ijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven. Wanneer gij de Here verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omwenden, u kwaad doen en verdelgen, nadat Hij u heeft welgedaan. Het volk zeide echter tot Jozua: Neen, maar de Here zullen wij dienen’ (Joz.24:19-21). Vergelijken we het voorgaande met de verbondssluiting op de berg Sinaï waar het volk, toen Mozes hen al de woorden en de verordeningen meedeelde, zei: ‘Al de woorden, die de Here gesproken heeft, zullen wij doen’ (Ex.24:3), zien we hoeweinig ervan is terecht gekomen. Want niet veel later maakten ze het gouden kalf! (Ex.32:1vv.). Het volk moest nog veel leren wat ook hier zien we hetzelfde, want niet veel later, in het boek Richteren zien we ‘dat ze de Here verlieten en andere goden achterna gingen’ (Ri.2:12). Tenslotte sloot Jozua met het volk een verbond en richtte een grote steen op onder de terebint, op de heilige plaats des Heren’, waarop hij het volk liet gaan, eenieder naar zijn erfdeel.

Drie begrafenissen (Joz.24:29-33)

Het boek Jozua wordt afgesloten met de vermelding van drie begrafenissen, dat van Jozua, Jozef en Eleazar. Een groot man is heengegaan maar het werk van God gaat door. Uit het vervolg van de weergave van de daaropvolgende gebeurtenissen van het volk, in het Oude Testament, weten we dat het volk de gedane beloften niet heeft kunnen waarmaken, waardoor ze uiteindelijk in ballingschap zijn geraakt. Dat heeft iemand tot de uitspraak geleid dat: ‘de ene generatie de bezittingen verwerft, de volgende deze beërft en de derde generatie ze bederft!’.

Ook het lichaam van Jozef, dat ze al die jaren hadden meegedragen, werd ter aarde besteld. Jozef had hen namelijk doen zweren bij zijn sterven in Egypte: ‘God zal zeker naar u omzien; dan zult gij mijn gebeente van hier meevoeren. En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte’ (Gen.50:25-26; Ex.13:19). In de lijst van geloofsgetuigen van Hebreeën 11 wordt dit aangehaald en gezien als een daad van geloof: ‘Door het geloof heeft Jozef bij zijn sterven melding gemaakt van de uittocht van de Israëlieten en heeft hij een opdracht gegeven in verband met zijn gebeente’ (Heb.11:22). Tenslotte nog de vermelding van de dood van Eleazar, de zoon van Aäron, en zij begroeven hem op de heuvel van zijn zoon Pinehas, die hem in het bergland van Efraïm gegeven was.

______________________________________________________________________________________________________________________________